Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2024-03-27
ECLI:NL:GHDHA:2024:1733
Rolnummer: 22-000269-20 Parketnummer: 09-220883-18 Datum uitspraak: 27 maart 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 10 januari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: Primair: hij op of omstreeks 6 november 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of gebouw, [adres] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 6 november 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de woning, het besloten lokaal en/of het erf, [adres] bij een pand van de Egyptische Ambassade, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, omdat ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) van de verdachte is geschonden. Gelet op samenhang van dit verweer met de andere gevoerde verweren van de verdediging, zal het hof later op dit verweer ingaan. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 100,00. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Primair: hij op of omstreeks 6 november 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of gebouw, aan de [adres] , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en /of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest v Hoofdregel is dat het kraakverbod, dat vanaf 1 oktober 2010 van kracht is, door politie en Openbaar Ministerie onverkort zal worden gehandhaafd. Krakers hebben wel de mogelijkheid om vooraf de (on)rechtmatigheid van de uitoefening van de strafvorderlijke bevoegdheid van artikel 551a Sv (oud) ter toetsing aan de onafhankelijk rechter voor te leggen middels een civiel kort geding. Ingevolge genoemde beleidsbrief wordt een ontruiming in beginsel schriftelijk bij de bewoners van het te ontruimen pand aangekondigd en wordt gewacht met ontruimen, totdat de voorzieningenrechter in een tijdig aanhangig gemaakt kort geding zich over een voorgenomen ontruiming heeft uitgelaten, tenzij sprake is van een aantal nader in de beleidsbrief omschreven bijzondere omstandigheden. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten het pand feitelijk als woning in gebruik hadden, op het moment dat bij de politie van hun aanwezigheid melding werd gemaakt. Er was op dat moment sprake van een onrechtmatige vestiging in het pand. Voorts stelt het hof vast dat de ontruiming niet conform de genoemde beleidsbrief heeft plaatsgevonden. Als gevolg van het feit dat de ontruiming niet van tevoren was aangekondigd, is de verdachte niet in de gelegenheid geweest om de voorgenomen ontruiming binnen een termijn van 7 dagen aan de voorzieningenrechter voor te leggen. Naar het oordeel van het hof is voorts niet gebleken dat zich een van de in de beleidsbrief genoemde bijzondere omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het noodzakelijk zou zijn geweest om direct tot ontruiming over te gaan. Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van een onrechtmatige ontruiming. Op grond van het dossier kan het hof niet vaststellen dat met deze onrechtmatige ontruiming doelbewust of met grove veronachtzaming een zodanige inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het verweer voor zover het ziet op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt daarom verworpen. Ook het verweer dat het verzuim als vormverzuim ex artikel 359a Sv. moet leiden tot bewijsuitsluiting treft geen doel. Daartoe overweegt het hof het volgende. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1753) overwogen dat de (on)rechtmatigheid van een op de voet van artikel 551a Sv (oud) verrichte ontruiming in beginsel, met het oog op het zwaarwegende belang van aan een kraker toekomend huisrecht, bij een onafhankelijk rechter ten toets moet kunnen komen. Indien, zoals in dit geval, voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt, kan de vraag of de ontruiming rechtmatig was aan de strafrechter worden voorgelegd in het kader van een strafzaak tegen de verdachte inzake het kraken. Indien de strafrechter vervolgens bevindt dat de verdachte (ten onrechte) niet de gelegenheid heeft gehad tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen, geldt dit verzuim niet als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van artikel 138a Sr. Bij de vaststelling van een dergelijk verzuim kan de vereiste belangenafweging voor de proportionaliteitstoets door de strafrechter worden gemaakt. Niet valt in te zien dat de strafrechter onvoldoende zou zijn toegerust om deze belangenafweging te maken, zoals de verdediging heeft betoogd. Ook de strafrechter kan als onafhankelijk rechter de proportionaliteit van een inbreuk op grondrechten toetsen, zoals gebruikelijk is bijvoorbeeld bij voorlopige hechtenis en het doorzoeken van woningen. Anders dan de verdediging heeft gesteld is er dan ook geen sprake van dat in deze toetsing onvoldoende waarborgen worden geboden voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van d Het gaat er namelijk om of op het moment van het kraken het pand bestemd was om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45 rov.3.6.2). Uit de aangifte van 6 november 2018 blijkt dat er plannen waren om het pand aan de [adres] te renoveren. Het pand had derhalve zijn publieke functie niet verloren. Ingevolge het bepaalde in artikel 22, tweede lid van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer rust op de ontvangende staat (i.c. Nederland) de bijzondere verplichting om alle geëigende maatregelen te nemen om de gebouwen van de zending tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de zending op enigerlei wijze wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan. Gelet op deze verplichting zal naar het oordeel van het hof, de voorzieningenrechter de ontruiming niet tegen een later tijdstip hebben toegestaan. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het huisrecht van de verdachten, en daarmee de schending van artikel 8 EVRM, niet zodanig ernstig is geweest dat in dat kader het rechtsgevolg van strafvermindering moet worden verbonden. In dit verband heeft het hof ook meegewogen de omstandigheid dat de verdachten slechts een korte tijd in het pand hebben verbleven (2 à 3 dagen) en zich nog niet of nauwelijks hadden geïnstalleerd. Er was sprake van een zeer beperkt opgebouwd ongestoord woongenot. Voorwaardelijk verzoek In het kader van de hierboven uiteengezette proportionaliteitstoets heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het voegen van het kraakdossier. Het hof wijst dit verzoek af, nu het hof zich op grond van de beschikbare informatie uit het procesdossier voldoende geïnformeerd acht om de genoemde toets uit te voeren. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van kraken. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan kraken. Kraken is een onaanvaardbare vorm van eigenrichting, waarbij het eigendomsrecht van derden op ontoelaatbare wijze wordt aangetast. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Voorts stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De termijn in hoger beroep is aangevangen op 20 januari 2020,de datum van het instellen van het hoger beroep, terwijl het eindarrest is gewezen op 27 maart 2024. Dat maakt dat in hoger beroep sprake is van een termijnoverschrijding van ongeveer 2 jaar en 2 maanden. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om te kiezen voor een andere strafmodaliteit. Gelet op de ernst van het feit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is bepleit. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Verni