Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-08-27
ECLI:NL:GHDHA:2024:1495
Civiel recht
Hoger beroep
3,942 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.327.558/01
Zaaknummer rechtbank : 9985096 \ RL EXPL 22-11035
Arrest van 27 augustus 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[appellante] Juristen sinds 1915 BV,
gevestigd in Gouda,
appellante,
advocaat: mr. E.A.C. Sandberg,
tegen
de naamloze vennootschap
Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd in Gouda,
verweerderster,
advocaat: thans mr. H. Th. Vos, voorheen mr. B.M. Wegereef.
Het hof zal partijen hierna noemen [appellante] en NN.
1De zaak in het kort
Een onderneming die aan een slachtoffer van een verkeersongeval juridische bijstand heeft verleend, vordert betaling door de verzekeraar van de aansprakelijke partij van aan de onderneming overgedragen vorderingen tot schadevergoeding (in het bijzonder: buitengerechtelijke kosten als onderdeel van vermogensschade). Haar (overgelegde) declaraties zijn niet voldoende om aan te nemen dat deze schade hoger is dan het bedrag dat al door de verzekeraar is betaald. Het hof bekrachtigt de afwijzing van de vordering.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 17 maart 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 22 december 2022;
de memorie van grieven van [appellante] met producties 11 en 12;
de memorie van antwoord van NN.
Feiten
3.1.
De heer mr. [appellante] (hierna: mr. [appellante]), is de directeur-groot aandeelhouder van [appellante] (BV) en voormalig advocaat.
3.2.
Op 21 mei 2018 is dhr. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) slachtoffer geworden van een verkeersongeval.
3.3.
[betrokkene] heeft op 24 mei 2018 [appellante] opdracht gegeven om te onderhandelen over de hoogte van de schadevergoeding en is in dezelfde overeenkomst met [appellante] overeengekomen, dat [betrokkene] [appellante] machtigt tot “Het rechtstreeks aan de wederpartij declareren van de buitengerechtelijke kosten die Misterclaim [[appellante], Hof] in uw opdracht heeft gemaakt. Deze kosten vangen aan op het moment van het eerste contact tussen u en Misterclaim, en zijn gebaseerd op het standaard uurtarief van € 350,00, exclusief 10% kantoorkosten, verschotten en BTW.” Ook heeft [betrokkene] zijn vordering tot schadevergoeding op dit punt (kort gezegd: de buitengerechtelijke kosten) bij voorbaat aan [appellante] gecedeerd: “Deze kosten worden door u door ondertekening van deze overeenkomst bij voorbaat aan Misterclaim overgedragen.”
3.4.
NN heeft in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij jegens [betrokkene] aansprakelijkheid erkend.
3.5.
Tussen NN en [appellante] (als vertegenwoordiger van [betrokkene]) is gedebatteerd over de omvang van de schade en het causaal verband tussen het ongeval en (rug-)klachten van [betrokkene]. Dat debat is uiteindelijk beslecht door een deskundigenrapport van de neurochirurg [neurochirurg]. Tussen NN en [betrokkene] is een regeling getroffen, op grond waarvan [betrokkene] € 25.000,00 aan schadevergoeding heeft ontvangen. De buitengerechtelijke kosten maken geen onderdeel uit van deze schadevergoedingsregeling.
3.6.
[appellante] heeft aan NN verschillende declaraties verzonden, voor een totaalbedrag van € 47.279,28 incl. kantoorkosten, verschotten en BTW. NN heeft – in totaal – een bedrag van € 7.000,00 als voorschot op de schadevergoeding van [betrokkene] ter zake van buitengerechtelijke kosten voldaan.
4Procedure bij de kantonrechter
[appellante] heeft NN gedagvaard en gevorderd dat NN wordt veroordeeld tot betaling van € 25.000,00 en de proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld.
5Vorderingen in hoger beroep
In hoger beroep bestrijdt [appellante] de juistheid van de redenering van de kantonrechter en bestrijdt [appellante] de juistheid van de door de kantonrechter aangelegde maatstaf. Met haar grieven legt [appellante] het geschil in volle omvang voor aan het hof. Zij vordert, na vermindering van eis, betaling van € 10.000,00 , met veroordeling van NN om terug te betalen van hetgeen op basis van het vonnis mocht zijn betaald, met veroordeling van NN in de proceskosten van beide instanties.
Beoordeling
6.1.
NN voert verweer tegen de hoogte van het uurtarief, de kantoorkosten en het aantal gemaakte uren en betoogt dat de werkzaamheden niet noodzakelijk waren en de omvang van de kosten niet redelijk is.
6.2.
In hoger beroep voert [appellante] aan:
dat het gehanteerde uurtarief marktconform is en dat dat ook geldt voor “de wijze van tijdschrijven, de door haar in rekening gebrachte kantoorkosten en reiskosten en haar oordeel over de verhouding kosten/schade”;
dat NN de declaraties zonder protest behouden heeft;
dat pas in de procedure in eerste aanleg inhoudelijk verweer is gevoerd, dat het hof dat verweer als tardief zou moeten passeren en dat [appellante] onvoldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren,
dat er geen steekhoudende argumenten zijn waarom met de betaling van € 7.000,00 wel zou zijn voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 BW,
dat met de eisvermindering [appellante] tegemoet is gekomen aan de verweren van NN,
dat de hoogte van de schade ook schattenderwijs mag worden begroot.
6.3.
Geen van deze argumenten leidt tot het slagen van het hoger beroep en de toewijzing van de vordering.
6.4.
Het gaat hier niet om betaling van loon aan [appellante] als opdrachtnemer, maar om vergoeding van de schade van [betrokkene]. Meer specifiek gaat het hier om vergoeding van zijn vermogensschade zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c, BW de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Daarvoor geldt de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets: dat wil zeggen dat voor toewijzing ervan vereist is dat de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de omvang van de gemaakte kosten redelijk is.
6.5.
Deze schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). Het gaat hier om een abstracte schadebegroting, want er zijn door [appellante] kennelijk geen kosten bij [betrokkene] in rekening gebracht en de gevorderde kosten zijn ook niet door [betrokkene] daadwerkelijk betaald aan [appellante]. De overeenkomst tussen [betrokkene] en [appellante] houdt immers in dat [betrokkene] een deel van zijn vordering tot schadevergoeding (kort gezegd: de buitengerechtelijke kosten) aan [appellante] cedeert en dat [appellante] (alleen) voor dat deel rechtstreeks bij NN declaraties zal indienen.
6.6.
Het hof zal voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding op dit punt aansluiten bij de rekenwijze van partijen, gebaseerd op een uurtarief en daaraan te besteden tijd voor de werkzaamheden van [appellante] en op basis van de gemaakte kosten voor de kosten van derden (verschotten).
Verschotten
6.7.
Hoewel beide partijen, onder verwijzing naar de overgelegde declaraties, uitgaan van andere bedragen, stelt het hof op basis van de overgelegde declaraties vast dat [appellante] in totaal € 3.419,28 (btw daarin begrepen) aan verschotten heeft vermeld op haar declaraties, die voornamelijk zien op de kosten van de medisch adviseur (Medithemis) en voor een klein deel op kosten voor informatieverstrekking van het ziekenhuis Haaglanden Medisch Centrum. NN voert verweer tegen de kosten van de medisch adviseur, omdat het volgens haar niet nodig was om zo vaak (minstens 7 maal) advies te vragen. Het hof acht dat verweer onvoldoende onderbouwd. Gelet op het verloop van de onderhandelingen en het debat tussen partijen, was de discussie toegespitst op de medische causaliteit. NN heeft niet betwist dat de kosten daadwerkelijk door de adviseur (en de betrokken behandelaars die om informatie is gevraagd) in rekening zijn gebracht en NN betwist niet dat die kosten van derden ook zijn voldaan. Het hof acht tegen die achtergrond een bedrag van € 3.419,28 (btw daarin begrepen) aan verschotten redelijk en het hof acht het ook redelijk dat die kosten door of ten behoeve van [betrokkene] zijn gemaakt. Op basis van het partijdebat begrijpt het hof dat de betaalde € 7.000,00 in de eerste plaats aan de verschotten moet worden toegerekend.
Uurtarief
6.8.
In haar declaraties gaat [appellante] uit van een uurtarief van € 350,00 (oplopend tot € 400,00 in 2022) te vermeerderen met btw en 10% kantoorkosten. NN bestrijdt dat dat tarief (jegens haar als aansprakelijke verzekeraar) redelijk is.
6.9.
Het hof overweegt als volgt. Bij de schadebegroting op basis van een uurtarief en gewerkte uren, moet het – gelet op de (dubbele) redelijkheidstoets – gaan om een redelijk uurtarief (en een redelijk aantal uren). Een uurtarief van € 350,00 vermeerderd met 10 procent komt voor een consument, inclusief btw, neer op een uurtarief van € 465,85. Dat is een uurtarief voor een gespecialiseerd advocaat en dat is hier geen redelijk uurtarief, gelet op de omstandigheden van dit geval.
Immers de feitelijke bijstand aan [betrokkene] werd verleend door mr. [appellante], de dga van [appellante] en mr. [appellante] is geen advocaat meer. Dat is van belang, want advocaten zijn onderworpen aan tuchtrecht, verplicht verzekerd, en gehouden om doorlopend onderwijs te volgen. Die eisen strekken (onder meer) tot voordeel van een cliënt en brengen kosten met zich voor de advocaat, zodat het onder omstandigheden redelijk kan zijn dat een aansprakelijke partij gehouden is tot vergoeding van een hoger uurtarief voor gespecialiseerde advocaten. Voor [appellante] gelden deze eisen niet.
6.10.
In deze zaak zijn daarnaast alle werkzaamheden, ook administratieve werkzaamheden, gedeclareerd tegen hetzelfde tarief (steeds vermeerderd met kantoorkosten) en het is niet redelijk om ook niet-juridische werkzaamheden te declareren tegen een specialistentarief. Daarnaast mag van een gespecialiseerd dienstverlener verwacht worden dat die efficiënt werkt. Gelet op de 90 uur en 12 minuten die door [appellante] geschreven is, is in deze letselschadezaak waar het debat grotendeels beperkt is gebleven tot de medische causaliteit, de discussie over bevoorschotting van de buitengerechtelijke kosten en de hoogte daarvan, door [appellante] niet voldoende onderbouwd dat met een redelijke mate van efficiëntie is gewerkt.
6.11.
Alles afwegende acht het hof in dit geval een uurtarief van € 200,00 (€ 242,00 inclusief btw) redelijk voor juridische bijstand in een overzichtelijk letselschade geschil als dit. Bij dat uurtarief acht het hof het daarbovenop in rekening brengen van kantoorkosten en reistijd en reiskosten niet redelijk. Dat soort kosten zijn (in dit geval waarin mr. [appellante] zelf alle werkzaamheden heeft verricht) in het uurtarief verdisconteerd.
Aantal uren:
6.12.
Gelet op de betaling van € 7.000,00, waarvan € 3.419,28 moet worden toegerekend aan de verschotten, heeft NN een bedrag van € 3.580,72 vergoed, voor kosten die zien op werkzaamheden van [appellante]. Uitgaande van een redelijk uurtarief van € 242,00 per uur (inclusief btw), is zodoende ruim 14 uur aan gewerkte uren al vergoed.
6.13.
In aanvulling daarop – zo volgt uit het dossier – is een deelgeschil aangespannen. De buitengerechtelijk kosten daarvan zijn in de beschikking van 27 september 2022 begroot op 2 uur en een uurtarief van € 242,00.
Conclusie
6.17.
De conclusie is dat de vordering van [appellante] niet toewijsbaar is. Het hof komt daarom niet toe aan behandeling van de (overige) grieven van [appellante]. Immers ook als de grieven tegen (onderdelen van) de redenering van de kantonrechter zouden slagen, kan dat niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van [appellante] en daarom ook niet tot een andere, voor [appellante] gunstige, beslissing. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.18.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van NN worden vastgesteld op:
- griffierecht
€
2.135,00
- salaris advocaat
€
858,00
(1 punt × appeltarief I)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
€
3.171,00
6.19.
Het hof zal ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.
Dictum
Het hof:
7.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 22 december 2022;
7.2.
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van NN vastgesteld op € 3.171,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening;
7.3.
veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
7.4.
verklaart de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E. Loesberg, O.G.H. Milar en G.M. Menon en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024 door de rolraadsheer mr. J.S. Honée in aanwezigheid van de griffier.