Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-02-26
ECLI:NL:GHDHA:2024:1345
Strafrecht
Hoger beroep
2,537 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-003189-22
Parketnummer: 10-206605-22
Datum uitspraak: 26 februari 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1990,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts is aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep (feit 2)
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te Dordrecht, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een voertuig op die [slachtoffer] in te rijden, althans met verhoogde, althans enige, snelheid in de richting van die [slachtoffer] te rijden en/of (vervolgens) op korte afstand van die [slachtoffer] te remmen, althans tot stilstand te komen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 14 augustus 2022 te Dordrecht, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een voertuig op die [slachtoffer] in te rijden, althans met verhoogde, althans enige, snelheid in de richting van die [slachtoffer] te rijden en/of (vervolgens) op korte afstand van die [slachtoffer] te remmen, althans tot stilstand te komen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsvoering
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, nu bij de verdachte de vereiste opzet ontbrak. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er bij het slachtoffer geen redelijke vrees is ontstaan door de gedragingen van de verdachte.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is op 14 augustus 2022 te Dordrecht met zijn auto naar de woning van het slachtoffer, zijn ex-vriendin, gereden om, aldus de verdachte, met haar te praten. Een eerder gesprek met de verdachte diezelfde avond had het slachtoffer beëindigd, omdat zij niet verder wilde praten. Omdat zij niet thuis was, heeft de verdachte haar opgewacht. Op camerabeelden van de desbetreffende avond is te zien dat het slachtoffer met haar auto naar haar woning terugkeerde en haar auto parkeerde. De verdachte is in zijn auto met snelheid op de geparkeerde auto van het slachtoffer af gereden om met haar te kunnen praten voordat zij de ingang van haar woning had bereikt. Hoewel op de beelden de precieze afstand waarop de auto van verdachte voor de geparkeerde auto van het slachtoffer tot stiltand komt niet valt te bepalen, komt daaruit wel naar voren dat verdachte op de auto van het slachtoffer komt afrijden en met een snelheid die strookt met zijn bedoeling om snel bij haar te zijn en haar letterlijk de pas af te snijden zodat zij niet vóór haar auto langs de voordeur van haar woning zou kunnen bereiken. De blijkens de oplichtende remverlichting korte remafstand in combinatie met de snelheidsafname van zijn auto bevestigen die indruk. Daaruit leidt het hof af dat verdachte zijn auto op een korte afstand van het slachtoffer tot stilstand heeft gebracht. Op de beelden is te zien dat het slachtoffer zich snel uit de voeten maakt.
Gelet op het voorgaande, kon naar het oordeel van het hof naar objectieve maatstaven bij het slachtoffer de redelijke vrees ontstaan dat zij door verdachte met zijn auto zou worden aangereden waardoor zij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het hof stelt vast dat het slachtoffer blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft verklaard ‘doodsbang’ te zijn geweest en aangifte heeft gedaan van bedreiging en poging doodslag.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,
mr. J.P.L.M. Remmerswaal en mr. J.M. Rowel-Van der Linde, in bijzijn van de griffiers mr. A-L.H. Wilkens en
mr. M. van der Bom.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 februari 2024.
Mrs. Rowel-Van der Linde en Wilkens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.