Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2024-06-18
ECLI:NL:GHDHA:2024:1140
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,755 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.329.223/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/656218/KG ZA 23-316
arrest van 18 juni 2024
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
tegen
[de man] ,
met een briefadres te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Schiedam.
Procesverloop
Bij exploot van 19 juni 2023 is de vrouw in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 26 mei 2023, hierna: het bestreden vonnis.
Bij memorie van grieven heeft de vrouw drie grieven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden.
De vrouw heeft om een mondelinge behandeling verzocht. Deze mondelinge behandeling is op 14 mei 2024 bepaald.
Beide partijen hebben in het kader van de mondelinge behandeling nog producties overgelegd.
Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over het (spoedeisend) belang van het hoger beroep in kort geding.
De vrouw heeft een akte uitlaten genomen.
De man heeft het hof bij H16-formulier een brief doen toekomen, die het hof zal aanmerken als een akte uitlaten.
Het hof heeft daarna beslist dat de mondelinge behandeling van 14 mei 2024 geen doorgang zal vinden en dat arrest wordt bepaald op heden.
Overwegingen
Enige feiten
1. De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Onder meer staat het volgende vast:
- partijen zijn voormalig samenwoners zonder contract;
- uit hun affectieve relatie zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats]
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats]
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna tezamen: de minderjarigen;
- de man heeft de minderjarigen erkend;
- de vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarigen, die bij haar hun hoofdverblijfplaats hebben.
Dictum
2. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter onder 7.1 van het dictum de vorderingen in conventie van de vrouw samengevat strekkende tot het opleggen van een straat- en contactverbod aan de man gedurende een periode van twee jaar na betekening van het bestreden vonnis, onder verbeurte van een dwangsom, afgewezen.
Voorts heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, ten aanzien van de vorderingen van de man in reconventie:
- onder 7.2 van het dictum bepaald dat de man één keer per week, op woensdag om 17.00 uur, met de minderjarigen zal videobellen;
- de stukken in handen van de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht gesteld met het verzoek om onderzoek of andere bemoeienis over de omgangsregeling en het rapport daarover tegen de datum van een mondelinge behandeling waarop de omgangsregeling in de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/10/656269/FA RK 23-2863 wordt behandeld aan de rechtbank te doen toekomen.
De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het bestreden vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. Bij een nadien gewezen vonnis in kort geding van 18 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter in de Rechtbank Rotterdam uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang:
- onder 5.1 van dit vonnis bepaald dat de man één keer per week, op woensdag om 17.00 uur, met de kinderen zal videobellen;
- onder 5.2 van het vonnis de vrouw veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 50,- voor iedere keer dat zij hieraan niet haar medewerking verleent, een en ander tot een maximum van in totaal € 500,-.
De vorderingen in hoger beroep
4. De vrouw vordert dat het hof het moge behagen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen, voor zover betrekking hebbende op de overwegingen 7.1 en 7.2 van dat vonnis, en opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen in conventie van de vrouw toe te wijzen en de vorderingen in reconventie van de man ten aanzien van de videobelcontacten alsnog af te wijzen, althans subsidiair voor wat de betreft de videobelcontacten het vonnis in ieder geval voor wat betreft de dag en tijdstip van het videobellen te vernietigen, en subsidiair in plaats daarvan te bepalen dat zulks op dinsdagen om 17.30 uur zal geschieden,
en voorts gezien het familierechtelijk karakter van de zaak de proceskosten te compenseren, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten zal dragen.
5. De man concludeert dat het hof het moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep af te wijzen.
Spoedeisend belang?
6. Het hof stelt het volgende voorop. In hoger beroep moet in beginsel opnieuw (ex nunc) beoordeeld worden of de in eerste aanleg gevorderde voorzieningen moeten worden toegewezen of gehandhaafd. Daarbij kan de rechter nieuwe feiten en omstandigheden in aanmerking nemen. Voorwaarde voor een hernieuwde beoordeling is dat de oorspronkelijk eiser ten tijde van het uitspreken van het arrest van het hof daarbij nog voldoende spoedeisend belang heeft. Om, zo nodig ambtshalve, vast te stellen of sprake is van spoedeisend belang, dient het hof de stand van zaken op het moment van het oordeel in hoger beroep in aanmerking te nemen. Spoedeisend belang is niet nodig als het in appel alleen gaat om de vraag of de uitspraak in eerste aanleg juist is gewezen, vanwege het al dan niet verbeurd zijn van dwangsommen of vanwege de proceskosten. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige hoger beroep beoordeling van de juistheid van het bestreden vonnis (ex tunc) aan de orde is, zodat het hof uitgaat van een toetsing ex nunc, waarbij voldoende spoedeisend belang is vereist.
7. Het Landelijk procesreglement voor dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna ook: procesreglement) kent een speciale regeling voor zaken die van zodanig dringende aard zijn dat een rechterlijke uitspraak als (voorlopige) ordende maatregel op korte termijn gewenst is. Op grond van artikel 9.1.2 procesreglement kan de appellant die wenst dat het hoger beroep van een kortgedingvonnis als spoedappel wordt behandeld, de grieven en de toelichting hierop in de dagvaarding in hoger beroep opnemen of de grieven en de toelichting tegelijk met de dagvaarding in hoger beroep doen betekenen. In de dagvaarding en bij het aanbrengen van de zaak wordt gemotiveerd vermeld dat een spoedbehandeling wordt verzocht.
8. Indien het hof de zaak voldoende spoedeisend acht, wordt de zaak verder als spoedappel behandeld en wordt op de roldatum waartegen is gedagvaard aan geïntimeerde een termijn van twee weken voor memorie van antwoord verleend (artikel 9.1.3 procesreglement).
9. Indien een partij een mondelinge behandeling wenst, zendt zij zo spoedig mogelijk de verhinderdata van alle partijen toe over een periode van vier maanden (artikel 9.1.7 procesreglement).
10. De partij die om een mondelinge behandeling vraagt, fourneert daarbij een kopie van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, in de juiste aantallen tegelijk met het verzoek (artikel 9.1.8 procesreglement).
11. Op grond van artikel 9.1.10 procesreglement doet het hof op zo kort mogelijke termijn uitspraak.
12. In geval van uiterste spoed (turbo-spoedappel) kan van bovenstaande regeling worden afgeweken en kunnen termijnen worden verkort. In dat geval wendt de meest gerede partij zich vóór het aanhangig maken van de zaak bij met redenen omkleed schriftelijk verzoek daartoe tot het hof (artikel 9.1.12 procesreglement).
13. Het hof stelt vast dat in het onderhavige hoger beroep nog voorliggen de vorderingen van de vrouw betreffende het opleggen van een straat- en contactverbod aan de man alsmede haar vorderingen betreffende de videobelcontacten van de man met de minderjarigen. Het hof zal per onderwerp beoordelen of het in de kortgedingprocedure vereiste spoedeisende belang aanwezig is. Om proceseconomische redenen zal het hof hierna eerst de videobelcontacten bespreken. Zoals hiervoor onder het kopje ‘Het geding’ reeds is vermeld, zijn partijen voorafgaand in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het spoedeisende belang van de gevorderde voorzieningen, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt.
Videobelcontacten
14. Het hof is van oordeel dat het bestreden vonnis wat de regeling inzake de videobelcontacten betreft, is achterhaald door het kortgedingvonnis van 18 augustus 2023. In dit laatste kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, bepaald dat de man één keer per week, op woensdag om 17.00 uur, met de kinderen zal videobellen op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere keer dat de vrouw daaraan niet meewerkt, met een maximum van € 500,-. Tegen deze inhoudelijke beslissing die ertoe strekt dat de vrouw de bij het bestreden vonnis bepaalde regeling inzake de videobelcontacten dient na te komen, heeft de vrouw niet binnen de appeltermijn hoger beroep ingesteld. Dit brengt mee dat de bij vonnis van 18 augustus 2023 bepaalde voorlopige voorziening blijft gelden totdat in de nog te bepalen bodemprocedure anders wordt beslist. De vrouw kan tegen die voorlopige voorziening geen rechtsmiddel meer aanwenden. Zij heeft dan ook geen (spoedeisend) belang bij haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis voor zover het de regeling inzake de videobelcontacten betreft. Overigens heeft de man in zijn akte uitlaten te kennen gegeven geen gebruik te zullen maken van zijn bevoegdheid tot het hebben van videobelcontacten met de minderjarigen omdat hij hen niet onder druk wil zetten. Het hof gaat ervan uit dat de man zich aan deze toezegging zal houden.
15.
Dictum
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, M.J. van Cleef-Metsaars en E.B.J. van Elden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024 in aanwezigheid van de griffier.