Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-01-19
ECLI:NL:GHDHA:2023:696
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,677 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00003
Uitspraak van 19 januari 2023
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 november 2021, nummer SGR 20/4707.
Procesverloop
1.1.
Met dagtekening 28 augustus 2018 is aan belanghebbende over het tijdvak van 1 september 2014 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 2.100 opgelegd. Daarbij is bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 525 en € 203 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2020 de naheffingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd en de boetebeschikking ingetrokken.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Noord-Holland. Op verzoek van de Inspecteur en de Rechtbank heeft de Rechtbank Noord-Holland de zaak verwezen naar de Rechtbank. Ter zake van het beroep is door de griffier van de Rechtbank Noord-Holland een griffierecht van € 178 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:
”De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 374;
- draagt verweerder op het griffierecht ten bedrage van € 48 te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 270. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 december 2022, gehouden te Den Haag. Ter zitting zijn tevens behandeld het hoger beroep van [naam praktijk] , in de zaak met nummer BK-22/00004, en de hoger beroepen van [A] in de zaken met de nummer BK-22/00005 en BK-22/00007. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 juli 2022, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de brief is op 30 juli 2022 afgehaald bij een PostNL-punt. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende richt op [datum] 2014 de eenmanszaak ” [naam eenmanszaak] ” op. Deze eenmanszaak staat bij de KvK geregistreerd als praktijk van psychotherapeuten, psychologen en pedagogen. Daarnaast geniet belanghebbende tot en met 2016 inkomsten uit dienstbetrekking en in 2016 deels ook een uitkering van het UWV.
2.2.
Belanghebbende dient over elk van de tijdvakken van het vierde kwartaal van 2014 tot en met het vierde kwartaal van 2016 aangiften voor de omzetbelasting (OB) in. In de aangifte voor de omzetbelasting voor het derde kwartaal van 2015 geeft belanghebbende eenmalig een bedrag (€ 77) aan verschuldigde OB aan, dat na aftrek van voorbelasting resulteert in een terug te ontvangen bedrag van € 127. In de overige aangiften OB wordt, met uitzondering van de nihilaangifte voor het vierde kwartaal 2016, enkel voorbelasting aangegeven die ook aan belanghebbende is uitbetaald.
2.3.
Op 19 september 2017 wordt bij belanghebbende telefonisch een boekenonderzoek aangekondigd. Per brief van 3 oktober 2017 wordt de aankondiging van het boekenonderzoek schriftelijk bevestigd. Het doel van het onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften OB over het tijdvak van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.
2.4.
Op 16 oktober 2017 dient belanghebbende een klacht in tegen de controleambtenaar. Na behandeling van de klacht wordt deze op 29 maart 2018 ongegrond verklaard. In de brief over de klachtafhandeling spreekt de klachtbehandelaar de verwachting uit dat de controleambtenaar contact op zal nemen met belanghebbende over het vervolg van het boekenonderzoek.
2.5.
De controleambtenaar neemt geen contact op met belanghebbende en stelt op basis van de door belanghebbende ingediende aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de aangiften OB een controlerapport op. Het controlerapport wordt op 25 juli 2018 aan belanghebbende verzonden. Het controlerapport vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
”7 Omzetbelasting
7.1
Ondernemerschap voor de omzetbelasting
Met uitzondering van het derde kwartaal 2015 is door belastingplichtige in geen van de tijdvakken tussen 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 omzet aangegeven in de aangiften omzetbelasting. Ook in de tijdvakken van het jaar 2017 is geen omzet aangegeven. De omvang van de deelname aan het economisch verkeer is door belastingplichtige niet aangetoond. Om deze redenen wordt belastingplichtige niet aangemerkt als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.
7.2
Verschuldigde omzetbelasting
Belastingplichtige heeft in de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2015 verschuldigde omzetbelasting aangegeven. Verondersteld wordt derhalve dat deze omzetbelasting door belastingplichtige in rekening is gebracht. Op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968, is deze terecht aangegeven.
7.3
Voorbelasting
Buiten het feit, dat de juistheid van de in aftrek gebrachte voorbelasting niet door belastingplichtige is aangetoond, bestaat er geen recht op de aftrek voorbelasting, omdat er geen sprake is van ondernemerschap. Deze zal worden gecorrigeerd.
7.4
Herrekening omzetbelasting
2014 2015 2016
Omzet € 0 € 367 € 0
Verschuldigde omzetbelasting € 0 € 77 € 0
Gecorrigeerde voorbelasting € 0 € 0 € 0
Saldo € 0 € 77 € 0
Reeds ontvangen € 324 € 849 € 850
Na te heffen € 324 € 926 € 850”
2.6.
Naar aanleiding van dit rapport legt de Inspecteur met dagtekening 28 augustus 2018 aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslag op over het tijdvak van 1 september 2014 tot en met 31 december 2016:
Enkelvoudige belasting € 2.100
Belastingrente € 203
Vergrijpboete € 525
Totale naheffing € 2.828
2.7.
Op 7 november 2018 stuurt de Inspecteur een brief aan belanghebbende met als onderwerp "vaststelling belastingplicht". Volgens deze brief wordt belanghebbende als ondernemer met vrijgestelde prestaties opgenomen in de administratie van de Belastingdienst. Op 28 oktober 2019 ontvangt belanghebbende van de Inspecteur een brief met haar nieuwe btw-identificatienummer geldig vanaf 1 januari 2020.
Oordeel van de Rechtbank
3.1.
De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
”Geschil
9. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd aangezien zij wel kwalificeert als ondernemer voor de omzetbelasting, en derhalve terecht voorbelasting in aftrek heeft gebracht in de door haar ingediende aangiften omzetbelasting. Verder doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat zij aan de onder 7 genoemde brieven het vertrouwen kan ontlenen dat verweerder haar aanmerkt als ondernemer voor de omzetbelasting.
10. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken.
Overwegingen
Naheffingsaanslag
11. Omzetbelasting is belasting die op aangifte behoort te worden voldaan (artikel 14 Wet op de omzetbelasting, Wet OB). Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan de inspecteur indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijk gesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling, vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend. De bevoegdheid tot naheffen is dus niet beperkt tot gevallen waarin sprake is van een nieuw feit na de afdracht of teruggaaf.
12. Volgens artikel 1 van de Wet OB wordt, voor zover hier van belang, omzetbelasting geheven ter zake van de levering van diensten die in Nederland door een als zodanig handelend ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. Artikel 7 van de Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang, dat ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent ondernemer is. De Nederlandse wetgever heeft aan het in artikel 7 van de Wet OB gebezigde begrip bedrijf geen andere betekenis willen toekennen dan toekomt aan het begrip economische activiteit zoals gehanteerd in artikel 9 van de Btw-richtlijn 2006. Het begrip economische activiteit omvat alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter die tegen vergoeding worden verricht. Er moet daarbij sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen de prestatie en de vergoeding 1. De (winst-)doelstelling of de resultaten van de handelingen of werkzaamheden als zodanig zijn niet relevant voor het aanmerken als belastingplichtige. Het enkele feit dat niet van meet af aan omzet wordt gegenereerd, betekent niet dat geen sprake is van ondernemerschap. Ook voorbereidende activiteiten worden tot de economische activiteiten van de onderneming gerekend. Als daar sprake van is, bestaat recht op aftrek van btw voor de kosten die voor die activiteiten worden gemaakt (voorbelasting).
13. In r.o. 24 van het arrest Rompelman 2 is door het Hof van Justitie opgemerkt dat degene die om aftrek van omzetbelasting verzoekt, zal hebben aan te tonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan en met name ook dat hij als belastingplichtige is aan te merken, waarbij objectieve gegevens mogen worden verlangd. Eiseres, die stelt belastingplichtige te zijn, zal dit standpunt dan ook moeten ondersteunen met objectieve gegevens.
14. Eiseres is met de blote stellingen in haar stukken dat zij anders dan verweerder stelt wel ondernemer is in de zin van de Wet OB niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Door eiseres zijn geen objectieve bewijsmiddelen ingebracht voor haar stelling dat sprake is van een onderneming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 december 2016 niet als ondernemer voor de omzetbelasting kwalificeert. Verweerder heeft de naheffingsaanslag dan ook terecht aan eiseres opgelegd.
Vertrouwensbeginsel
15. Voor zover eiseres zich beroept op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat de door eiseres ontvangen onder 7 genoemde brieven geen betrekking hebben op de in geschil zijnde heffingstijdvakken, eiseres kan daaraan dus niet het vertrouwen ontlenen dat verweerder haar voor de periode, waarover de naheffingsaanslag is opgelegd, aanmerkt als ondernemer. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.
Belastingrente
16. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen.
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Wel ziet de rechtbank in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding tot een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht.
Immateriële schadevergoeding
18. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de duur van de behandeling van het geschil. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 3. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.
19. De vraag is of voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn sprake is van samenhang met de zaken van eiseres die gaan over de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015 en de aanslag IB/PVV 2016. De Hoge Raad heeft bepaald dat indien meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd 4. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van samenhangende zaken voor de overschrijding van de redelijke termijn. Voor samenhang is vereist dat de zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, nu sprake is van verschillende belastingmiddelen is daar naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van.
20. Het bezwaarschrift is ingediend op 10 september 2018, uitspraak op bezwaar is gedaan op 6 maart 2020, en de rechtbank doet uitspraak op 18 november 2021, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en twee maanden. De rechtbank overweegt hierbij dat door de corona-pandemie sprake is van factoren die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de behandelingsduur van de bezwaar- en beroepsfase te verlengen. Daarbij wijst de rechtbank op de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. Daardoor hebben geen belastingzittingen plaatsvonden van circa half maart tot half juni 2020. Daarna zijn de zittingen via Skype weer geleidelijk opgestart. Hierdoor heeft het langer geduurd om onderhavige zaken op zitting te krijgen. Dit is voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met twee maanden te verlengen. Daardoor komt de overschrijding van de redelijke termijn uit op één jaar. Derhalve heeft eiseres recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.
Proceskosten
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0.5).
(…)
1. vergelijk HvJ EU 3 maart 1994 (Tolsma), ECLI:EU:C:1994:80 en HvJ EU 29 oktober 2009 (Commissie tegen Finland), ECLI:EU:C:2009:671
2 HvJ EU 14 februari 1985, nr. 268/83, ECLI:NL:XX:1985:AS0741
3 ECLI:NL:HR:2005:AO9006
4 ECLI:NL:HR:2016:252”
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en zo ja, of de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door de aangiften van belanghebbende te onderzoeken. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend.
Geschil
De Rechtbank heeft daarover de juiste beslissing genomen. Het Hof benadrukt dat belanghebbende de bewijslast heeft en aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op aftrek van de in haar aangiften als voorbelasting afgetrokken bedragen. Belanghebbende heeft geen facturen, bonnen of betaalbewijzen of andere nuttige en objectieve gegevens uit haar administratie overgelegd. Het enkel overleggen van specificaties en V&W-rekeningen is niet voldoende. Een nieuw feit is niet vereist voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Voorts heeft de Rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht afgewezen. De Inspecteur heeft dan ook terecht de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd aan belanghebbende. Niet is gesteld of gebleken dat het nageheven bedrag niet juist is.
FSV en project 1043
5.2.
De stelling van belanghebbende dat zij voorkomt in de databank Fraude Signalering Voorziening (FSV) en haar gegevens zijn verwerkt in het kader van het project 1043, op grond waarvan de naheffingsaanslag zou moeten worden vernietigd, doet niet af aan het oordeel van het Hof. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van mevrouw [B] ter zitting van de Rechtbank dat bij de aanvang van de beoordeling van belanghebbendes aangiften voor de omzetbelasting en de start van het boekenonderzoek in het geheel geen sprake was van enig signaal uit de databank FSV of van het project 1043. De controle van de aangiften heeft dus niet plaatsgevonden op basis van een criterium dat jegens belanghebbende leidt tot een schending van een grondrecht en dus niet plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Ook de omstandigheid dat gegevens van belanghebbende zijn opgenomen in de databank FSV, leidt om die reden niet tot een vernietiging van de naheffingsaanslag (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748 en HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:14). Dat belanghebbende vanwege haar tweede nationaliteit zou zijn gediscrimineerd, is niet gebleken.
Belastingrente
5.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Griffierecht bij de Rechtbank
5.4.
Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende bij de Rechtbank Noord-Holland in de onderhavige zaak een griffierecht van € 178 heeft betaald. De Inspecteur is dus ten onrechte door de Rechtbank opgedragen een griffierecht van € 48 in plaats van € 178 aan belanghebbende te vergoeden. Het Hof zal dit herstellen.
Conclusie
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien belanghebbende niet een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan.
6.2.
Wel dient door de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht van € 178 te worden vergoed, eventueel na aftrek van € 48 als dat al is voldaan door de Inspecteur, en dient door de griffier van het Hof, in verband met de misslag van de Rechtbank, aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 270 te worden vergoed.
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent het griffierecht betreft;
gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 178 aan griffierecht te vergoeden;
verstaat dat de griffier van het Hof het bedrag van € 270 aan griffierecht aan belanghebbende terugbetaalt.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 19 januari 2023 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.