Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2023-03-07
ECLI:NL:GHDHA:2023:514
Bestuursrecht
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-22/00392 Uitspraak van 7 maart 2023 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A. Oosters) en de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 maart 2022, nummer SGR 21/264. 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 (de beschikking) op grond van artikel 22 Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (Sportvelden) te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 2.565.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen en rioolheffing (de aanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de in de beschikking vastgestelde WOZ-waarde waarde verminderd tot € 2.450.000. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 360 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 548. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft met dagtekening 12 januari 2023, door het Hof ontvangen op 13 januari 2023, een nader stuk ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 24 januari 2023. Partijen zijn verschenen. De Heffingsambtenaar heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 2.1. Belanghebbende is een vereniging met als doelstelling het bevorderen van de voetbalsport. 2.2. Belanghebbende maakt in het kader van haar doelstelling gebruik van een sportcomplex gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (het sportcomplex). Het sportcomplex bestaat uit tien sportvelden, waaronder veld 6, veld A en veld B (veld 6, A en B) en 24 was- en kleedlokalen. Veld 6, A en B zullen na ommekomst van 36 jaar eigendom van belanghebbende worden. Acht van de 24 was-en kleedlokalen zijn eigendom van belanghebbende; het onderhoud daarvan wordt door de [gemeente] verricht. 2.3. Belanghebbende betaalt een vaste vergoeding per jaar, exclusief gas, water en elektriciteit (de gebruikersvergoeding) aan de gemeente voor het gebruik van het sportcomplex. De gebruikersvergoeding is niet afhankelijk van de mate waarin belanghebbende gebruik maakt van het sportcomplex. 2.4. Op het sportcomplex staat een clubgebouw dat eigendom is van belanghebbende. 2.5. De voorwaarden voor het gebruik van het sportcomplex zijn neergelegd in een overeenkomst tussen de gemeente en belanghebbende (de gebruikersovereenkomst). De overeenkomst is ingegaan op 1 januari 2019 en heeft een looptijd van vijf jaar. Na ommekomst van vijf jaar kan de overeenkomst stilzwijgend worden verlengd voor telkens een jaar. Het gebruik van het clubgebouw maakt geen onderdeel uit van de gebruikersovereenkomst. 2.6. De gebruikersovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt: “Overwegende: - dat de gemeente aan derden de gelegenheid geeft tot beoefening van de voetbalsport; - dat gebruikster voor het gelegenheid krijgen om de voetbalsport te beoefenen aan de gemeente een gebruikersvergoeding betaalt; - dat de gemeente aan gebruikster op vaste basis en duurzaam (overeenkomst voor gebruik op vaste tijden voor een jaar of langer) de gelegenheid geeft de voetbalsportsport te beoefenen; - dat de gebruikster de hoofdgebruiker is en daarom ter zake van het gebruik een voorrangspositie heeft boven de incidentele gebruikers; - dat de gebruikersvergoeding door de gemeente wordt vastgesteld. Artikel 1: Onderwerp 1.1. Deze overeenkomst heeft betrekking op het gelegenheid krijgen de voetbalsport te beoefenen op de velden gelegen op het sportpark " [naam] ", aan partijen zodanig bekend (zie situatietekening in bijlage). 1.2. Aan gebruikster worden aangeboden om de sport te kunnen beoefenen, hierna ook te noemen 'de voorzieningen': - Veld 1: natuurgras hoofdveld met verlichting - Veld 2: kunstgraswedstrijdveld met verlichting - Veld 3: natuurgrasveld zonder verlichting - Veld 4: natuurgrasveld zonder verlichting - Veld 5: kunstgraswedstrijdveld met verlichting - Veld 6: kunstgraswedstrijdveld met verlichting - Veld 7: natuurgrasveld zonder verlichting - Veld A: kunstgrastrainingsveld met verlichting - Veld B: kunstgrastrainingsveld met verlichting - Veld 8: Natuurgraswedstrijdveld, combi American Football met verlichting en met 4 was- en kleedlokalen; - 24 was- en kleedlokalen (waarvan 8 eigendom van [belanghebbende], maar onderhoud gemeente) 1.3. Ter zake van het beoefenen van de voetbalsport moet onder andere worden gedacht aan het houden van trainingen voor de leden van de eigen vereniging en derden, competitiewedstrijden, bekerwedstrijden, vriendschappelijke- en oefenwedstrijden, toernooien en andere activiteiten in het kader van de voetbalsport. 1.4. Gebruikster is als eerste contractant bij voorrang gerechtigd de tijden waarop zij de gelegenheid wil krijgen de sport te beoefenen vast te leggen bij de gemeente. (…) 1.6. Naast de gebruikster kunnen ook anderen (o.a. onderwijsinstellingen en sportverenigingen) van de gemeente de gelegenheid krijgen om van de voorzieningen gebruik te mogen maken voor het verzorgen van o.a. bewegingsonderwijs, sportdagen en sportwedstrijden. Hiertoe zal niet worden overgegaan eerst dan na overleg met de gebruikster. Alle afspraken met onderwijsinstellingen over het accommodatiegebruik en de bekostiging daarvan die te maken hebben met de wettelijke taak van de gemeente om te voorzien in voldoende (buiten)accommodatie voor bewegingsonderwijs (zoals neergelegd in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs [gemeente] ) worden gemaakt tussen de gemeente en betreffende onderwijsinstelling. (…) 2.1. Deze overeenkomst inzake het krijgen van de gelegenheid om de voetbalsport te beoefenen is aangegaan voor bepaalde tijd. De overeenkomst duurt 5 jaar, van 1 januari 2019 tot 1 januari 2024. Na afloop van de overeengekomen termijn van 5 jaar kan deze overeenkomst stilzwijgend worden verlengd met telkens een periode van een jaar. 3.1. De door gebruikster te betalen gebruikersvergoeding per jaar bedraagt: (…) 5.1. Gemeente is bevoegd derden de gelegenheid te geven een sport te beoefenen als de voorzieningen niet worden gebruikt door hoofdgebruikster. Gemeente zal daaromtrent afstemming plegen met gebruikster. Alle afspraken met onderwijsinstellingen over het accommodatiegebruik en de bekostiging daarvan die te maken hebben met de wettelijke taak van de gemeente om te voorzien in voldoende (buiten)accommodatie voor bewegingsonderwijs (zoals neergelegd in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs [gemeente] ) worden gemaakt tussen de gemeente en betreffende onderwijsinstelling. 5.2 De gemeente zal geen onderwijsgebruik laten plaatsvinden op veld 6, veld A en veld B. 5.3 Voor het gebruik door derden van de velden en de was- en kleedlokalen, daarbij inbegrepen de kosten van water, gas en elektriciteit en schoonhouden, en het eventueel belijnen van de natuurgrasvelden zal de gebruikster door de gemeente een vergoeding worden toegekend van 25% voor het medegebruik van was- en kleedlokalen en velden. Gebruikster ontvangt hiervoor van de Gemeente een overzicht per kwartaal en dit bedrag wordt verrekend met de gebruikersvergoeding. 5.4 Voor veld 6, veld A en veld B geldt dat [belanghebbende] hier onderhuur mag realiseren. De opbrengsten die [belanghebbende] genereert met onderhuur van veld 6, veld A en veld B zijn (inclusief de opbrengsten die in dat geval behoren bij het in gebruik geven van was- en kleedlokalen) geheel voor [belanghebbende]. De activiteiten die met onderhuur op de velden plaatsvinden, mogen niet conflicteren met het gebruik binnen het kader van het Sportbesluit. 5.5 Van onderhuur door [belanghebbende] zijn uitgesloten de reguliere uren die de gemeente binnen haar wettelijke verplichting aan het voortgezet onderwijs levert ten behoeve van het bewegingsonderwijs (waaromtrent niet [belanghebbende] maar de gemeente afspraken maakt met onderwijsinstellingen en waarvoor geldt dat deze niet op veld 6, veld A en veld B worden geaccommodeerd, overeenkomstig het gestelde in artikel 5.1 en 5.2). (…) 8.2 Het is gebruikster, anders dan het gestelde in artikel 5.3 met betrekking tot de velden die in 2018 zijn gerealiseerd, niet toegestaan velden noch geheel noch gedeeltelijk aan derden te verhuren of in gebruik te geven of zulk gebruik toe te laten zonder toestemming van de gemeente. De gemeente zal haar toestemming niet op onredelijke gronden onthouden. (…) 8.9. De gebruikster is bevoegd aan de afrastering van het hoofdterrein en van de andere velden reclameborden te bevestigen. De eisen waaraan de reclameborden moeten voldoen, alsmede de wijze waarop deze moeten worden geplaatst, zijn de gebruikster genoegzaam bekend. De geplaatste reclameborden zullen door de gebruikster ten genoegen van de gemeente moeten worden onderhouden. De inkomsten voortvloeiende uit het hebben van de reclameborden komen geheel ten goede van de gebruikster. Het aanbrengen van andere reclame dan aan de afrastering van deze terreinen is niet toegestaan, tenzij hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente. (…) 8.14. Indien de gebruikster buiten competitieverband gebruik wil maken van de velden dient het verzoek daartoe zo tijdig mogelijk schriftelijk bij de gemeente te worden ingediend. (…) 12.2. In alle gevallen waarin deze overeenkomst niet voorziet, kan gemeente, in goed overleg met gebruikster, aanvullende voorwaarden stellen. (…)” 2.7. De gemeente geeft derden – onderwijsinstellingen - gelegenheid om het sportcomplex te gebruiken. Uit een door belanghebbende overgelegd overzicht voor het kalenderjaar 2019 volgt dat onderwijsinstellingen voornamelijk veld 5 en in beperkte mate veld 2 (beide kunstgras) hebben gebruikt, tijdens het schooljaar en tijdens schooluren. Vanwege capaciteitsgebrek heeft belanghebbende de gemeente ook toegestaan onderwijsinstellingen gebruik te laten maken van veld 6, A en B (ook kunstgras; tegen vergoeding aan belanghebbende van de volledige door de onderwijsinstellingen aan de gemeente betaalde vergoeding). In 2019 is in totaal 670,25 uur op deze manier door onderwijsinstellingen gebruik gemaakt van het sportcomplex. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder, geoordeeld: “5. In geschil is ten eerste of eiseres kwalificeert als genothebbende krachtens beperkt recht van de onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ. Daarnaast is de waarde van de onroerende zaak op dc waardepeildatum in geschil. 6. Eiseres stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat sprake is van zogenoemd volgtijdig gebruik zodat niet zij, maar dc [gemeente] moet worden aangemerkt als gebruiker en dus als belastingplichtige. Verder bepleit eiseres een waarde voor de onroerende zaak van € 2.000.000. 7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens verweerder is geen sprake van volgtijdig gebruik, zodat eiseres terecht is aangemerkt als gebruiker van de onroerende zaak. Ter onderbouwing van de waarde van € 2.450.000 heeft verweerder een taxatierapport overgelegd. In dit taxatierapport is de (gecorrigeerde vervangings)waarde van de onroerende zaak bepaald op € 2.630.392. 8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht is aangemerkt als gebruiker van de onroerende zaak. Uit de door verweerder overgelegde gebruikersovereenkomst blijkt dat eiseres in ieder geval sinds de datum waarop deze overeenkomst, die in 2019 voor een periode van vijf jaar is aangegaan, in werking is getreden (1 januari 2019), de onroerende zaak voor langere tijd voor zichzelf ter beschikking heeft, met het recht van eerste keus voor de perioden gedurende welke zij het object mag gebruiken. Onder die omstandigheden is geen sprake van volgtijdig gebruik. Dat delen van de onroerende zaak ook kortstondig aan derden in gebruik worden gegeven, maakt dit niet anders. In de door eiseres genoemde jurisprudentie, waarin de feiten steeds belangrijk afwijken van de onderhavige situatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat, naar verweerder ter zitting heeft bevestigd, eiseres de enige is met wie de gemeente ter zake van de onroerende zaak een gebruikersovereenkomst is aangegaan. Met de andere gebruikers is niet een dergelijke overeenkomst aangegaan. Deze gebruikers moeten afzonderlijke afspraken maken met inachtneming van de gebruikersovereenkomst van eiseres. Dat de gemeente in een voorkomend geval, in afwijking van de bepalingen in de gebruiksovereenkomst, aan het voorkeursrecht van eiseres voorbij kan gaan en tegen de uitdrukkelijke wens van eiseres in toch een deel van de aan eiseres in gebruik gegeven sportvelden aan derden ter beschikking kan stellen, heeft eiseres ter zitting wel gesteld maar niet onderbouwd. Daarvan is de rechtbank verder ook niets gebleken. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij en ziet al met al geen aanleiding om op grond van artikel 24, vijfde lid, van de Wet WOZ iemand anders dan eiseres aan te merken als gebruiker. 9. Verweerder dient voorts aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem 'overgelegde taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit het taxatierapport is de waarde bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de taxatie en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, daaronder begrepen de door verweerder toegepaste objectafbakening. Eiseres stelt weliswaar dat de objectafbakening onjuist is, maar zij heeft dat onvoldoende geconcretiseerd en inzichtelijk gemaakt om haar daarin te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de waarde van de onroerende zaak alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld. 10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Primair is in geschil of belanghebbende terecht op 1 januari 2020 als gebruiker van het sportcomplex is aangemerkt in de zin van artikel 24, lid 3, aanhef en letter b, Wet WOZ. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend. 4.2. Subsidiair is in geschil of de objectafbakening van het sportcomplex juist is. Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis en in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 7 maart 2023 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Belanghebbende gebruiker? 5.1.1. Belanghebbende stelt primair dat de beschikking ten onrechte aan haar is bekendgemaakt, omdat zij niet als gebruiker van het sportcomplex in de zin van artikel 24, lid 3, aanhef en letter b, Wet WOZ kan worden aangemerkt. Volgens belanghebbende is de gemeente gebruiker van het sportcomplex, omdat de gemeente het sportcomplex voor volgtijdig gebruik aan belanghebbende ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ. 5.1.2. Ter onderbouwing van haar stelling voert belanghebbende aan dat zij gedurende de looptijd van de gebruikersovereenkomst alleen op vaste tijden en steeds voor korte perioden en na toestemming van de gemeente gebruik mag maken van het sportcomplex. Uit de voorwaarde dat het recht op gebruik op vaste tijden ziet, volgt volgens belanghebbende dat het gebruik niet naar believen gedurende de hele looptijd van de overeenkomst kan plaatsvinden. Dit gebeurt na toestemming van de gemeente, die, aldus belanghebbende, het sportcomplex ook in gebruik geeft aan derden. Op basis hiervan moet volgens belanghebbende haar gebruik aangemerkt worden als volgtijdig gebruik. 5.2. De Heffingsambtenaar heeft de primaire stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. 5.3. Volgens artikel 24, lid 3, aanhef en letter b, Wet WOZ wordt een op grond van artikel 22 Wet WOZ genomen beschikking bekend gemaakt aan degene die aan het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak krachtens eigendom of bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Volgens artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ wordt het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Niet in geschil is dat belanghebbende haar recht tot het gebruik van het sportcomplex ontleent aan de gebruikersovereenkomst en dat dit een persoonlijk recht is in de zin van artikel 24, lid 3, aanhef en letter b, Wet WOZ. De vraag is of desalniettemin de gemeente als gebruiker van het sportcomplex moet worden aangemerkt op grond van artikel 24, lid 3, aanhef en letter b, Wet WOZ in samenhang met artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ. 5.4. De term ‘volgtijdig gebruik’ is niet in de Wet WOZ gedefinieerd. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de Wet WOZ, heeft de wetgever met artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ het oog op kortstondige verhuur van onroerende zaken aan wisselende gebruikers en is de bepaling een codificatie van jurisprudentie die met name betrekking heeft op recreatiewoningen (Kamerstukken II 1992/1993, 22 885, nr. 3, p. 51). Hiermee wordt onder meer gedoeld op de arresten HR 8 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9789, BNB 1981/248 en HR 28 oktober 1981, nr. 20 691, Belastingblad 1982, p. 26. 5.5. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ter beschikkingstelling voor volgtijdig gebruik in de zin van artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ neemt het Hof het volgende in aanmerking. 5.5.1. Belanghebbende heeft voor het gebruik van het sportcomplex een langdurige gebruikersovereenkomst gesloten met de gemeente. 5.5.2. Belanghebbende is op grond van de gebruikersovereenkomst hoofdgebruiker van het sportcomplex en heeft om die reden voor het gebruik van het sportcomplex een voorrangspositie boven de incidentele gebruikers. Zij is uit dien hoofde gedurende de gehele looptijd van de gebruikersovereenkomst bij voorrang gerechtigd om telkens voor een heel voetbalseizoen aan te geven op welke tijden zij gebruik wil maken van het sportcomplex. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende van dit recht ook feitelijk gebruik heeft gemaakt. 5.5.3. Het voorkeursrecht geldt voor het gehele in de beschikking betrokken sportcomplex en is niet aan tijdsbeperkingen onderworpen. 5.5.4. Belanghebbende betaalt een vaste gebruikersvergoeding, exclusief gas, water en elektriciteit aan de gemeente voor het gebruik van het sportcomplex. De gebruikersvergoeding is dus niet afhankelijk van de mate waarin belanghebbende gebruik maakt van het sportcomplex. Zij betaalt de gebruikersvergoeding voor een geheel jaar. 5.5.5. Belanghebbende ontvangt voor het door de gemeente toegestane gebruik van het sportcomplex door derden een vergoeding van 25% van de door de gemeente aan de derden in rekening gebrachte gebruiksvergoeding. Ter zake van het gebruik van de velden 6, A en B ontvangt belanghebbende 100% van de vergoeding. Dat belanghebbende een vergoeding ontvangt voor derdengebruik duidt er op dat belanghebbende in zoverre gebruik door derden voor een bepaalde tijd toestaat. 5.5.6. Belanghebbende is eigenaar van het op het sportcomplex gelegen clubgebouw. Voor de velden 6, A en B geldt dat deze na ommekomst van 36 jaar eigendom van belanghebbende zullen worden. Belanghebbende is ook eigenaar van 8 van de 24 was- en kleedruimtes. 5.5.7. Belanghebbende heeft het recht om reclameborden aan te brengen en mag de opbrengst hiervan zelf houden. 5.5.8. Belanghebbende mag de velden 6, A en B zelf onderverhuren en mag de opbrengst hiervan zelf behouden. 5.5.9. De gemeente mag derden – onderwijsinstellingen – alleen gelegenheid geven het sportcomplex (met uitzondering van de velden 6, A en B) te gebruiken op tijdstippen waarvoor belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van haar voorkeursrecht om het sportcomplex, of delen daarvan, te gebruiken. 5.5.10. Uit het overzicht voor het kalenderjaar 2019 (zie 2.7) blijkt dat onderwijsinstellingen slechts tijdens schooluren gebruik hebben gemaakt van een beperkt aantal velden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. 5.6.1. Uit het voorgaande volgt dat het hele in de beschikking betrokken sportcomplex gedurende de looptijd van de gebruikersovereenkomst aan belanghebbende als ‘hoofdgebruiker’ onder beperkende voorwaarden ter beschikking is gesteld met het recht van eerste keus voor de perioden gedurende welke zij daarvan gebruik wil maken. Dat belanghebbende aan het begin van een voetbalseizoen aan de gemeente moet doorgeven op welke uren zij van het sportcomplex gebruik wil maken, verhindert, anders dan belanghebbende stelt, niet dat zij een voorkeursrecht heeft. Het vastleggen van de gebruikstijden heeft als functie dat de gemeente op die tijden derden niet het gebruik van het sportcomplex mag geven; het is niet gelijk te stellen met het vragen van toestemming tot gebruik van het sportcomplex, zoals belanghebbende stelt. Belanghebbende heeft haar stelling dat de gemeente gebruik door derden tegen haar wil kan doorzetten niet onderbouwd. Anders dan belanghebbende stelt volgt dit ook niet uit artikel 12.2 van de gebruikersovereenkomst. Ingevolge die bepaling kan de gemeente immers slechts in de gevallen waarin de overeenkomst niet voorziet aanvullende voorwaarden stellen. Overigens is gesteld nog gebleken dat de gemeente van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. 5.6.2. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van het Hof geen sprake van volgtijdig gebruik als bedoeld in artikel 24, lid 5, aanhef en letter c, Wet WOZ. Dat delen van het sportcomplex kortstondig aan derden in gebruik worden gegeven doet aan dit oordeel niet af. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de gemeente alleen met belanghebbende een gebruikersovereenkomst heeft gesloten voor het gebruik van het sportcomplex. 5.9. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Proceskosten 6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.