Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-12-19
ECLI:NL:GHDHA:2023:2988
Civiel recht
Hoger beroep
7,067 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Uitspraakdatum : 19 december 2023
Zaaknummer : 200.313.605 + 200.313.753
Zaak-/rekestnummer rechtbank : C/10/635045 / HA RK 22-267
Beschikking
in de zaak met nummer 200.313.605 van:
TENNET TSO B.V.,
gevestigd te Arnhem,
appellante, vanaf onderdeel 1 van deze beschikking te noemen: TenneT,
procesadvocaat: mr. M.M. van Leeuwen (Rotterdam),
en in de zaak met nummer 200.313.753 van:
1. VATTENFALL HOLLANDSE KUST ZUID 1&2 C.V. en
2. VATTENFALL HOLLANDSE KUST ZUID 1&2 BEHEER B.V.,
beide vennootschappen gevestigd te Amsterdam,
appellanten, vanaf onderdeel 1 van deze beschikking tezamen te noemen: Vattenfall,
procesadvocaat: mr. P.J. Hoepel (Rotterdam),
in beide zaken tegen
JULIETTA D B.V.,
gevestigd te Zeist,
verweerster, hierna te noemen JD B.V.,
procesadvocaat: mr. H.C.A. van der Houven van Oordt (Rotterdam),
met als belanghebbenden in de zaak met nummer 200.313.605:
1. VALLOEBY PECHORA STAR LTD.,
gevestigd te Msida, Malta,
tevens appellante (in incidenteel appel) en verzoekster in het incident,
procesadvocaat: mr. M. Wattel,
2.1. VATTENFALL HOLLANDSE KUST ZUID 1&2 C.V.,
2.2. VATTENFALL HOLLANDSE KUST 1&2 BEHEER B.V.,
2.3. VATTENFALL HOLLANDSE KUST ZUID 3&4 C.V.,
2.4. VATTENFALL HOLLANDSE KUST ZUID 3&4 BEHEER B.V.,
2.5. VATTENFALL DUURZAME ENERGIE N.V.,
2.6. VATTENFALL ENERGY TRADING NETHERLANDS N.V.,
alle vennootschappen gevestigd te Amsterdam,
2.7. HKZ INVESTOR HOLDING B.V.,
gevestigd te Arnhem,
procesadvocaat: mr. P.J. Hoepel,
en als belanghebbenden in de zaak met nummer 200.313.753:
1. VALLOEBY PECHORA STAR LTD., voornoemd, verder te noemen: VPS,
tevens appellante in incidenteel appel en verzoekster in het incident,
2. TENNET TSO B.V. voornoemd,
3.1 t/m 3.5: de belanghebbenden 2.3 t/m 2.7 uit de zaak met nummer 200.313.605.
1Een korte omschrijving van de zaak
Tijdens een storm op 31 januari 2022 is het aan JD B.V. toebehorende zeeschip
‘Julietta D’ losgeslagen van haar anker en op drift geraakt. Dit gebeurde op de Noordzee, in het ankergebied voor de kust van IJmuiden. Het driftende schip is achtereenvolgens in aanraking gekomen met het zeeschip ‘Pechora Star’ van VPS, de fundatie van een windturbine van Vattenfall en de jacket van een transformatiestation van TenneT. In verband met haar (mogelijke) aansprakelijkheid voor de hierdoor ontstane schade heeft JD B.V. een beperkingsverzoek ingediend. De rechtbank, die het verzoek toewees, overwoog hierbij dat tussen het losslaan van de Julietta D en de onderscheiden aanrakingen een zodanig causaal verband bestaat dat deze gebeurtenissen als éénzelfde voorval, ofwel één incident moeten worden beschouwd. Het is vooral die overweging waartegen Vattenfall, TenneT en VPS bezwaar maken, omdat de door de rechtbank vastgestelde aansprakelijkheidsgrens daardoor geldt voor hun vorderingen tezamen, terwijl die vorderingen opgeteld deze aansprakelijkheids-grens en het daarvoor gestelde zakenfonds (ver) te boven gaan. Het bezwaar wordt verworpen.
2Het procesverloop in hoger beroep in beide zaken
2.1.
TenneT is in hoger beroep gekomen van de toewijzende beschikking van 18 mei 2022 (hierna: de beschikking) die de Rechtbank Rotterdam heeft gegeven op het beperkingsverzoek van JD B.V. Het verzoekschrift ex artikel 642y Rv (met bijlagen) van Tennet is gedateerd 13 juni 2022 en op die dag binnengekomen bij het hof. Het (niet gedateerde) beroepschrift (met bijlagen) van Vattenfall is op 15 juni 2022 op de griffie van het hof binnengekomen. Daarna zijn achtereenvolgens de volgende stukken ingediend:
- door JD B.V. (op 17 november 2022) een verweerschrift (met bijlagen);
- door VPS, als belanghebbende, (op 14 februari 2023) een
‘verweerschrift tevens houdende incidenteel beroepschrift tevens houdende incidenteel verzoek ex art. 843a Rv en art. 194 jo. 284 lid 1 Rv’;
- door TenneT, als belanghebbende in de zaak met zaaknummer 200.313.753, (op 16 februari 2023) een verweerschrift;
- door JD BV. (op 3 april 2023) aanvullende bijlagen;
- door TenneT (op 5 april 2023) aanvullende bijlagen.
2.2
Op 11 april 2023 is een mondelinge behandeling gehouden. Namens TenneT is het woord gevoerd door mrs. M.M. van Leeuwen, E. van Gruijthuijsen en
B.G.F. Simons; namens Vattenfall (en de belanghebbenden aan haar zijde) door
mr. P.J. Hoepel; namens JD B.V. door mrs. P.L.A. Hamer en H.C.A. van der Houven van Oordt en namens VPS door mr. M. Wattel. Hun op schrift gestelde aantekeningen zijn bij de processtukken gevoegd. Zo ook een schriftelijk ‘verweer ter zitting’ van de advocaten van JD B.V. Na afloop is een datum voor de beschikking bepaald. Die datum is doorgeschoven.
3Enkele feiten
3.1
Hierboven, in onderdeel 1 van de beschikking, is kort beschreven wat er op 31 januari 2022 is gebeurd. In aanvulling daarop wordt genoteerd dat het driften van de Julietta D die dag om ongeveer 10:26 uur begon. Het schip bewoog zich toen in zuidwestelijke richting naar de zich eveneens in het ankergebied voor de kust van IJmuiden bevindende Pechora Star, waarmee het ongeveer 18 minuten later, omstreeks 10:44 uur, in aanraking kwam. Door die aanraking ontstonden ter hoogte van de machinekamer twee grote gaten in de romp van de Julietta D. Door één van die gaten stroomde water de machinekamer in. ‘In die toestand, zonder voortstuwing, lek, in slecht weer en zonder de mogelijkheid om te ankeren, is het schip onder de invloed van stroom en wind [verder] weggedreven’, citaat punt 34 beroepschrift TenneT.
Ruim een half uur later, omstreeks 11:21 uur, kwam de Julietta D in aanraking met de fundatie van een windmolenturbine van Vattenfall. Rond 11:30 uur heeft de kustwacht, met inzet van helikopters, de 18 koppige bemanning van de Julietta D gehaald. De verlaten Julietta D is vervolgens, omstreeks 14:36 uur, tegen de jacket van TenneT gevaren. Daarna is het een reddingsteam gelukt om een sleepverbinding tot stand te brengen, waarna het schip, zonder verdere schadeveroorzakende gebeurtenissen, naar Rotterdam is gebracht.
3.2
Vattenfall heeft op 11 februari 2022 (in Rotterdam) conservatoir beslag laten leggen op de Julietta D. Dit voor een door haar op ruim EUR 57 mln. begrote vordering wegens de schade als gevolg van de aanvaring van de fundatie van haar windmolenturbine .
3.3
JD B.V. heeft op 13 maart 2022 bij de Rechtbank Rotterdam een beperkingsverzoek ingediend. Daarin vraagt zij onder andere om vast te stellen dat zij gerechtigd is om haar eventuele aansprakelijkheid voor schade voortvloeiend uit het incident op 31 januari 2022 te mogen beperken tot SDR 14,916,384, met daarbij een bevel tot het stellen van een beperkingsfonds (zakenfonds) voor dat bedrag, nog te vermeerderen met rente en kosten, en tot verdeling van dat fonds voor het geval dat haar aansprakelijkheid mocht worden vastgesteld. Met ‘het incident’ bedoelt zij het losslaan van de Julietta D en de daarop volgende aanvaringen van de Pechora Star, de fundatie van de windturbine en de jacket van het platform.
3.4
Op 7 april 2022 heeft TenneT (in Rotterdam) conservatoir beslag laten leggen op de Julietta D. Dit als zekerheid voor een door haar op EUR 20 mln. her-begrote vordering.
Dictum
4.1
De rechtbank heeft het beperkingsverzoek - na de mondelinge behandeling ervan op 21 april 2022 - op 18 mei 2022 toegewezen. Het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid van JD B.V. voor de zaakschade als gevolg van de aanvaringen door de losgeslagen Julietta D van de Pechora Star, de fundatie van de windturbine en de jacket van het platform is door de rechtbank vastgesteld op SDR 14.916.384, met bevel om voor dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten, fonds te stellen door het deponeren van een garantie door de UK P&I Club N.V. overeenkomstig het Rotterdams Garantieformulier Limitatie 2020. Ook is een vereffenaar benoemd en een rechter-commissaris.
4.2
Op 24 mei 2022 heeft de rechtbank op verzoek van JD B.V. een verklaring ex artikel 642c, lid 6, Rv gegeven, inhoudende dat JD B.V. aan het bevel tot fondsstorting heeft voldaan. Vattenfall heeft daarop laten weten het door haar gelegde beslag te zullen opheffen.
4.3
Bij kort gedingvonnis van 8 juni 2022 is op vordering van JD B.V. het door TenneT op 7 april 2022 op de Julietta D gelegde beslag opgeheven.
4.4
Op 21 november 2022 is de verificatievergadering gehouden. De rechter-commissaris heeft de vraag of JD B.V. haar aansprakelijkheid voor de (onder protest) ingediende vorderingen middels één fonds kan beperken naar de renvooiprocedure verwezen. Meer precies houdt het proces-verbaal op het punt van de renvooi-verwijzing in:
‘Nu alle door de schuldeisers ingediende vorderingen in volle omvang worden betwist, bepaalt de rechter-commissaris in overleg met partijen de volgende verwijzingen:
1. TenneT en Vattenfall als eisers in renvooi en [JD B.V.] als verweerster in renvooi over het recht van [JD B.V.] om zich ten opzichte van de door TenneT, Vattenfall en [VPS] ingediende vorderingen op beperking van aansprakelijkheid te beroepen middels het gestelde fonds. [VPS] kan zich indien gewenst aan de zijde van TenneT en Vattenfall voegen in deze zaak.
2. [VPS] als eiseres in renvooi en [JD B.V.], TenneT en Vattenfall als verweersters in renvooi over de volgende onderwerpen: (i) de vorderingsgerechtigdheid van [VPS] en (ii) de aard en omvang van de vordering van [VPS].
3. TenneT als eiseres in renvooi en [JD B.V.], [VPS] en Vattenfall als verweersters in renvooi over de volgende onderwerpen: (i) de vorderingsgerechtigdheid van TenneT en (ii) de aard en omvang van de vordering van TenneT.
4. Vattenfall als eiseres in renvooi en [JD B.V.], [VPS] en TenneT als verweersters in renvooi over de volgende onderwerpen: (i) de vorderingsgerechtigdheid van Vattenfall en (ii) de aard en omvang van de vordering van Vattenfall.’
Beoordeling
ontvankelijkheid
5.1.1
JD B.V. heeft op de navolgende gronden de niet-ontvankelijkheid van TenneT en Vattenfall bepleit, overigens voor het eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, in aanvulling op het in haar verweerschrift gevoerde verweer en daardoor in strijd met de twee-conclusieregel. Het beroep van JD B.V. op de niet-ontvankelijkheid van Tennet en Vattenfall kan ook los daarvan niet worden gehonoreerd. Ter toelichting dient het volgende.
5.1.2
TenneT heeft volgens JD B.V. in de zaak met nummer 200.313.605 te laat beroep ingesteld. Onder verwijzing naar een door haar (als bijlage J9) overgelegde screenprint van het verzoekschriftenjournaal van het hof en een brief van de griffier van het hof van 8 september 2022 (bijlage J10) stelt JD B.V. dat het beroepschrift van TenneT eerst op 25 juli 2022 op de griffie van het hof is binnengekomen. Dat is buiten de termijn van artikel 642y, lid 2, Rv, die op 15 juni 2022 verstreek.
5.1.3
JD B.V. heeft gelijk dat de datum 25 juli 2022 als datum van ontvangst van het (op 13 juni 2022 gedateerde) beroepschrift van TenneT staat vermeld in verzoekschriftenjournaal en ook in de brief van 8 september 2022 van het hof (waarin JD B.V. wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift en een termijn wordt gegeven voor het indienen van een verweerschrift). Die datum (25 juli 2022) is echter onjuist. Dat blijkt uit de volgende feiten. In de brief van 8 september 2022 staat dat het griffierecht van appellant (TenneT) inmiddels is ontvangen. Het verzoekschriftenjournaal laat als datum van betaling van het bij TenneT geheven griffierecht 16 juni 2022 zien. Op die datum was het beroepschrift dus al binnen bij het hof, want er wordt geen griffierecht in rekening gebracht voordat een beroepschrift is binnengekomen. Daarnaast is er een op 13 juni 2022 gestempelde bevestiging van binnenkomst die dag bij de postkamer van het hof van een beroepschrift van TenneT, alsook een op 15 juni 2022 gestempelde bevestiging van de ontvangst van de brief (met aanvullende bijlagen) gedateerd 15 juni 2022 van de advocaat van TenneT ‘inzake: Julietta D_drifting (TenneT TSO B.V. / Julietta D B.V.)’ De eerste alinea van die brief luidt: ‘Op 13 juni 2022 is namens cliënte per koerier een verzoekschrift in hoger beroep ingediend en door uw griffie ontvangen. Zoals aangekondigd in voormeld verzoekschrift, worden hierbij de nog ontbrekende processtukken gefourneerd.’ Gelet hierop is er geen ruimte voor twijfel aan de binnenkomst van het verzoekschrift bij het hof op 13 juni 2022. JD B.V. is door de foutieve vermelding van de ontvangstdatum in het verzoekschriftenjournaal en in de oproepingsbrief niet in haar belangen geschaad.
5.1.4
De niet-ontvankelijkheid van Vattenfall is door JD B.V. bepleit op de grond dat Vattenfall in hoger beroep niet concludeert tot integrale afwijzing van het beperkingsverzoek, maar tot toewijzing van dit verzoek voor zover het de aanraking van de fundatie van haar windturbine betreft. Volgens JD B.V. is dat een zelfstandig verzoek, waarvan het doen door artikel 362 Rv wordt verboden.
5.1.5
Ook hierin heeft JD B.V. ongelijk. Vattenfall heeft een afwijzing van het beperkingsverzoek bepleit voor zover dit ertoe strekte om de beperking te laten gelden ten aanzien van alle op 31 januari 2022 ontstane aanvaringsschades. Dat is iets anders dan een zelfstandig (tegen)verzoek van Vattenfall om een exclusieve fondsvorming voor alleen haar aanvaringsschade. Indien al de door Vattenfall bepleite gedeeltelijke afwijzing in de weg zou staan aan toewijzing van het resterende deel van het beperkingsverzoek is dat niet iets waarom Vattenfall zich bij haar verweer behoefde te bekommeren. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat het JD B.V. vrij zou staan om af te zien van fondsvorming bij een geclausuleerde toewijzing van haar beperkingsverzoek.
inhoudelijk
5.2
Partijen verschillen van mening over de vraag of het losslaan van de Julietta D en de daarop volgende aanrakingen/aanvaringen, met eerst de Pechora Star van VPS, vervolgens de fundatie van een windturbine van Vattenfall en daarna de jacket van een transformatiestation van TenneT, zijn te beschouwen als ‘éénzelfde voorval’ in de zin van artikel 8:755 en 758 BW, oftewel een ‘distinct occassion’/‘d’un même événement’ (‘eenzelfde gebeurtenis’) als genoemd in de (aan genoemde BW-bepalingen ten grondslag liggende) artikelen 6 en 9 van het - bij Protocol van 2 mei 1996 (Trb. 1997, 300 en Trb. 2006, 17) gewijzigde - Verdrag van Londen van 19 november 1976 inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23 en Trb. 1984, 31), protocol en verdrag, hierna zowel tezamen als afzonderlijk LLMC genoemd.
5.3
Een vraag die hieraan vooraf gaat is wat in dit verband moet worden verstaan onder het begrip distinct occassion/d’un même événement. Het antwoord op die vraag is in het LLMC-verdrag zelf niet te vinden en evenmin in de travaux préparatoires en moet daarom door uitlegging worden vastgesteld. Het uitleggen van verdragen dient te geschieden aan de hand van de maatstaven van de artikelen 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. De eerste daarvan is dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en tegen de achtergrond van voorwerp en doel van het verdrag (lid 1 van artikel 31). Over dat voorwerp en doel kan onder meer worden genoteerd dat met het LLMC-verdrag is gezocht naar een balans tussen aan de ene kant de wens om ontstane schades in voldoende mate te kunnen compenseren en aan de andere kant de behoefte om het voor scheepseigenaren mogelijk te maken hun aansprakelijkheid te beperken tot een bedrag waarvoor zij zich nog tegen redelijke kosten kunnen verzekeren. Dit compromis komt tot uitdrukking in enerzijds hogere limitatielimieten en anderzijds een uiterst beperkte mogelijkheid om deze limieten te doorbreken. Die, in de artikelen 6 en 7 LLMC genoemde, limieten gelden voor alle in deze artikelen bedoelde vorderingen die uit eenzelfde gebeurtenis voortkomen. Of vorderingen uit eenzelfde gebeurtenis voortkomen, hangt ervan af of de schades, tot vergoeding waarvan zij strekken, dezelfde rechtens relevante oorzaak hebben. Dit is een (vooral) feitelijke vraag die - met inachtneming van het doel van de in het verdrag geregelde mogelijkheid tot aansprakelijkheidsbeperking - in elke zaak opnieuw moet worden beoordeeld. Daarbij is niet per definitie beslissend of de schadeveroorzakende feiten zich gelijktijdig en/of op dezelfde locatie en/of aan hetzelfde object hebben voorgedaan. Ook opeenvolgende schadeveroorzakende feiten (die niet op dezelfde locatie plaatsvinden en/of hetzelfde object betreffen) kunnen onder omstandigheden dezelfde oorzaak hebben. Van eenzelfde oorzaak is echter geen sprake als de opvolgende schades het gevolg zijn van op zichzelf staande, niet rechtstreeks op de eerdere schadeoorzaak terug te voeren, doch daarvan duidelijk te onderscheiden gedragingen of nalatigheden. Indien de aanvaring met de Pechora Star en het daardoor lekraken van Julietta D worden gezien als een gevolg van het losslaan en gaan driften van de Julietta D, maar de eerst enige tijd later volgende aanrakingen (met de fundatie en de jacket) te wijten zijn aan op zichzelf staande handelingen of nalatigheden (die los staan van het losslaan van de Julietta D en de aanraking met de Pechora Star), zijn de onderscheiden schades en de daarmee samenhangende vorderingen niet door eenzelfde gebeurtenis ontstaan. Aan dat andere verwijtbare/toerekenbare handelen of nalaten kan dan zelfstandige betekenis worden toegekend, doordat dit effectief de opvolgende aanrakingen heeft teweeggebracht; de latere schadeveroorzakende feiten zijn dan niet het noodzakelijk gevolg van het eerste schadeveroorzakende feit en staan daarmee niet in een voldoende causaal verband.
Dictum
Het hof, rechtdoende in beide zaken:
- bekrachtigt de bestreden beschikking,
- wijst de verzoeken van VPS af,
- veroordeelt TenneT, Vattenfall en VPS in de kosten van de procedures in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van JD B.V. bepaald op EUR 1.566 (2 x EUR 783) aan verschotten en op EUR 2.366 aan salaris voor de advocaat;
- verklaart de beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus beslist door mrs. A.P.J. Schild, J.M. van der Klooster en W. van der Velde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Het LLMC-verdrag gebruikt ook andere aanduidingen waarmee hetzelfde is bedoeld. Zie bijv. artikel 5: ‘same occurence’ en artikel 11, lid 1: ‘occurence giving rise to the liability’
De bewoordingen van LLMC 1996 (‘arising on any distinct occasion’) stammen uit LLMC 1976 waarvan de woorden weer zijn overgenomen uit artikel 2 lid 1 van het Brussels Beperkingsverdrag 1957 (‘claims which arise on any distinct occasion without regard to any claims which have arisen or may arise on any other distinct occasion.’).
Zie in dit verband Mr. H. Boonk in Tijdschrift Vervoer & Recht 2006-6 (blz. 194 laatste alinea) n.a.v. HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3080 (Seawheel Rhine) - TVR2006_06.book (uitgeverijparis.nl)
Zie ook ECLI:NL:RBROT:2011:BU:4843
Beoordeling
Het enkele conditio sine qua non verband met het eerste schadeveroorzakende feit is in dat geval onvoldoende om niettemin uit te gaan van eenzelfde gebeurtenis. Onnodig om hierbij op te merken dat deze wijze van beoordeling niet steeds zal leiden tot een eenduidig antwoord op de vraag of in een concreet geval sprake is van eenzelfde gebeurtenis. Dat blijkt ook wel uit de door partijen aangehaalde uitspraken. Het aanduiden van een volgend schadevoorval als ‘noodzakelijk gevolg’ van een voorafgaand schadeveroorzakend feit brengt hierin geen verandering. Ook ‘noodzakelijk’ is een relatief begrip.
5.4.1
Een volgende vraag die door partijen verschillend wordt beantwoord is of (al) bij de behandeling van een beperkingsverzoek als betwisting mag worden aangevoerd (door de schuldeisers tegenover wie de verzoeker zich op beperking meent te kunnen beroepen) dat de vorderingen ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan niet naar aanleiding van éénzelfde voorval zijn ontstaan. Dit is een procedurele aangelegenheid die in het LLM-verdrag niet is geregeld; artikel 14 van het verdrag verwijst daarvoor naar de lex fori, in dit geval Nederlands recht. Dat regelt in de artikelen 642a-642z Rv de rechtsgang die moet worden gevolgd ingeval van een door de scheepseigenaar gewenste beperking van aansprakelijkheid. Daarbij worden drie fasen onderscheiden. Het begint met een voorfase (artikelen 642a-642f Rv), waarin de vaststelling van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid en de wijze van fondstelling aan de orde zijn. Daarna komt de verificatiefase (de artikelen 642g-642u Rv, met in artikel 642q Rv de mogelijkheid van een verwijzing naar de renvooiprocedure). In de daaropvolgende, afsluitende, derde fase (artikelen 642v en 642w Rv) wordt op basis van een staat van verdeling aan de geverifieerde schuldeisers het hun toekomende bedrag uitbetaald (verdelingsfase).
5.4.2
JD B.V. meent dat in de voorfase, waarin beperking van aansprakelijkheid wordt verzocht ten aanzien van vorderingen van (potentiële) schuldeisers, deze schuldeisers weliswaar belanghebbenden zijn, maar geen verweerders en daarom niet het hiervoor bedoelde verweer (de betwisting van het gestelde incident als distinct occasion) mogen voeren. Daarbij gaat zij er echter aan voorbij dat in de (Nederlandse rechts)praktijk belanghebbenden met een tegengesteld belang aan dat van de verzoeker als verweerders plegen te worden aangeduid. Beide aanduidingen (belanghebbende en verweerder) hebben daarom ten opzichte van elkaar geen onderscheidend karakter. Het aanmerken van een (potentiële) wederpartij als belanghebbende impliceert niet hij geen verweer mag voeren en dus geen verweerder is. Daarnaast is er het gegeven dat artikel 642c, lid 1, Rv voor de voorfase alleen de mogelijkheid van een beroep op opzet en bewuste roekeloosheid uitsluit. Zoals ook de rechtbank overwoog is dit een aanwijzing dat andere verweren wèl zijn toegestaan. Dat ook die andere verweren onder omstandigheden aanleiding kunnen geven tot een (uitgebreid) feitenonderzoek - terwijl de voorfase daarvoor niet is bedoeld en dit nu juist de reden is voor het uitsluiten van het in artikel 642c, lid 1, Rv genoemde verweer - betekent niet dat het de rechter vrijstaat die uitsluiting uit te breiden tot andere (categorieën) verweren/betwistingen. Dit is trouwens ook niet nodig omdat hiervoor een praktische oplossing is aangereikt in het arrest HR 4 november 1994, NJ 1996/534 (Vertrouwen TX-68), ECLI:NL:HR:1994:ZC1522. Daarin is overwogen (rov. 3.4):
‘Bij de beoordeling van de door [naam] tegen de beschikking van het Hof aangevoerde middelen moet worden vooropgesteld dat een op art. 320c (oud) Rv. [thans 642c Rv, opm. hof] gebaseerde beschikking, zoals Rechtbank en Hof in het onderhavige geval hebben gegeven, slechts de beperkte strekking heeft de verzoeker met het oog op de voortzetting van de procedure tot beperking van zijn aansprakelijkheid, zo hij deze beperking wenst, uitsluitsel te geven omtrent het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid voorshands is beperkt, en omtrent de vraag of hij in plaats van storting van dat bedrag in de consignatiekas kan volstaan met zekerheidstelling en, in het laatste geval, op welke wijze deze zekerheidstelling dient te geschieden (HR 1 mei 1981, NJ 1981, 605).
Dit neemt evenwel niet weg dat een belanghebbende tegen het verzoek tot beperking van de aansprakelijkheid ook bezwaren kan aanvoeren die naar zijn opvatting reeds dadelijk tot de slotsom leiden dat het verzoek moet worden afgewezen of de verzoeker daarin wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onverminderd zijn bevoegdheid die bezwaren voor het eerst in de renvooiprocedure naar voren te brengen of deze, zo zij niet zijn gehonoreerd, daarin te herhalen. Zou de rechter tot de bevinding komen dat een aldus aangevoerd bezwaar zich niet leent voor beoordeling in dit stadium van de procedure, omdat daartoe een uitvoerig onderzoek is vereist waarvoor in deze fase van de procedure geen plaats is, dan zal hij het verzoek kunnen toewijzen zonder het bezwaar te behandelen, waarna dit, zo nodig, evenals verweren die ongegrond zijn bevonden, in de renvooiprocedure aan de orde zal kunnen komen.’
Terzijde wordt hierbij aangetekend dat, hoewel gesproken wordt over een ‘beperkte strekking’ van de beschikking, de consequenties ervan - meer precies van de zekerheids-/fondsstelling voor het in de beschikking vastgestelde bedrag waartoe de aansprakelijkheid voorshands is beperkt - verstrekkend (kunnen) zijn, zeker indien aan die zekerheidsstelling (in afwijking van het bepaalde in artikel 624e Rv) automatisch de in artikel 1-3, lid 1 en lid 2, van het LLMC-verdrag bedoelde gevolgen worden verbonden, maar dit pleit uiteraard niet tegen de mogelijkheid om in de voorfase verweer te voeren.
5.5.1
Na het voorgaande wordt de hiervoor in 5.2 bedoelde vraag (of de jegens JD B.V. gepretendeerde vorderingen van VPS, Vattenfall en TenneT door dezelfde gebeurtenis zijn ontstaan) als volgt beantwoord.
5.5.2
Eerst wordt nog opgemerkt dat, anders dan Vattenfall (mogelijk) meent, geen aanleiding bestaat om het beperkingsverzoek, dat is ingediend na het door haar gelegde beslag, zo beperkt op te vatten dat het alleen op haar vordering ziet. Die benadering strookt niet met het voorschrift van artikel 642a, lid 2 onder e, Rv dat het beperkingsverzoek melding moet maken van de dag en de plaats van het voorval dat aanleiding gaf tot de vorderingen ten aanzien waarvan de verzoeker zijn aansprakelijkheid meent te kunnen beperken, alsmede een omschrijving daarvan moet geven. Gelet op dit voorschrift was het aan JD B.V., die nu eenmaal meent dat de vorderingen van VPS, Vattenfall en TenneT, ten aanzien waarvan zij haar aansprakelijkheid wenste te beperken, door hetzelfde voorval zijn ontstaan, om daarvan gemotiveerd melding te maken. Dat heeft zij gedaan. Los daarvan is er het voorschrift van artikel 9 LLMC/8:758 BW dat de overeenkomstig artikel 6 LLMC/8:755 BW vastgestelde beperking van aansprakelijkheid geldt voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde voorval ontstane vorderingen op de beperkingsgerechtigde.
5.5.3
JD B.V. heeft (voorshands) voldoende onderbouwd dat de tweede en derde schadevaring (met respectievelijk de fundatie en de jacket) zijn toe te schrijven aan dezelfde oorzaak als die van de aanvaring met de Pechora Star en het daardoor lekraken van de Julietta D. Ook in hoger beroep ontbreken aanwijzingen dat sprake is van duidelijk van elkaar te onderscheiden zelfstandige schadeoorzaken.