Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-10-12
ECLI:NL:GHDHA:2023:1966
Strafrecht
Hoger beroep
22,677 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-000665-20
Parketnummers: 09-809054-16, 09-818275-17 en 09-817118-18
Datum uitspraak: 12 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ([land]),
adres: [woonadres] te [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij de dagvaarding met parketnummer 09-809054-16 onder 1 primair en het bij de dagvaarding met parketnummer 09-817118-18 onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde
vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het:
bij de dagvaarding met parketnummer 09-809054-16 (dagvaarding I) onder 1 subsidiair en 2,
bij de dagvaarding met parketnummer 09-818275-17 (dagvaarding II) onder 1 primair, 2 en 3 en
bij de dagvaarding met parketnummer 09-817118-18 (dagvaarding III) onder 1 subsidiair en 2 subsidiair
tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is een beslissing genomen omtrent het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het hoger beroep beperkt tot de beslissing omtrent het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat in het onderzoek 26Midway een onrechtmatig pseudodienstverleningstraject heeft plaatsgevonden en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat primair moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en subsidiair tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aangevoerd.
De inzet van de opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel (hierna: de WOD’er) moet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Nu die inzet slechts was gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012 en voor een deel van het traject een bevel stelselmatige informatie-inwinning in de zin van artikel 126j Sv, maar niet op een bevel ex artikel 126i Sv, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het belang dat dit geschonden voorschrift dient, ziet op de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. De ernst van het vormverzuim zit in het feit dat de rechter niet kan toetsen of en, zo ja, hoe de belangenafweging voorafgaand aan de inzet van de WOD’er is gemaakt, nu het vereiste bevel voor die inzet ontbreekt. Deze belangenafweging is in casu nog belangrijker doordat in de ogen van de verdediging bij de start van het traject geen sprake was van een objectieve, concrete en verifieerbare verdenking van een misdrijf ex artikel 67, eerste lid, Sv. De raadsman heeft ten aanzien van het nadeel opgemerkt dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad, omdat de rechtmatigheid van het pseudodienstverleningstraject niet kan worden getoetst, terwijl de verdachte de inhoud van het door de WOD’er opgemaakte proces-verbaal van 29 juni 2017 betwist.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het ontbreken van het bevel in de zin van artikel 126i Sv in combinatie met het materiële aspect van de inzet – in die zin dat de bevindingen van de WOD’er onbetrouwbaar zijn en niet op juistheid kunnen worden getoetst - moet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, omdat – in de bewoordingen van het EHRM – ‘the proceedings as a whole were not fair’.
De verdediging heeft zich – zo begrijpt het hof het gevoerde verweer – uitsluitend in het kader van het hiervoor besproken vormverzuim (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de bevindingen van de WOD’ers en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverleningstraject van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van het dossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
In opdracht van de officier van justitie heeft het Team Heimelijke Ondersteuning vanaf 22 juni 2017 ondersteuning verleend in het strafrechtelijk onderzoek dat bekend is geworden als 26Midway. In het kader van die inzet werd op de hiervoor genoemde dag besloten om op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 een opsporingsambtenaar van het team Werken Onder Dekmantel te laten bellen met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: -[telefoonnummer 1]) – welk nummer naar later bleek werd gebruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] – om zich voor te doen als degene die in staat is grote hoeveelheden cocaïne te kunnen regelen. Het doel van deze inzet was een afspraak te maken met de vermoedelijke kopers van de cocaïne, zodat deze het geld voor de aankoop van de cocaïne konden laten zien en hun kredietwaardigheid konden aantonen.
Deze inzet is gestart door de WOD’er [nummer 1], die met de gebruiker van –[telefoonnummer 1] heeft gebeld om een ontmoeting te regelen. De WOD’er [nummer 1] heeft op 22 juni 2017 een bericht gestuurd naar –[telefoonnummer 1] en is later die dag teruggebeld door dat nummer. Tijdens dat gesprek heeft WOD’er [nummer 1] aangegeven dat hij een afspraak wil maken namens ‘[naam]’. Na dit gesprek is het contact met de gebruiker van –[telefoonnummer 1] overgenomen door de WOD’er met nummer [nummer 2]. WOD’er [nummer 2] (hierna: de WOD’er) is op 23 juni 2017 naar de ontmoeting met, naar later bleek [medeverdachte 1] en de verdachte, aan de [adres 1] te Den Haag gegaan. Ook op 28 juni 2017 heeft een ontmoeting tussen de WOD’er, de verdachte en [medeverdachte 1] plaatsgevonden, nadat op 26 juni 2017 een bevel stelselmatige informatie-inwinning ex artikel 126j Sv was afgegeven door de officier van justitie. Bij deze ontmoetingen heeft de WOD’er zich voorgedaan als een tussenpersoon die opereerde voor [naam ], althans de partij die de drugs kon leveren. [medeverdachte 1] en de verdachte moesten aan de WOD’er geld tonen waarmee zij de cocaïne konden betalen om te laten zien dat zij kredietwaardig waren. [medeverdachte 1] en de verdachte verkeerden tijdens de contacten met de WOD’er in de veronderstelling dat hij onderdeel was van de organisatie in Zuid-Amerika en dat de WOD’er kwam kijken of het geld er was. De inzet van de WOD’er is tijdens de gesprekken steeds gericht geweest op het zien van het geld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2017 van de WOD’er en uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] over de ontmoeting. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bijvoorbeeld verklaard dat de WOD’er tegen hem zei “waar is het geld, ik wil geld zien”.
Naar het oordeel van het hof kan de inzet van de WOD’er, zoals die hiervoor is weergegeven, niet worden gekwalificeerd als pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i Sv. De WOD’ers hebben in hoedanigheid van vertegenwoordiger van [naam] contact opgenomen met de verdachte, en WOD’er [nummer 2] is in die hoedanigheid bij de ontmoetingen aanwezig geweest.
Feiten
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker was van telefoonnummer –[telefoonnummer 2]. Ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte 4] blijkt uit de bewijsmiddelen dat hij de gebruiker van het nummer –[telefoonnummer 3] was.
Vrijdag 27 januari 2017
Om 9:53 uur (sessie 4994) belt [medeverdachte 4] [verdachte]. [medeverdachte 4] vraagt of [verdachte] goed is bij de buren hetgeen hij bevestigt. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 4] die ene moet hebben, die deur. [medeverdachte 4] bevestigt dit en vraagt of hij 1700 heeft. Die heeft [verdachte]. [medeverdachte 4] geeft aan dat daar iets is aangekomen op donderdag. Als [verdachte] vraagt in welke wagen, zegt [medeverdachte 4] dat het bij Hapag Lloyd is waarna hij zegt dat het bij Hamburg Sud is. Het gaat om 150 en het is uit Panna gekomen. [verdachte] geeft aan dat hij gaat bellen en belt later [medeverdachte 4] terug.
Om 13:03 uur (sessie 5023) belt [medeverdachte 4] [verdachte] en zegt dat hij, [medeverdachte 4], gister had moeten bellen, omdat het er inmiddels al uit is. [medeverdachte 4] vertelt dat hij tegen die man heeft gezegd dat hij een rechtstreeks contact heeft dat het weg kan halen. Even later, om 13:26 uur (sessie 5025) belt [medeverdachte 4] [verdachte] wederom en vraagt aan hem of hij daar sterk is, hetgeen [verdachte] bevestigt. [medeverdachte 4] geeft aan dat diezelfde man die hem een bericht heeft gestuurd, zegt dat daar nog een ding ligt en dat daarin 800 zit. Die man heeft gezegd dat het is klaar gezet om door de scan te gaan over drie dagen. [verdachte] wil de man ontmoeten, dan hoort hij het precies, niet over de telefoon. Vervolgens wordt er nog enkele keren gebeld om tot een afspraak te komen waarna [verdachte] dezelfde dag om 13:37 uur (sessie 5031) weer door [medeverdachte 4] wordt gebeld. [medeverdachte 4] vraagt of [verdachte] rechtstreeks met die man is. [verdachte] zegt dat zijn ‘compa’ daar is maar dat hij die andere nog moet spreken, hij is de pet van daar. [medeverdachte 4] zegt dat als hij de pet heeft dat dat geweldig is.
Hierna wordt weer een paar keer gebeld over een ontmoeting. Hierbij wordt [verdachte] ook gebeld door [medeverdachte 17].
Zaterdag 28 januari 2017
Op zaterdag 28 januari 2017 heeft [medeverdachte 4] vanaf 10:18 uur een aantal keer contact via sms met [medeverdachte 2]. Deze laatste bericht hem dat hij een spoedje heeft en ze spreken af elkaar bij [medeverdachte 4] thuis te zien.
Op zaterdag 28 januari 2017 om 10:26 (sessie 5176), belt [medeverdachte 4] wederom met [verdachte]. [medeverdachte 4] geeft aan dat koelie op hem ([verdachte]) heeft gewacht. [medeverdachte 4] zegt dat de bedoeling was dat [verdachte] groen licht zou geven als het goed was. [verdachte] ontkent dit en zegt dat hij eerst met zijn mensen gaat praten en dat die ene al onderweg was daar naar toe, naar Antwerpen. Vervolgens zegt [medeverdachte 4] dat er nu een vriend naar hem toe komt met een spoedje. Om 11:21 uur belt [medeverdachte 4] weer (sessie 5178) en zegt dat hij een loods nodig heeft, het maakt niet uit als hij maar groot is. Het gaat om een zeecontainer van 20 (het hof begrijpt uit de volgende gesprekken: 20 voet). Het ding is al buiten volgens [medeverdachte 4], hij heeft snel een loods nodig. Vervolgens belt [medeverdachte 4] verschillende personen over een loods waar een zeecontainer in moet. In het gesprek om 11:41 uur, nog steeds op zaterdag 28 januari 2017, (sessie 232) spreekt [medeverdachte 4] met [medeverdachte 3] en zegt hij dat hij de loods maar een dag nodig heeft. Ze gaan even daar afwerken en dan gaat hij weer terug. Om 11:43 uur wordt [verdachte] door [medeverdachte 4] gebeld (sessie 5192). [verdachte] zit met iemand, ze gaan even kijken of het past. [medeverdachte 4] heeft het over een grote 20 voeter. Daarna belt [medeverdachte 4] om 11:49 uur (sessie 266) weer met [medeverdachte 3]. Deze vraagt hoeveel hij hem kan zeggen, hoeveel [medeverdachte 4] kan missen. [medeverdachte 4] antwoordt 50k en zegt daarna 50 koppen. [medeverdachte 3] gaat checken of het past. Hierna heeft [medeverdachte 4] weer telefonisch contact met [medeverdachte 2] en zegt hij dat het geregeld is.
[medeverdachte 4] belt met [verdachte] (13:19 uur, sessie 5264) over het adres. [verdachte] zegt Schokkerweg. Om 13:59 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van nummer [telefoonnummer 4] met de tekst ‘[adres 2]’.
Om 15:35 uur (sessie 479) bellen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] over een ontmoeting bij de McDonalds te Hoofddorp. Een observatieteam heeft van 15:55 uur tot 16:09 uur te Hoofddorp bij de McDonalds een ontmoeting waargenomen tussen [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en een onbekende persoon. Om 16:20 uur belt [medeverdachte 4] [verdachte] (sessie (5524) en zegt hij dat hij net met die man zat. Deze man heeft al gekeken en het is goed, vanaf 6 uur.
Ter terechtzitting heeft [verdachte] erkend dat hij inderdaad op verzoek van [medeverdachte 4] snel een loods heeft trachten te regelen. Hij wist niet waar het voor was en heeft dat ook niet gevraagd. Als vergoeding zou hij een bedrag van € 10.000,- krijgen. Ten aanzien van de hem voorgehouden tapgesprekken van 27 januari 2017 heeft de verdachte aangegeven dat hij zich niet kan herinneren wat daarin besproken is en hij kan deze ook niet duiden. De verdachte [medeverdachte 4] heeft in het geheel geen verklaring willen afleggen en was ook niet aanwezig op de terechtzitting.
Ten aanzien van de duiding van de gevoerde telefoongesprekken overweegt het hof als volgt.
[medeverdachte 4] en [verdachte] hebben op 27 januari 2017 veelvuldig contact. Aanvankelijk over een of meerdere dingen (150 en 800) die er uit gehaald moeten worden. De advocaat-generaal heeft betoogd dat deze gesprekken zien op het uithalen van drugs uit containers in haven van Antwerpen. Het hof volgt de advocaat-generaal in deze uitleg.
De verdachten spreken versluierd met elkaar maar lijken elkaar wel direct te begrijpen. Ook worden ontmoetingen geregeld waarin zaken worden besproken en wordt er door [verdachte] expliciet gezegd dat het niet over de telefoon moet. Hieruit leidt het hof dat de verdachten zich bewust zijn van het feit dat zij mogelijk afgeluisterd worden en dat wat zij bespreken niet bekend moet worden bij de autoriteiten.
In de gesprekken van 27 januari 2017 wordt gesproken over iets (eenmaal 150 en daarna 800) dat is aangekomen en eruit moet worden gehaald. De namen Hamburg Süd en Hapag Lloyd worden genoemd. Het is het hof ambtshalve bekend dat dit beide logistieke bedrijven, rederijen, zijn die in containervervoer doen. Voorts wordt gesproken over de vraag of [verdachte] de deur heeft, de 1700. De advocaat-generaal heeft bij requisitoir stukken overgelegd waaruit volgt dat rederij Hapag Lloyd in juni 2016 twee diensten heeft verhuisd naar MPET, aan het Deurganckdok te Antwerpen. Blijkens een tevens overgelegde kaart ligt aan het Deurganckdok kade 1700. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben op 28 januari 2017 om 10:26 (sessie 5176) een gesprek waarin wordt gerefereerd aan wat de dag ervoor is besproken en waarin [verdachte] aangeeft dat die man al onderweg was daar naar toe, naar Antwerpen. Mede gelet hierop volgt het hof de uitleg van de advocaat-generaal dat [verdachte] en [medeverdachte 4] de mogelijkheid bespreken over het uithalen van 800 en 150 uit containers in de haven van Antwerpen. Volgens [medeverdachte 4] zou ‘het’ (het hof begrijpt de eerste 150 die uitgehaald moet worden) uit Panna zijn gekomen. Een logische verklaring zou zijn dat hiermee Panama wordt bedoeld. Het hof gaat ervan uit dat met Panna inderdaad Panama wordt bedoeld nu tevens uit het nieuwsbericht overgelegd door de officier van justitie bij requisitoir volgt dat Hapag Lloyd vanaf de genoemde haven een lijndienst met de oostkust van Zuid-Amerika onderhoudt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen,
mr. J. Candido en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffier mr. L.I. Appels.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2023.
Inleiding
Deze WOD’er is hierbij dus slechts opgetreden namens een mogelijke ‘wederpartij’ van de verdachte en niet namens of voor de verdachte. Er is ook niet gebleken dat op enig moment is afgesproken dat de WOD’ers daadwerkelijk iets ten behoeve van de verdachte zouden doen of dat zij dit hebben gedaan. Gebleken is dat van de WOD’er niet méér werd verwacht dan dat hij bij een ontmoeting van de verdachte aanwezig zou zijn, zodat deze via de WOD’er bij [naam] kon aantonen dat hij genoeg geld had. Een dergelijk passief optreden als tussenpersoon namens een (beweerdelijke) derde opdrachtgever (of, in de woorden van de verdediging: het enkele ‘representeren’ van [naam]) is naar het oordeel van het hof niet aan te merken als ‘dienst’ aan de verdachte in de zin van artikel 126i Sv, ook als in aanmerking wordt genomen dat de verdachte (vanuit zijn perspectief) zelf ook belang had bij dit optreden van de WOD’er. Evenmin is gebleken dat het op enig moment de bedoeling is geweest om tot pseudodienstverlening over te gaan. Dat de politie in het kader van de inzet van de WOD’ers zelf de termen ‘pseudodienstverlener’ en ‘pseudodienstverleningstraject’ heeft gebruikt, doet aan dit oordeel niet af.
Gelet op het voorgaande was een bevel ex artikel 126i Sv niet noodzakelijk voor de inzet van de WOD’er.
Voor de handelingen die door de WOD’er zijn uitgevoerd voor 28 juni 2017 ontbreekt een specifieke wettelijke grondslag. Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoende wettelijke basis bood voor de inzet van de WOD’er. Daarvoor dient de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – zoals ook beschermd door artikel 8 van het EVRM – beperkt te zijn gebleven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De inzet van de WOD’ers heeft plaatsgevonden tussen
22 juni 2017 en 28 juni 2017. Dit contact bestond – op de twee ontmoetingen na – uitsluitend uit telefonisch contact: de WOD’er en [medeverdachte 1] hebben een aantal keer ge-sms’t en gebeld en de WOD’er en de verdachte hebben één keer met elkaar gebeld. Op 23 juni 2017 en 28 juni 2017 is de WOD’er in het huis van de verdachte geweest. Deze locatie is door de verdachte en/of [medeverdachte 1] voorgesteld. De WOD’er kreeg slechts de opdracht naar dat adres te komen. De besprekingen die daar hebben plaatsgevonden zijn (voornamelijk) zakelijk van aard geweest en uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn woning vaker voor dergelijke zakelijke ontmoetingen gebruikte.
Het hof is van oordeel dat deze contacten - gelet op de duur, intensiteit en frequentie - slechts een beperkte inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat artikel 3 van de Politiewet 2012 hiervoor een toereikende grondslag bood. Bij dat oordeel neemt het hof mee dat op enig moment wel een bevel ex artikel 126j Sv is afgegeven en dat van de hele inzet proces-verbaal is opgemaakt, en dat de gang van zaken na afloop van het traject toetsbaar is geweest.
Het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim wordt verworpen.
De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de processen-verbaal die door de WOD’er zijn opgemaakt niet betrouwbaar zijn, waardoor een onherstelbare inbreuk is gemaakt op een eerlijk proces. De WOD’er heeft tijdens zijn inzet (veel) alcohol gedronken, hij kon zich tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris weinig van de inzet herinneren en de verslaglegging van de inzet is onvoldoende duidelijk, waardoor bijvoorbeeld niet kan worden getoetst of aan het Tallon-criterium is voldaan en de waarheidsvinding voor het hof onmogelijk is gemaakt, aldus de verdediging.
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de bevindingen zoals die door de WOD’er zijn opgemaakt in zijn proces-verbaal van 29 juni 2017 onbetrouwbaar zijn. De WOD’er heeft gedetailleerd zijn bevindingen weergegeven in dat proces-verbaal. De bevindingen over wat bij de ontmoetingen op 23 en 28 juni 2017 heeft plaatsgevonden, worden ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] en – op hoofdlijnen – ook door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het gesprek tussen [medeverdachte 1] en de WOD’er over cocaïne ging, dat er geld getoond moest worden en hij van [medeverdachte 1] tegen de WOD’er moest zeggen dat het geld voor de cocaïne was geregeld. Dat de verdachte op onderdelen de bevindingen van de WOD’er tegenspreekt of een andere uitleg geeft aan die bevindingen, maakt naar het oordeel van het hof niet dat het proces-verbaal onbetrouwbaar is. De verdediging heeft de WOD’er bij de raadsheer-commissaris kunnen horen over zijn bevindingen. De WOD’er wist zich weinig te herinneren over de inzet die zes jaar daarvoor had plaatsgevonden, maar dat doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn daags na de inzet opgemaakte proces-verbaal. Uit het dossier blijkt ook niet dat het Tallon-criterium zou zijn geschonden. De cocaïnedeal was al voorafgaand aan het contact met de WOD’er ophanden en bij de verdachte is op 28 juni 2017 een blok cocaïne aangetroffen dat hij klaarblijkelijk al in huis had vóór de tweede ontmoeting met de WOD’er. De verdachte heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Het verweer van de verdediging dat het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM in een dergelijke mate is geschonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, slaagt niet. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-809054-16 (dagvaarding I):
1.
Feiten
Tot slot overweegt het hof dat bij het uithalen van goederen uit containers in een afgesloten havengebied, drugsorganisaties vaak gebruik maken van corrupte beambten aldaar werkzaam. Gelet hierop en het voorgaande concludeert het hof dat met de pet een dergelijke corrupte beambte wordt bedoeld.
Vervolgens ontstaat er na een bericht en een gesprek tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] op 28 januari 2017 enorme haast met het regelen van een loods. Uit de telefoongesprekken volgt dat uit een 20 voet container spullen gehaald moeten worden. Dit kan in een dag geschieden, maar moet kennelijk binnen, uit het zicht gebeuren. Blijkbaar gaat het om goederen van grote waarde, aangezien [medeverdachte 4] bereid is 50k (het hof begrijpt € 50.000,-) te betalen voor het gebruik van een dergelijke loods voor een dag. Voorts wordt op geen enkele wijze getracht bij reguliere (overslag)bedrijven een loods te huren. [verdachte] heeft verklaard dat hij voor het regelen van een loods een aanzienlijk bedrag zou krijgen, namelijk € 10.000,-. Het hof kan deze gesprekken niet anders uitleggen dan dat in de bedoelde container verboden spullen zitten met een extreem hoge waarde, hetgeen doorgaans duidt op cocaïne.
Het hof stelt voorop dat [verdachte] en [medeverdachte 4] beiden niet onbekend zijn ten aanzien van strafbare handelingen met betrekking tot cocaïne. Zo heeft ten aanzien van [verdachte] te gelden dat hij in dezelfde periode als waarin het onderhavige feit speelt, contact heeft met mensen in Colombia en ook naar Colombia afreist. Het hof heeft deze stafbare voorbereidingshandelingen die zijn opgenomen in zaaksdossier Colombia bewezen geacht. Ook na de onderhavige periode heeft [verdachte] zich intensief beziggehouden met de invoer dan wel handel in cocaïne (zaaksdossiers Rusland en 26Midway). Voor [medeverdachte 4] geldt dat hij in de zaak Spurrie-uil verder niet naar voren komt. Wel heeft hij (ruim) voor de ten laste gelegde periode enkele jaren gevangenisstraf ondergaan voor verschillende overtredingen van de Opiumwet en is hij voor cocaïnesmokkel op 28 augustus 2017 te Schiphol veroordeeld tot een gevangenisstraf. Dit zijn omstandigheden waaraan door het hof betekenis wordt toegekend bij de beoordeling over welke stof de verweten handelingen in de onderhavige zaak gaan.
Het hof is van oordeel dat de gesprekken op 27 januari 2017 over het uithalen van goederen met cocaïne te maken hebben. Het gaat om goederen van zeer hoge waarde, die op een illegale manier, met een ‘pet’ uit de containers in de haven moeten worden gehaald. Het hof overwoog reeds dat met een pet een corrupte beambte wordt bedoeld, hetgeen een gebruikelijke werkwijze is voor drugsorganisaties voor het uithalen van cocaïne. Het betreft in het eerste geval, de 150, goederen afkomstig uit Panama, zijnde een uitvoerland van cocaïne. Nu beide verdachten niet onbekend zijn met illegale activiteiten rondom cocaïne en zij zonder enige nadere duiding in de gesprekken met elkaar direct lijken te begrijpen waar zij het met elkaar over hebben, gaat het hof ervan uit dat beide verdachten ook wisten dat het om cocaïne ging en dat hun opzet ook gericht was op voorbereidingshandelingen als bewezenverklaard ten aanzien van cocaïne.
Ook ten aanzien van het regelen van een loods waarover de verdachten het hebben in de gesprekken op 28 januari 2017 komt het hof tot het oordeel dat in deze loods een container diende te worden leeggehaald met daarin cocaïne. [medeverdachte 4] heeft gelet op de enorme vergoeding voor de korte huur van de loods en de niet reguliere, legale handelwijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het hier om cocaïne ging. Dit zelfde geldt voor [verdachte]. Een dag eerder heeft hij diverse gesprekken met [medeverdachte 4] over het uithalen van cocaïne in zeecontainers in de haven van Antwerpen. Vervolgens wordt hem een dag later gevraagd om tegen een extreem hoge vergoeding een loods te regelen waar kortstondig een container kan worden geplaatst. Onder die omstandigheden gaat het hof er van uit dat ook [verdachte] wist dat het om cocaïne ging, temeer nu hij zich in dezelfde periode ook actief met illegale activiteiten rond cocaïne bezig hield. Ook het opzet van [verdachte] was daarmee gericht op de voorbereiding of bevordering van de invoer van die cocaïne, of van de verkoop, aflevering of vervoer ervan.
Zaaksdossier 26Midway (dagvaarding II, feit 1)
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, indien het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, de bevindingen van de WOD’er en de belastende stukken die rechtstreeks voortvloeien uit het onrechtmatige pseudodienstverleningstraject moeten worden uitgesloten van het bewijs. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat hij niet kon worden ondervraagd door de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim, omdat de inzet van de WOD’er kon worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet 2012. De bevindingen kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Het eerstgenoemde verweer van de verdediging wordt verworpen.
In hoger beroep is het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] toegewezen. Uit het proces-verbaal d.d. 7 augustus 2023 van de raadsheer-commissaris blijkt dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie en proceshouding – hij zou zich beroepen op zijn verschoningsrecht – niet (effectief) kon worden gehoord. De verdediging heeft aldus geen gebruik kunnen maken van haar ondervragingsrecht. Daar staat tegenover dat de verklaring van [medeverdachte 1] niet sole and decisive is. De WOD’er heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over het de ontmoetingen tussen hem, [medeverdachte 1] en de verdachte. De WOD’er is hierover door de verdediging ondervraagd bij de raadsheer-commissaris. Ook overigens bevat het dossier voldoende bewijs dat de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteunt. Zo heeft de verdachte deelgenomen aan meerdere tapgesprekken die kunnen worden gelinkt aan cocaïnehandel. Daarnaast is cocaïne aangetroffen bij de verdachte, waarvan hij heeft bekend dat die van hem was. De verklaring van [medeverdachte 1] kan daarom worden gebruikt voor het bewijs.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Voorwaardelijk verzoek
Bij pleidooi heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een viertal getuigen gedaan. Wanneer het hof de verklaring van de verdachte niet volgt, wenst de verdediging de volgende getuigen te horen:
- medeverdachte [medeverdachte 7] (ZD Rusland);
- medeverdachte [medeverdachte 13] (ZD Schiedam);
- medeverdachte [medeverdachte 15] (ZD Latex) en
- medeverdachte [medeverdachte 5] (ZD Solus).
Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 15] geldt dat het hof van oordeel is dat de door de verdediging gestelde voorwaarde niet is vervuld. De verdachte heeft ter terechtzitting immers erkend dat de gesprekken tussen hem en [medeverdachte 15] over MDMA gaan en het hof volgt deze lezing. Reeds om die reden komt het hof niet toe aan het verzoek. Overigens heeft te gelden dat [medeverdachte 15] in de zaak van de verdachte geen belastende verklaring over de verdachte heeft afgelegd en dat geen noodzaak is gebleken tot het horen van deze getuige.
Inleiding
primairhij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 28 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Haarlem en/of Haarlemmermeer, althans in Nederland, en/of te Colombia, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(zaaksdossier Schokkerweg) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie over de aanwezigheid en kenmerken van containers in de haven gedeeld met elkaar, en/of
- een opslagplaats voor een of meer container(s) gezocht, en/of
- instructies betreffende het vervoeren van die container(s) en/of het vinden van een opslagplaats gedeeld met medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], en/of
(zaaksdossier Solus), meermalen althans eenmaal, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie gedeeld met [medeverdachte 5], over het gereed hebben/houden van geld bestemd voor de betaling van een of meer partijen cocaïne, en/of
(zaaksdossier Schiphol) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie gedeeld met [medeverdachte 6] over de wijze waarop via luchthaven Schiphol verdovende middelen kunnen worden ingevoerd en/of de informatie over aankomst van verdovende middelen op die luchthaven en/of informatie over beschikbaarheid van de faciliteit om verdovende middelen in te voeren, en/of
(zaaksdossier Rusland) meermalen althans eenmaal, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) met dit doel,
- ( telefonisch) contact onderhouden met en/of inlichtingen gegeven aan [medeverdachte 7] over (een) afnemer(s)n en/of prijzen van die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA en/of
- deelgenomen aan een of meerdere ontmoeting(en) tussen hem, [verdachte] en/of [medeverdachte 7] en/of (een) afnemer(s) voor die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA (in zijn, verdachte's, woning);
(zaaksdossier Colombia)
( a) meermalen althans eenmaal, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie gedeeld met een persoon genaamd [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) over zijn, verdachte's, mogelijkheden van vervoer via een of meer luchthaven(s) en/of wijze waarop een koffer gevuld met twee rugzakken vanuit Bogota in een zogeheten ICA-container kan worden verstuurd en/of de prijzen van een dergelijke zending, en/of
- informatie gedeeld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) over zijn, verdachte's, mogelijkheden van vervoer via een of meer (zee)havens en/of de wijze waarop de zending dient te worden verpakt en/of geladen en/of het moment waarop de zending dient te worden geladen en/of verstuurd, en/of
- reizen naar Colombia ondernomen en ontmoeting(en) geregeld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) en/of bij die ontmoeting(en) documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken, en/of
- een persoon bekend als '[bijnaam 1]' naar Colombia gestuurd om aan verdachte en/of zijn mededader(s) te bevestigen of de zending op de juiste wijze is verpakt en/of geladen en/of de betaling voor de organisatie van het transport in orde te maken, en/of
( b) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),
- een geldbedrag van 5000,-, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en/of overhandigd aan [medeverdachte 12] , welk geldbedrag was bestemd als betaling voor een door [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) te organiseren transport;
subsidiairhij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 28 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Haarlem en/of Haarlemmermeer, althans in Nederland, en/of te Colombia, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(zaaksdossier Schokkerweg) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie over de aanwezigheid en kenmerken van containers in de haven uitgewisseld met elkaar, en/of
- een opslagplaats voor een of meer container(s) gezocht, en/of
- instructies betreffende het vervoeren van die container(s) en/of het vinden van een opslagplaats gedeeld met medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], en/of
(zaaksdossier Solus), meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met [medeverdachte 5], over het gereed hebben/houden van een of meer partijen cocaïne, en/of
(zaaksdossier Schiphol) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met [medeverdachte 6] over de wijze waarop via luchthaven Schiphol verdovende middelen kunnen worden ingevoerd en/of de informatie over aankomst van verdovende middelen op die luchthaven en/of informatie over beschikbaarheid van de faciliteit om verdovende middelen in te voeren, en/of
(zaaksdossier Rusland) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- ( telefonisch) contact onderhouden met en/of informatie uitgewisseld met [medeverdachte 7] over (een) afnemer(s)n en/of prijzen van die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA en/of
- deelgenomen aan een of meerdere ontmoeting(en)
Feiten
Het verzoek tot het horen van de getuigen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 5] wordt afgewezen aangezien de verdachte gelet op de vrijspraak ten aanzien van de zaaksdossiers Schiedam (dagvaarding I, feit 2) en Solus (dagvaarding I, feit 1 subsidiair, impliciet cumulatief) bij het horen van deze getuigen geen belang meer heeft, althans uit de onderbouwing blijkt niet welk belang de verdachte bij deze stand van zaken nog zou hebben bij het horen van deze getuige.
De verdachte heeft ter terechtzitting in zaaksdossier Rusland erkend dat de telefoongesprekken tussen hem en medeverdachte [medeverdachte 7] over cocaïne gingen. In die zin volgt het hof de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft echter ook verklaard dat het in de onderlinge gesprekken niet over kilogrammen maar grammen cocaïne ging. Het hof begrijpt het verzoek van de verdediging aldus dat hij ter staving van deze uitleg de andere gesprekspartner, zijnde [medeverdachte 7], wenst te horen. Een nadere onderbouwing ontbreekt.
Tijdens de regiezitting van 1 juli 2022 heeft de verdediging ook om het horen van de getuige [medeverdachte 7] verzocht. Toen betoogde de verdediging dat hij diende te worden aangemerkt als een zogenaamde prosecutor’s witness en dat daarmee het belang bij het horen van deze getuige verondersteld kon worden.
Het hof stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 7] in zijn verhoren geen ten aanzien van de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd. Medeverdachte [medeverdachte 7] heeft zich in alle verhoren op zijn zwijgrecht beroepen. Voor zover de verdediging erop doelt dat ook de telefoongesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 7] als belastende verklaring dienen te worden aangemerkt, volgt het hof de verdediging hierin niet. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 7] hebben diverse gesprekken gevoerd waarbij zij zich van versluierd taalgebruik bedienden. De verdachte heeft erkend dat het in deze gesprekken om de verkoop van cocaïne ging. Het is de verdachte, zo begrijpt het hof, enkel te doen om de uitleg van de getallen die hij en [medeverdachte 7] noemen, waarbij naar de lezing van de verdachte moet worden uitgegaan van grammen en niet van kilo’s en daarmee corresponderende prijzen. Het hof is van oordeel dat de verdediging de noodzaak tot het horen van de getuige [medeverdachte 7] onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid, zoals hiervoor reeds overwogen bij de beoordeling van zaaksdossier Rusland dat de lezing van de verdachte onwaarschijnlijk en niet geloofwaardig is. Een eventuele bevestiging door de medeverdachte van de lezing zou dit oordeel niet anders kunnen maken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door,
- zich of een ander trachten gelegenheid of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van dat feit;
- anderen trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen,
- anderen trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij weet dat dit bestemd is tot het plegen van dat feit.
Het in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van de voorbereiding van handel in (grote hoeveelheden) cocaïne en aan het medeplegen van de voorbereiding van het vervaardigen van MDMA. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne. Tot slot heeft de verdachte bijna één kilo cocaïne, bijna een halve kilo MDMA en 62 stuks kogelpatronen aanwezig/voorhanden gehad.
De verdachte heeft contacten onderhouden met leveranciers van cocaïne uit Zuid-Amerika over het vervoer en de betaling van cocaïne. Hij is ook tweemaal voor een korte periode naar Colombia afgereisd. Daarnaast heeft hij intensief contact onderhouden met afnemers van cocaïne en met personen die afnemers konden regelen. Daarbij heeft de verdachte vaak als tussenpersoon gefungeerd, zoals hij zelf ook ter zitting heeft verklaard. Bovendien heeft hij zelf cocaïne verstrekt vanuit zijn eigen huis en heeft hij in zijn huis bijeenkomsten gehad waarbij over de grootschalige handel in cocaïne is gesproken. Het schijnbare gemak waarmee de verdachte de juiste personen wist te vinden en het directe contact met verkopende partijen in Colombia, mogelijk van het drugskartel [drugskartel], wijzen erop dat de verdachte langere tijd en intensief is betrokken bij de handel in verdovende middelen.
De handel in harddrugs gaat veelal gepaard met geweld en criminaliteit, variërend van milieu- en vermogenscriminaliteit tot liquidaties. Harddrugs zijn zeer verslavend en kunnen ernstige schade toebrengen aan de volksgezondheid. De verdachte is slechts uit geweest op zijn eigen financiële gewin en heeft zich op geen enkel moment rekenschap gegeven van de nadelige gevolgen van zijn handelen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
25 augustus 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet recentelijk onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst en de veelheid aan strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd, enkel een lange gevangenisstraf op zijn plaats is.
Inleiding
tussen hem, [verdachte] en/of [medeverdachte 7] en/of (een) afnemer(s) voor die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA (in zijn, verdachte's, woning);
(zaaksdossier Colombia)
( a) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met een persoon genaamd [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) over zijn, verdachte's, mogelijkheden van vervoer via een of meer luchthaven(s) en/of wijze waarop een koffer gevuld met twee rugzakken vanuit Bogota in een zogeheten ICA-container kan worden verstuurd en/of de prijzen van een dergelijke zending, en/of
- informatie uitgewisseld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) over zijn, verdachte's, mogelijkheden van vervoer via een of meer (zee)havens en/of de wijze waarop de zending dient te worden verpakt en/of geladen en/of het moment waarop de zending dient te worden geladen en/of verstuurd, en/of
- reizen naar Colombia ondernomen en ontmoeting(en) geregeld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) en/of bij die ontmoeting(en) documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken, en/of
- een persoon bekend als '[bijnaam 1]' naar Colombia gestuurd/aangestuurd om aan verdachte en/of zijn mededader(s) te bevestigen of de zending op de juiste wijze is verpakt en/of geladen en/of de betaling voor de organisatie van het transport in orde te maken, en/of
( b) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),
- een geldbedrag van 5000,-, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en/of overhandigd aan [medeverdachte 12], welk geldbedrag was bestemd als betaling voor een door [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1] en/of [PIN-ID 2]) te organiseren transport;
2.hij op of omstreeks 20 december 2016 (zaaksdossier Schiedam) en/of op of omstreeks 17 mei 2017 (zaaksdossier Rusland) te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer malen,
opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 09-818275-17 (dagvaarding II, gevoegd):
1. primairhij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, en/of het vervoeren van die voormelde hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, als volgt heeft gehandeld
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een persoon, bekend als '[bijnaam 2]', die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of heeft/hebben met deze persoon onderhandeld over de aankoop van de 250 kilo cocaïne, en/of
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s)[nummer 1] en/of [nummer 2], en heeft/hebben met een van hen een ontmoeting georganiseerd met het doel om geld te tonen bestemd voor de aankoop van de drugs, en/of
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben contact gezocht met een of meer personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of verdelen van opbrengsten;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verkopen, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft/hebben getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia gezocht en/of verkregen en/of;
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s);
- met dit doel contact gezocht en/of gehad met een persoon, bekend als ‘[bijnaam 2]’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of;
- onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of enkele dagen over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en/of;
- contact gezocht en/of gehad met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en een ontmoeting met pseudodienstverlener [nummer 2] georganiseerd met het doel om geld te tonen en/of;
- contact gezocht en/of gehad met een of meer personen in Nederland over het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verdelen van de opbrengsten van die verkoop en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van cocaïne;
- zijn, verdachtes, woning beschikbaar gesteld voor besprekingen en/of ontmoetingen over het bereiden, verwerken, afleveren, verkopen, strekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne;
2.hij op of omstreeks 28 juni 2017 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 1005 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- 364 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij te 's-Gravenhage, op of omstreeks 28 juni 2017, munitie van categorie III, te weten 62 stuks 9mm patronen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 09-817118-18 (dagvaarding III, gevoegd):
1.
Inleiding
primair(zaaksdossier Schiedam)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 25 mei 2017 te 's-Gravenhage en/of Schiedam, althans in Nederland, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel:
- ( telefonisch) contact onderhouden met en/of afspraken gemaakt met [medeverdachte 13] en/of[medeverdachte 14] en/of anderen over de levering van cocaïne en/of het ruilen van cocaïne en/of de kwaliteit en/of prijzen van te verhandelen cocaïne;
subsidiair(zaaksdossier Schiedam)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 25 mei 2017 te 's-Gravenhage en/of Schiedam, althans in Nederland, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel:
- ( telefonisch) contact onderhouden met en/of afspraken gemaakt met [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of anderen over de levering van cocaïne en/of het ruilen van cocaïne en/of de kwaliteit en/of prijzen van te verhandelen cocaïne;
2.(zaaksdossier Latex)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2017 tot en met 8 mei 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) stof(fen) vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte(n) met dit doel:
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 16] en/of anderen over de levering en/of produktie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of anderen over de beschikbaarheid van apparatuur en/of faciliteit ten behoeve van de productie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of de verdeling van het eindproduct en/of opbrengst;
subsidiair(zaaksdossier Latex)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2017 tot en met 8 mei 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) stof(fen) vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of [medeverdachte 15] gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte met dit doel:
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 16] en/of anderen over de levering en/of produktie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of anderen over de beschikbaarheid van apparatuur en/of faciliteit ten behoeve van de productie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of de verdeling van het eindproduct en/of opbrengst.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, het bij dagvaarding II onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde en het bij dagvaarding III onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 primair, in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – zonder nadere motivering - behoort te worden vrijgesproken.
Daarnaast zal het hof de verdachte vrijspreken van een aantal zaaksdossiers, te weten Schiedam, Schiphol en Solus.
Schiedam (dagvaarding I, feit 2 en dagvaarding III, feit 1)
Ten aanzien van de vrijspraak van zaaksdossier Schiedam overweegt het hof als volgt.
De verdachte wordt in dit zaaksdossier - kort gezegd - verweten het medeplegen van verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. Voorts is tenlastegelegd het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne.
Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte en [medeverdachte 13] al lange tijd bevriend zijn en dat zij regelmatig contact hadden. Een aantal van hun telefoongesprekken is afgeluisterd. Door de verdachte is aangegeven dat het in deze gesprekken om de verkoop van vuurwerk, cannabis en (dure) horloges ging. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de gesprekken (ook) zien op de verkoop van cocaïne.
Het hof overweegt dat uit verschillende afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat die inderdaad over Rolex-horloges en over vuurwerk gaan. In een aantal van die gesprekken worden er expliciet types Rolex-horloges genoemd en wordt het woord ‘vuurwerk’ gebruikt. Daarnaast is van een aantal telefoongesprekken niet aanstonds duidelijk waarover (over welk product) gesproken wordt en is sprake van versluierd taalgebruik. Volgens het Openbaar Ministerie gaat het dan om cocaïne. Aan het Openbaar Ministerie kan worden nagegeven dat het (ook) goed mogelijk is dat die gesprekken gaan over cocaïne. Bijvoorbeeld wordt in een gesprek van 22 december 2016 gesproken over “moksi meti” (vertaling: ‘gemengd vlees’ of ‘mengelmoes’). Ook is er het gesprek van 21 mei 2017, waar gesproken wordt over een boek, dat ‘schoon en kristel’ moet zijn en waar getallen worden genoemd die overeen lijken te komen met de prijs voor cocaïne in die tijd.
Inleiding
Het hof merkt op dat de gesprekken over een langere periode plaatsvonden, waarbij, naast de gesprekken in december 2016, het gesprek in maart 2017 en in mei 2017 belastend zijn, maar op zichzelf, zonder ander bewijs, zijn deze onvoldoende om het hof tot de overtuiging te brengen dat het om (de verkoop van) cocaïne gaat. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende andere aanwijzingen zijn dat het om cocaïne gaat. Er is bij [medeverdachte 13] geen cocaïne aangetroffen. Er zijn in het dossier geen verklaringen van getuigen met betrekking tot [medeverdachte 13] en (voorbereidingshandelingen met betrekking tot of handel in) cocaïne. Het hof betrekt hierbij ook nog dat de verdachte in een gesprek van 8 februari 2017 met [medeverdachte 13] zegt: ”ik zeg nog neem die fucking Nkroon (fon)”, waarbij het hof ervan uitgaat dat een Encrochat telefoon wordt bedoeld, in combinatie met het feit dat [medeverdachte 13] op 14 december 2016 een pand bezocht heeft waar later diezelfde dag een groot aantal van die telefoons zijn aangetroffen, maar dat dit nog niet tot de conclusie kan leiden dat [medeverdachte 13] zo’n telefoon daadwerkelijk in zijn bezit had of in gebruik had.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van een ander zaaksdossier aangegeven voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne te hebben gepleegd en bij zijn aanhouding eind juni 2017 is een blok van (ongeveer) één kilo cocaïne aangetroffen. Dit, en ook hetgeen uit de andere zaaksdossiers volgt is evenwel onvoldoende voor het hof om de overtuiging te bekomen dat de verdachte het in dit zaaksdossier tenlastegelegde heeft begaan.
Schiphol (dagvaarding I, feit 1 subsidiair)
Ten aanzien van de vrijspraak van zaaksdossier Schiphol overweegt het hof als volgt.
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat uit de tapgesprekken die de verdachte met [medeverdachte 6] heeft gevoerd niet zonder meer kan worden afgeleid dat zij betrokken waren bij de invoer van cocaïne en omdat het dossier daarvoor ook overigens onvoldoende aanknopingspunten bevat.
Het hof volgt de raadsman niet in het verweer dat het Openbaar Ministerie op grond van het bepaalde in artikel 416 lid 3 Sv niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de advocaat-generaal bij requisitoir te kennen heeft gegeven dat hij niet langer bezwaren heeft tegen de door de rechtbank bij vonnis van 10 februari 2020 gegeven vrijspraak in het dossier Schiphol.
Namens het Openbaar Ministerie is in deze zaak een schriftuur (appelmemorie) houdende grieven ingediend. Deze grieven waren mede gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak in de zaak Schiphol. Ter gelegenheid van de regiezitting van 1 juli 2022 heeft de advocaat-generaal deze grieven gehandhaafd. Vervolgens is de zaak op 14 en 15 september 2023 inhoudelijk behandeld, zonder dat de advocaat-generaal op enig moment te kennen had gegeven dat hij het hoger beroep niet wilde doorzetten. Dat de advocaat-generaal zijn grieven niet langer heeft gehandhaafd en het hoger beroep niet wenste voort te zetten (in de zin van art. 416 lid 3 Sv) kan dan ook niet worden aangenomen. Kennelijk heeft de advocaat-generaal de inhoudelijke behandeling willen afwachten en pas naar aanleiding daarvan het standpunt ingenomen dat hij zich niet langer tegen die vrijspraak verzet. Deze gang van zaken leidt naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid.
Het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de zaak Schiphol, wordt verworpen.
Solus (dagvaarding I, feit 1)
Ten aanzien van de vrijspraak van zaaksdossier Solus overweegt het hof als volgt.
Vastgesteld kan worden dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] in de periode vanaf 13 januari tot en met 31 januari 2017 verschillende (chat)gesprekken hebben gevoerd, waarin in versluierde taal wordt gesproken.
Het is het hof echter niet voldoende duidelijk waar deze gesprekken precies betrekking op hebben. Dat de door de verdachte en/of [medeverdachte 5] genoemde getallen (‘400k’, ‘50’, ‘50k’ en ‘350’, ‘25k’) betrekking hebben op hoeveelheden cocaïne heeft het hof niet kunnen vaststellen. Het zou hier ook kunnen zijn gegaan om geldbedragen, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Indien (inderdaad) zou worden aangenomen dat de verdachte en [medeverdachte 5] over geldbedragen hebben gesproken, kan het hof bovendien niet vaststellen of die geldbedragen op hun beurt te relateren zijn aan de handel in cocaïne.
Inleiding
Dat van de verdachte en [medeverdachte 5] in het algemeen kan of zou kunnen worden aangenomen dat zij in die periode betrokken waren bij de handel/vervoer van cocaïne, acht het hof daarvoor onvoldoende.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
in de zaak met parketnummer 09-809054-16 onder 1 subsidiair en 2 en
in de zaak met parketnummer 09-818275-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en
in de zaak met parketnummer 09-817118-18 onder 2 subsidiair tenlastegelegde
heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 09-809054-16 (dagvaarding I):
1.hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 28 juni 2017 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Haarlem en/of Haarlemmermeer, althans in Nederland, en/of te Colombia, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
(zaaksdossier Schokkerweg) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie over de aanwezigheid en kenmerken van containers in de haven uitgewisseld met elkaar, en/of
- een opslagplaats voor een of meer container(s) gezocht, en/of
- instructies betreffende het vervoeren van die container(s) en/of het vinden van een opslagplaats gedeeld met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], en/of
(zaaksdossier Solus), meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met [medeverdachte 5], over het gereed hebben/houden van een of meer partijen cocaïne, en/of
(zaaksdossier Schiphol) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met [medeverdachte 6] over de wijze waarop via luchthaven Schiphol verdovende middelen kunnen worden ingevoerd en/of de informatie over aankomst van verdovende middelen op die luchthaven en/of informatie over beschikbaarheid van de faciliteit om verdovende middelen in te voeren, en/of
(zaaksdossier Rusland) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- ( telefonisch) contact onderhouden met en/of informatie uitgewisseld met [medeverdachte 7] over (een) afnemer(s)n en/of prijzen van die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA en/of
- deelgenomen aan een of meerdere ontmoeting(en) tussen hem, [verdachte], en/of [medeverdachte 7] en/of (een) afnemer(s) voor die hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA (in zijn, verdachte’s, woning);
(zaaksdossier Colombia)
( a) meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of zijn mededader(s) gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte(n) met dit doel
- informatie uitgewisseld met een persoon genaamd [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1 en/of PIN-ID 2]) over zijn, verdachte’s, mogelijkheden van vervoer via een of meer luchthaven(s) en/of wijze waarop een koffer gevuld met twee rugzakken vanuit Bogota in een zogeheten ICA-container kan worden verstuurd en/of de prijzen van een dergelijke zending, en/of
- informatie uitgewisseld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1 en/of PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) over zijn, verdachte’s, mogelijkheden van vervoer via een of meer (zee)havens en/of de wijze waarop de zending dient te worden verpakt en/of geladen en/of het moment waarop de zending dient te worden geladen en/of verstuurd, en/of
- reizen naar Colombia ondernomen en ontmoeting(en) geregeld met die [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1 en/of PIN-ID 2]) en/of een persoon bekend onder de naam [medeverdachte 10] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 11] ([PIN-ID 3]) en/of bij die ontmoeting(en) documenten en/of foto's en/of filmbestanden en/of usb-sticks verstrekt en/of ontvangen en/of getoond en/of bekeken, en/of
- een persoon bekend als ‘[bijnaam 1]’ naar Colombia gestuurd/aangestuurd om aan verdachte en/of zijn mededader(s) te bevestigen of de zending op de juiste wijze is verpakt en/of geladen en/of de betaling voor de organisatie van het transport in orde te maken, en/of
( b) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),
- een geldbedrag van 5000,-, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en/of overhandigd aan [medeverdachte 12], welk geldbedrag was bestemd als betaling voor een door [medeverdachte 8] en/of een persoon bekend onder PIN-ID [medeverdachte 9] ([PIN-ID 1 en/of PIN-ID 2]) te organiseren transport;
2.hij op of omstreeks 20 december 2016 (zaaksdossier Schiedam) en/of op of omstreeks 17 mei 2017 (zaaksdossier Rusland) te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer malen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 09-818275-17 (dagvaarding II, gevoegd):
1.hij in de periode van 23 tot en met 28 juni 2017 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verkopen, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilo, althans een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander heeft/hebben getracht daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte met dit doel de contactgegevens van een leverancier van cocaïne uit Colombia gezocht en/of verkregen en/of;
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s);
- met dit doel contact gezocht en/of gehad met een persoon, bekend als ‘[bijnaam 2]’, die over een grote hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne kon beschikken en/of;
- onderhandeld met deze persoon over de aankoop van een hoeveelheid van 1000 kilo cocaïne en/of enkele dagen over de aankoop van een deel daarvan, te weten een hoeveelheid van 250 kilo cocaïne en/of;
- contact gezocht en/of gehad met een of meer tussenperso(o)n(en), te weten pseudodienstverlener(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en een ontmoeting met pseudodienstverlener [nummer 2] georganiseerd met het doel om geld te tonen en/of;
- contact gezocht en/of gehad met een of meer personen in Nederland over
Inleiding
het verkopen van gedeelten van die grote hoeveelheid cocaïne en/of het verdelen van de opbrengsten van die verkoop en/of het verzamelen van het geld benodigd voor de aankoop van cocaïne;
- zijn, verdachtes, woning beschikbaar gesteld voor besprekingen en/of ontmoetingen over het bereiden, verwerken, afleveren, verkopen, strekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne;
2.hij op of omstreeks 28 juni 2017 te ‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 1005983 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- 364 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en/of MDMA een middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij te ‘s-Gravenhage, op of omstreeks 28 juni 2017, munitie van categorie III, te weten 62 stuks 9mm patronen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 09-817118-18 (dagvaarding III, gevoegd):
2.(zaaksdossier Latex)
hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 februari 2017 tot en met 8 mei 2017 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland, samen met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) stof(fen) vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
meermalen althans eenmaal, zichzelf en/of [medeverdachte 15] gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, hebbende verdachte met dit doel:
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 16] en/of anderen over de levering en/of produktieproductie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of
- ( telefonisch) contact onderhouden met [medeverdachte 15] en/of anderen over de beschikbaarheid van apparatuur en/of faciliteit ten behoeve van de productie van middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet en/of de verdeling van het eindproduct en/of opbrengst.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsmotivering
Zaaksdossier Colombia (dagvaarding I, feit 1)
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een (nieuwe) verklaring afgelegd ten aanzien van zaaksdossier Colombia. Kort gezegd heeft de verdachte erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne in Nederland. Ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op – samengevat – de informatie-uitwisseling met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] van de mogelijkheden van vervoer via een of meer luchthavens en de wijze waarop een koffer met twee rugzakken kan worden verstuurd, is door de verdediging vrijspraak bepleit (dagvaarding I, zaaksdossier Colombia, (a), eerste liggende streepje). Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ten aanzien van dit onderdeel verklaard dat in de twee rugzakken 16 kilogram van een materiaal bevattende coltan zou worden vervoerd.
Ter terechtzitting heeft de verdachte uitgelegd dat coltan een zeer waardevol gesteente is dat bestaat uit de mineralen columbiet en tantaliet. Het heeft diverse industriële toepassingen bij de productie van onder andere elektronische apparaten. Om het gesteente uit te kunnen voeren dien je over bepaalde licenties te beschikken, welke de verdachte niet had. Vandaar dat de verdachte brokken bevattende coltan heimelijk wilde uitvoeren uit Colombia en vervolgens invoeren in Nederland. Volgens de verdachte was met de aanschaf van deze brokken een bedrag van € 25.000,- gemoeid. De verdachte heeft verklaard dat de brokken samen ongeveer 12 tot 15 kilogram wogen, later verklaarde hij dat ze samen 16 kilogram wogen. Het betrof ruwe brokken waar met een speciale machine in Nederland de coltan nog uit moest worden gewonnen. Speciaal voor de aanschaf is de verdachte naar Colombia afgereisd, aldus de verdachte. De verdachte wilde zodra hij over de coltan beschikte deze aan bedrijven verkopen. De verkoopprijs per kilo coltan bedroeg destijds tussen de € 2.500,- en € 3.000,-, aldus de verdachte. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat wanneer ongeveer 10% van de brokken gesteente coltan zou bevatten hij redelijk tevreden zou zijn.
Het hof overweegt het volgende ten aanzien van de verklaring van de verdachte. De verdachte blijkt geen kennis over coltan te hebben anders dan ten aanzien van de algemene toepassingen van coltan. De verdachte kan geen enkele potentiële afnemer noemen en weet niet waar hij de brokken in Nederland zou laten bewerken en hoe dit geschiedt. Voorts bieden de opgenomen gesprekken geen concrete aanwijzingen naar coltan en heeft de verdachte geen enkel document of correspondentie geproduceerd met een aanwijzing dat hij op enigerlei wijze zich bezig zou houden met coltan. Tot slot laat het hof zwaar wegen dat de geschetste deal die de verdachte zou hebben gemaakt uitermate verliesgevend zou zijn geweest. Ter terechtzitting is de verdachte voorgerekend dat 10% coltan van 16 kg gesteente 1,6 kg coltan oplevert. Uitgaande van de hoogste verkoopprijs die de verdachte heeft genoemd zou dit een opbrengst van € 4.800,- betekenen terwijl de inkoopprijs € 25.000,- bedroeg vermeerderd met de kosten van de reis naar en het verblijf in Colombia. Hiermee geconfronteerd heeft de verdachte geen verklaring kunnen geven voor dit aanzienlijke verlies.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij naar Colombia is gereisd om coltan te kopen en de gesprekken die hij voerde over vervoer via een of meer luchthavens en de wijze waarop dit verpakt zou moeten worden, volstrekt ongeloofwaardig is. Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat de informatie-uitwisseling met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] (en [medeverdachte 11]) ten aanzien van het vervoer via een of meer zeehavens en de wijze van verpakking (dagvaarding I, zaaksdossier Colombia, (a), tweede liggende streepje) wel over cocaïne ging. Gelet op de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte, het feit dat de verdachte met dezelfde personen ook informatie heeft uitgewisseld over de mogelijkheden van vervoer via een of meer luchthavens en de wijze van verpakking in dezelfde periode, komt het hof met de rechtbank tot het oordeel dat ook deze gesprekken en informatie-uitwisseling op het vervoer van cocaïne zag.
Inleiding
Het hof acht daarmee ook de feitelijkheden als uitgestreept in de bewezenverklaring onder dagvaarding I, zaaksdossier Colombia, (a), eerste liggende streepje bewezen.
Zaaksdossier Rusland (dagvaarding I, feiten 1 en 2)
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij zich heeft bezig gehouden met de handel in cocaïne. Hij heeft verklaard dat de in het dossier opgenomen tapgesprekken tussen hem en medeverdachte [medeverdachte 7] inderdaad betrekking hadden op (de handel in) cocaïne.
Volgens de verdachte ging het in die gesprekken echter steeds om verpakkingen van grammen cocaïne. De in de tapgesprekken genoemde bedragen (onder meer “20.5” en “21”) hebben dus ook alleen betrekking op de prijs van grammen en niet op kilo’s cocaïne, aldus de verdachte.
Het hof gaat niet mee in de verklaring van de verdachte dat hij met [medeverdachte 7] ‘slechts’ over grammen en dus niet over kilo’s heeft gesproken en overweegt daarover het volgende.
Uit verschillende telefoongesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 7] in de periode vanaf 7 mei 2017 tot en met
17 mei 2017 blijkt dat [medeverdachte 7] als tussenpersoon optreedt namens derden die een partij cocaïne willen afnemen en dat hij in dat kader met [verdachte] uitgebreid over de prijs van de af te nemen cocaïne onderhandelt. Verder blijkt dat één van de beoogde afnemers (‘[bijnaam 3]’) grote moeite heeft met het bij elkaar krijgen van genoeg ‘papier’ (het hof begrijpt: geld), zodanig dat dit ertoe leidt dat de voorgenomen transactie niet doorgaat. Vervolgens heeft [medeverdachte 7] nieuwe mogelijke afnemers gevonden die wel het benodigde ‘papier’ hebben. Klaarblijkelijk gaat het om zo veel geld dat het eerst door [medeverdachte 7] geteld moet worden, die vervolgens constateert dat deze afnemers “600 te weinig” hebben. Als het eenmaal geregeld is (de afnemers hebben genoeg geld) rijdt [medeverdachte 7] vanuit België naar Dordrecht om vervolgens samen met de afnemers naar de woning van [verdachte] in Den Haag te rijden. Daar worden (in de woorden van [medeverdachte 7]) “twee dingetjes” verkocht. Als dit is gebeurd, rijdt [medeverdachte 7] met de afnemers naar Oudenbosch en daarna scheiden hun wegen; [medeverdachte 7] rijdt terug naar België.
Naar het oordeel van het hof is de hiervoor weergegeven gang van zaken (uitgebreide onderhandelingen, het genoemde bedrag van 600, het moeten tellen van geld, de heen- en terugreis naar België) volstrekt niet te verklaren indien ervan zou worden uitgegaan dat het hierbij ging om grammen cocaïne en dat aan de uiteindelijke afnemers slechts 2 gram cocaïne (dus voor een bedrag tussen de 40 en 45 euro) zou zijn verkocht. Op grond van de tapgesprekken kan, in tegendeel, juist worden vastgesteld dat [verdachte] met [medeverdachte 7] heeft gesproken over grotere hoeveelheden waarvoor veel geld nodig was.
Verder kan uit een door de verdachte en [medeverdachte 7] op 15 juni 2017 gevoerd telefoongesprek worden opgemaakt dat met de handel waarmee zij zich bezig hielden relatief (zeer) grote bedragen gemoeid waren. Immers, in dat gesprek merkt [medeverdachte 7] naar aanleiding van een transactie die niet is doorgegaan op dat “ze” (de beoogde afnemers) [medeverdachte 7] en [verdachte] negen ton door de neus hebben geboord.
Ten slotte kan uit de onderzoeksresultaten in het onderzoek 26Midway worden geconcludeerd dat de verdachte beschikte over een blok cocaïne van (ongeveer) 1 kilo. Een dergelijk blok is kort na het laatste zakelijke gesprek tussen [medeverdachte 7] en de verdachte bij laatstgenoemde thuis aangetroffen, inclusief het nodige verpakkingsmateriaal en versnijdingsmiddelen voor cocaïne. Ook dit verdraagt zich niet met de lezing van de verdachte dat hij in ‘grammen’ handelde.
Dat de verdachte betrokken was bij de handel in blokken cocaïne zoals bij hem aangetroffen, wordt bevestigd door het tapgesprek waarin hij aan [medeverdachte 7] vraagt welk “logo” hij wil. Algemeen bekend is dat op voor de handel geschikt gemaakte blokken cocaïne veelal een logo c.q. stempel is aangebracht.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij handelde in grammen (en dus niet in kilo’s) cocaïne onwaarschijnlijk en niet geloofwaardig is, zodat zijn verklaring in zoverre wordt verworpen.
Zaaksdossier Schokkerweg (dagvaarding I, feit 1)
In het zaaksdossier Schokkerweg wordt kort gezegd aan de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 4] het verwijt gemaakt dat zij zich met anderen schuldig hebben gemaakt aan strafbare voorbereiding of bevordering van de invoer van cocaïne of van het betrekking tot die stof te verrichten gedragingen zoals de verkoop, de aflevering of het vervoer ervan. Het verwijt aan de verdachte veronderstelt dat hij deze handelingen opzettelijk heeft verricht, met name waar het gaat om het met die gedraging beoogde resultaat.
Het procesdossier zoals gepresenteerd door het openbaar ministerie bestaat voornamelijk uit een weergave van afgetapte telefoongesprekken en enkele observaties, terwijl de verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen.