Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-06-20
ECLI:NL:GHDHA:2023:1414
Strafrecht
Hoger beroep
1,759 tokens
Inleiding
PROMIS
Rolnummer: 22-000637-22
Parketnummer: 09-005402-22
Datum uitspraak: 20 juni 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 februari 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren te [plaats] ([Land]) op [datum],
BRP-adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 januari 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door met een bestelauto op die [slachtoffer] in te rijden, althans tegen die [slachtoffer] aan te rijden.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep een herhaald verzoek gedaan om de – tot op heden niet getraceerde – getuige [getuige] te horen.
De raadsvrouw heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de door de getuige [getuige] afgelegde belastende verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat de verdediging na een in hoger beroep gedaan en toegewezen verzoek daartoe, [getuige] – en ondanks de nodige inspanningen van de raadsheer-commissaris - niet als getuige heeft kunnen horen, nu de getuige niet kon worden getraceerd aan de hand van de beschikbare gegevens in het dossier, te weten alleen een voor- en achternaam en zijn geboortedatum. Na uitsluiting van de verklaring van [getuige] is het het verhaal van de verdachte tegenover het verhaal van de aangever.
De verdachte dient dan ook bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt ten aanzien daarvan als volgt.
Voor de beantwoording van de vraag of een bewezenverklaring van het tenlastegelegde mede gebaseerd kan worden op de door de getuige [getuige] tegenover de politie afgelegde belastende verklaring, welke getuige de verdediging - ondanks het nodige initiatief daartoe - niet in enig stadium van het geding heeft kunnen ondervragen, dient het hof te toetsen of de procedure voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De beslissende getuige [getuige] heeft een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief daartoe – niet het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Het hof acht de verklaring binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek van dermate gewicht dat – bij afwezigheid van compenserende factoren - een bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet mede gegrond kan worden op deze verklaring. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’.
Nu het procesdossier – naast de verklaring van de aangever – geen andere bewijsmiddelen bevat op grond waarvan vastgesteld kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, is onvoldoende wettig bewijs voorhanden voor hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan geheel dient te worden vrijgesproken.
Het herhaalde verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [getuige] behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking en beslissing.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 1.689,56.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van EUR 339,56.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door
mr. B.P. de Boer, mr. B. Stapert en mr. A.H.T. de Haas,
in bijzijn van de griffier mr. J.A. Gram.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2023.
mr. B. Stapert is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
mr. A.H.T. de Haas is buiten staat dit arrest te ondertekenen.