Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2023-06-13
ECLI:NL:GHDHA:2023:1230
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
886 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-22/00878 t/m BK-22/00883
Uitspraak van 13 juni 2023 ter herstel van de uitspraak van 10 mei 2023
in de gedingen tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
gedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 10 mei 2023, nrs. BK-22/00878 t/m BK-22/00883, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 juni 2022, nummers SGR 20/5679, SGR 20/5906, SGR 20/5907, SGR 20/5908 en SGR 20/5910.
De uitspraak in het hoger beroep
1.1.
Het Hof heeft in deze zaken op 10 mei 2023 uitspraak gedaan (de uitspraak).
1.2.
Bij e-mailbericht van 5 juni 2023 heeft de Heffingsambtenaar laten weten dat de uitspraak een kennelijke misslag bevat die ertoe leidt dat de Heffingsambtenaar is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in plaats van de minister voor Rechtsbescherming (de Minister) en heeft daarom verzocht om verbetering van de uitspraak. In deze procedure is de Minister niet om een reactie gevraagd en evenmin uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. Gelet op de beleidsregel van de minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 (Stcrt. 2014, 20210), mag ervan worden uitgegaan dat de Minister afziet van een uitlating over dit verzoek.
1.3.
Het Hof heeft na kennisneming van het hiervoor bedoelde e-mailbericht bevonden dat de uitspraak inderdaad de door de Heffingsambtenaar geconstateerde misslag bevat. Uit de motivering van de beslissing volgt immers dat het hoger beroep alleen gegrond is voor zover dit betrekking heeft op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure en dat de Minister moet worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende ten bedrage van € 500. Hieruit volgt dat de Minister moet worden veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van de proceskosten en het griffierecht; niet de Heffingsambtenaar. Naar het oordeel van het Hof is sprake van een kennelijke fout die zich leent voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak.
1.4.
Herstel van deze misslag brengt mee dat in rechtsoverweging 6.2. en in het dictum van de uitspraak de zinsnede “de Heffingsambtenaar” wordt vervangen door: “de minister voor Rechtsbescherming”.
1.5.
Het Hof zal de verbeteringen zoals hiervoor in rechtsoverweging 1.4. zijn vermeld op de minuut doorvoeren en verstaat dat de uitspraak aldus verbeterd moet worden gelezen.
Dictum
Het Gerechtshof:
verbetert de hierboven vermelde misslag in de uitspraak van 10 mei 2023, nrs. BK-22/00878 t/m BK-22/00883, en
stelt de verbeteringen op de minuut van die uitspraak.
Deze hersteluitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en K.G. Scholten, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De beslissing is op 13 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden: