Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2018-01-24
ECLI:NL:GHDHA:2018:76
Strafrecht
Hoger beroep
2,336 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-004737-17
Parketnummer: 09-091956-13
Datum uitspraak: 24 januari 2018
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortejaar] 1975,
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
bij de politie opgegeven [adres] in het buitenland: Bondsrepubliek Duitsland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 januari 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 14 maart 2014 de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 10 oktober 2017, nr. S 15/04856, voormeld arrest van het hof vernietigd en de zaak naar dit hof teruggewezen teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 20 mei 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
- achter die [aangeefster] is gaan staan en/of
- haar hand heeft gestoken in de linker jaszak van die [aangeefster] en/of
- de portemonnee van die [aangeefster] heeft vastgepakt en (vervolgens) deels uit de jaszak van die [aangeefster] heeft gehaald,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt, in het bijzonder niet met de door de politierechter gehanteerde kwalificatie.
Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Namens de verdachte heeft de raadsman zich – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe – zakelijk weergegeven - betoogd dat de verklaring van aangeefster van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu haar verhoor blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft plaatsgevonden zonder bijstand van een (beëdigd) tolk en er dientengevolge onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te komen.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
De verdediging heeft niet onderbouwd in welk opzicht er onjuistheden in het proces-verbaal van aangifte voorkomen (die te wijten zijn aan het feit dat aangeefster niet met behulp van een (beëdigd) tolk is gehoord). De verdediging heeft slechts gesteld dat nergens uit blijkt dat de Nederlandse vertaling overeenstemt met wat aangeefster in het Turks heeft verklaard.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster – met de Bulgaarse nationaliteit – bij het opnemen van haar aangifte zonder beëdigde tolk is gehoord in de Turkse taal.
Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel (dwingend) voorschrijft dat het verhoor van een persoon die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, steeds plaatsvindt met bijstand van een (in het register voor tolken ingeschreven) tolk. Het verhoor kan plaatsvinden in een taal die de te horen persoon en de verbalisant in voldoende mate beheersen. Ook artikel 28 (oud) van de Wet beëdigde tolken en vertalers staat daar niet aan in de weg (ECLI:NL:HR:2014:1446).
Naar het oordeel van het hof zijn er in de onderhavige situatie geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de verklaring van aangeefster in het proces-verbaal van aangifte. Allereerst blijkt uit het proces-verbaal van aangifte dat aangeefster en de verhorende verbalisant de Turkse taal in voldoende mate beheersen, nu in dit proces-verbaal staat gerelateerd dat de verhorende verbalisant de Turkse taal goed machtig is, dat aangeefster heeft verklaard de Turkse taal goed te spreken en te begrijpen en dat zij daarnaast heeft verklaard de verhorende verbalisant goed te verstaan en te begrijpen. Daar komt bij dat de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige]. Het hof acht de verklaring van aangeefster dan ook bruikbaar voor het bewijs.
Voorwaardelijk verzoek horen getuige
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk - namelijk indien het hof van oordeel is dat het proces-verbaal van aangifte wel bruikbaar is voor het bewijs - verzocht om de aangeefster [aangeefster] als getuige te horen.
Gelet op hetgeen reeds hiervoor is overwogen, alsmede gelet op het feit dat het verzoek slechts is onderbouwd met het opperen van de mogelijkheid dat er bij de aangifte iets verkeerd is gegaan in de communicatie, acht het hof het horen van [aangeefster] niet noodzakelijk. Het hof acht zich voldoende voorgelicht. Het hof wijst het verzoek dan ook af.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 20 mei 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
- achter die [aangeefster] is gaan staan en/of
- haar hand heeft gestoken in de linker jaszak van die [aangeefster] en/of
- de portemonnee van die [aangeefster] heeft vastgepakt en (vervolgens) deels uit de jaszak van die [aangeefster] heeft gehaald,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest dan wel in het kader van de tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf in detentie is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2018.
Mr. M.J. de Haan-Boerdijk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.