ECLI:NL:GHDHA:2018:3423
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel
Zaaknummer : 200.197.283/01
Zaaknummer Hoge Raad : 13/04030
Zaaknummer Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch : 200.107.858/01
Zaaknummer rechtbank : 78487/ HA ZA 11-211
Arrest van 31 juli 2018
Inzake
[dochter van de broer van erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: appellante,
advocaat: mr. N.C. van Steijn te Leiden,
tegen
de gezamenlijke erven van [erflater] , zijnde:
- [erfgenaam een] ,
wonende te [woonplaats] en
- [erfgenaam twee] ,
wonende te [woonplaats] ,
alsmede tegen
[vader van de erfgenamen]
wonende te [woonplaats] ,
en [moeder van de erfgenamen] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk te noemen: geïntimeerden,
advocaat: mr. A.J. W. Vugs te Roosendaal.
Verdere verloop van het geding
Voor het verloop van het geding in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 27 juni 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Op 23 januari 2018 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
Appellante heeft op 17 april 2018 een memorie na enquête genomen.
Geïntimeerden hebben op 15 mei 2018 een antwoordmemorie na enquête genomen.
Beide partijen hebben hun (aanvullend) procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
Wijziging bewijsopdracht?
1. Bij arrest van 27 juni 2017 is:
appellante toegelaten door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het doen horen van getuigen, te bewijzen dat [volgt naam] (hierna: erflater) op het moment van het maken van zijn uiterste wil op 20 mei 1999 aan een geestelijke stoornis leed als gevolg waarvan hij zijn wil niet kon bepalen;
iedere verdere beslissing is aangehouden.
2. In haar memorie na enquête heeft appellante gesteld, dat de door het hof geformuleerde bewijsopdracht te strikt is, althans zo kan worden opgevat dat alleen feiten en omstandigheden van 20 mei 1999 relevant zijn. Appellante is van mening dat het hof de bewijsopdracht moet herformuleren en wel in die zin dat appellante dient te bewijzen dat de geestesvermogens van erflater dusdanig blijvend gestoord waren dat deze stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die waren betrokken bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999. Daaronder vallen dus alle feiten en omstandigheden die tot dit oordeel kunnen leiden, ook al dateren die niet van voor of na 20 mei 1999.
3. Ter zake de door het hof geformuleerde bewijsopdracht hebben geïntimeerden het navolgende naar voren gebracht. De kern van de beslissing van de Hoge Raad van 13 februari 2015 is geweest dat het gerechtshof `s - Hertogenbosch het door appellante gedane bewijsaanbod - dat sprake was van een causaal verband tussen de geestelijke stoornis van erflater en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 - niet als onvoldoende specifiek had mogen passeren. Onder verwijzing naar artikel 3:34 lid 1 BW geldt letterlijk dat het moment van de verklaring bepalend is. De beperking van erflater verhinderde hem niet om de gevolgen van zijn testament te overzien.
4. Het hof overweegt als volgt. Op degene die een beroep doet op artikel 3:34 BW (geestelijke stoornis) rust de stelplicht en bewijslast, dat (i) de geestvermogens van in dit geval erflater blijvend of tijdelijk waren gestoord en voorts (ii) dat door die stoornis zijn wil tot het maken van zijn testament van 19 mei 1999 ontbrak. Het bewijsaanbod van appellante strekt er toe om aan te tonen dat de notaris ten onrechte niet heeft getwijfeld aan de bekwaamheid van erflater om zijn testament van 20 mei 1999 te maken. In dit verband is van belang, dat artikel 4:55 lid 3 BW bepaalt dat de bekwaamheid om te testeren wordt beoordeeld naar de staat waarin de erflater zich op het ogenblik van het maken van het testament bevindt. De notaris heeft op 20 mei 1999 bij het passeren van het testament van erflater geen feiten of omstandigheden aanwezig geacht om te twijfelen of erflater de rechtsgevolgen van zijn handelen kon overzien. Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid zijn mede van belang de aard van de rechtshandeling en de daarmee samenhangende complexiteit. Deze moeten worden meegewogen bij de beoordeling of erflater op het moment van het maken van zijn estament de gevolgen van zijn handelen kon overzien. Feiten en omstandigheden die zich voor of na de betreffende datum hebben voorgedaan, kunnen van belang zijn voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het maken van zijn testament op 20 mei 1999. Anders dan appellante kennelijk meent, heeft het hof bij de formulering van de bewijsopdracht dat niet uitgesloten. Het hof heeft bij de formulering van de bewijsopdracht aangesloten bij het bepaalde in artikel 4:55 lid 3 BW. Naar het oordeel van het hof is er geen grond om te komen tot een wijziging van de bewijsopdracht.
Is het bewijs geleverd?
5. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 27 juni 2017 in rechtsoverweging 10 overwogen dat appellante tot dan toe niet had bewezen dat erflater op het moment van het maken van zijn uiterste wil op 20 mei 1999 aan een stoornis leed als gevolg waarvan hij niet zijn wil kon bepalen. In het kader van de bewijslevering dient het hof nu nog te oordelen over de door het hof gehoorde getuigen:
[getuige een] , voormalig huisarts van erflater;
[getuige twee] , specialist ouderengeneeskunde;
[getuige drie] , aangetrouwd familielid van erflater (echtgenoot van appellante).
6. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de door de hiervoor genoemde getuigen afgelegde verklaringen, ook niet bezien in samenhang met de reeds overgelegde schriftelijke verklaringen, niet geoordeeld worden dat erflater op het moment van het passeren van zijn uiterste wil in 1999 aan een stoornis leed als gevolg waarvan hij niet zijn wil kon bepalen.
7. Door de getuige [getuige een] wordt onder meer verklaard:
hij (erflater) kon eenvoudige dingen begrijpen zoals medicijnen driemaal daags innemen. Maar de consequenties van het niet innemen van de medicijnen overzag hij niet;
hij leefde zelfstandig in een huis maar wel met hulp;
met structuur kon hij, met name in 1999, zelfstandig leven;
wat hem niet beviel kon hij aangeven;
hij kon zijn basisbehoeften zoals ik wil drinken en eten kenbaar maken;
ik kan niet iets exact zeggen over de geestestoestand van erflater rond 20 mei 1999;
ik denk dat ik geen testament zou hebben gepasseerd;
het ontwikkelingsniveau zoals ik hem gekend heb, is eigenlijk stabiel geweest en bewoog zich rond de groepen 6 tot 8 op basisschoolniveau. Hij is vrij constant gebleven.
Uit de verklaring van deze getuige volgt dat erflater eenvoudige dingen begreep, kenbaar kon maken wat hij wel of niet wilde en dat hij in staat was om met hulp van derden zelfstandig te leven. Op basis van deze getuigenverklaring kan niet geoordeeld worden dat erflater de gevolgen van zijn uiterste wil niet kon overzien te meer nu het een relatief eenvoudig testament is. Uit de inhoud blijkt ook niet dat erflater wilsonbekwaam was indien acht wordt geslagen op de goede band met de familie [volgt naam] .
8. Het hof hecht geen waarde aan de getuigenverklaring van de heer [getuige twee] . De betreffende getuige heeft erflater behandeld in de periode van 2 april 2010 tot 23 februari 2011.
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Middelburg van 7 maart 2012;
veroordeelt appellante in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak begroot op € 5.121,- en gespecificeerd als hiervoor in rechtsoverweging 11 is weergegeven en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.