Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-10-20
ECLI:NL:GHDHA:2017:4305
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00526 Uitspraak van 20 oktober 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam/Rijnmond , de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 april 2017, nr. SGR 16/828. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de accijns van tabaksprodukten van € 1.054.897 opgelegd en bij beschikking € 57.960 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 168 is geheven. 1.4. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven. 1.6. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.7. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 september 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Feiten 2.1. Op 8 juli 2013 ontvangt de Inspecteur informatie over een zeecontainer uit Griekenland met bestemming Nederland met, naast de op de ladingpapieren vermelde partij watermeloenen, een aanzienlijke hoeveelheid sigaretten. 2.2. De zeecontainer heeft als bestemming [plaats] , te weten [naam onderneming] in de persoon van belanghebbende van wie de naam ook op de ladingpapieren staat. 2.3. Na aankomst van de zeecontainer in Rotterdam is in overleg met de officier van justitie besloten tot een zogeheten gecontroleerde doorlating. 2.4. Op 11 juli 2013 heeft de Inspecteur de zeecontainer gecontroleerd en de aanwezigheid geconstateerd van kartonnen dozen met sigaretten. 2.5. Op 16 juli 2013 is de zeecontainer vervoerd naar een loods in [plaats 2] , niet een accijnsgoederenplaats. Daar is waargenomen dat belanghebbende de sloten van de zeecontainer met een slijptol verwijdert. Korte tijd later is de Inspecteur de loods binnengegaan en heeft hij 5.990.160 sigaretten aangetroffen zonder accijnszegels. Belanghebbende was op dat moment bezig de dozen met sigaretten te sealen en op pallets te stapelen. De verpakking van de sigaretten vertoont merknaam en logo. 2.6. Belanghebbende is door de Rechtbank Rotterdam (meervoudige kamer voor strafzaken) op 22 juni 2017 tot een taakstraf voor de duur van 200 uren wegens het medeplegen van het voorhanden hebben van 5.990.160 onveraccijnsde sigaretten en het medeplegen van valsheid in geschrifte ("Hij heeft samen met een ander een valse Bill of Lading opzettelijk voorhanden gehad en afgeleverd (…) en gebruikt om een container met onveraccijnsde smokkelwaar in te klaren"). De Rechtbank 3. De Rechtbank Den Haag heeft overwogen: "(…) Geschil 5. In geschil is of de accijns terecht is nageheven en of [de Inspecteur] [belanghebbende] terecht heeft aangemerkt als degene van wie de accijns kan worden nageheven. 6. [ Belanghebbende] voert aan dat de aangetroffen sigaretten geen sigaretten zijn in de zin van de Wet. Er is derhalve geen sprake van een accijnsgoed. Bovendien is er geen sprake van een belastbaar feit in de zin van de Wet omdat, gezien de korte periode tussen het openen van de container en de inval door de Belastingdienst/FIOD, hij niet de feitelijke beschikkingsmacht over de sigaretten heeft gehad. Doel en strekking van de accijnswetgeving is volgens [belanghebbende] het belasten van het gebruik. Doordat de zending steeds onder ambtelijk toezicht heeft gestaan en uiteindelijk in beslag is genomen, is van gebruik geen sprake. [Belanghebbende] stelt dat er geen sprake is van het voorhanden hebben van de sigaretten in de zin van de Wet. Tevens doet [belanghebbende] een beroep op mededeling 50 (Besluit van 12 februari 2001, nr. B/CPP-R 2001/929). Tenslotte voert [belanghebbende] aan dat de Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt.' (…) 'De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste).' 14. Gelet op de feiten (…) acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat [belanghebbende] de aangetroffen sigaretten voorhanden had in de zin van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet dan wel betrokken was bij het voorhanden hebben daarvan. Hoewel het hebben van de feitelijke beschikkingsmacht geen voorwaarde meer is om te kunnen concluderen dat accijnsgoederen voorhanden zijn, volgt uit die feiten ook dat [belanghebbende] de feitelijke beschikkingsmacht had over de goederen (vgl. Hoge Raad 14 mei 2004, nr. 38370, overweging 3.3., ECLI:NL:HR:2004:AO9493). Dat, zoals [belanghebbende] stelt, slechts sprake was van een korte tijdspanne tussen het openen van de container en de inval door de Belastingdienst/FIOD, maakt dat niet anders. [Belanghebbendes] beroep op mededeling 50 treft geen doel, omdat dit besluit al per 1 juli 2008 is ingetrokken en dus toepassing mist. Voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de accijns terecht van [belanghebbende] is nageheven. Het betoog van [belanghebbende] over doel en strekking van de accijnswetgeving, wat daar overigens van zij, leidt gezien de duidelijke bewoordingen van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet niet tot een ander oordeel. 15. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de aangetroffen sigaretten verboden zijn op grond van de Tabaks- en rookwarenwet. De verkoop van dergelijke namaaksigaretten dient daarom te worden aangemerkt als een verboden prestatie als bedoeld in de arresten van het HvJ EG Einberger II (HvJ EG 28 februari 1984, zaak 294/82, ECLI:EU:C:1984:81) en Happy Family (HvJ EG 5 juli 1988, zaak 289/86, ECLI:EU:C:1988:360). Ter zitting heeft [belanghebbende] gesteld dat in beslag genomen sigaretten door Domeinen worden terugverkocht aan de fabrikant en dat sigaretten die volgens de Tabaks- en rookwarenwet verboden zijn, worden vernietigd. Aangezien de aangetroffen sigaretten, op enkele achtergehouden dozen na, vernietigd zijn, gaat het volgens [belanghebbende] om sigaretten die verboden zijn op grond van de Tabaks- en rookwarenwet. Met die enkele stelling heeft [belanghebbende] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een verboden product in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet. [Belanghebbende] heeft verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de samenstelling van de aangetroffen sigaretten niet zou voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de Tabaks- en rookwarenwet. Nu de door [belanghebbende] aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op de heffing van omzetbelasting, zoals ook [belanghebbende] erkent, is deze niet van toepassing op de heffing van accijns. 16. Indien de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit zou gaan dat sprake is van op grond van de Tabaks- en rookwarenwet verboden producten en dat de door [belanghebbende] aangehaalde jurisprudentie van het HvJ EG van toepassing zou kunnen zijn, leidt dit niet tot het oordeel dat de aangetroffen sigaretten buiten het bereik van de belastingheffing zouden moeten blijven. De desbetreffende jurisprudentie heeft betrekking op goederen die binnen de EU volstrekt verboden zijn als gevolg waarvan elke mededinging tussen legale en illegale activiteiten uitgesloten is. Daarvan is hier geen sprake. De aangetroffen sigaretten zijn immers qua uiterlijk niet te onderscheiden van gewone sigaretten en worden verkocht in verpakkingen en onder de naam van gewone sigaretten. Voor een 'gemiddelde' consument is aldus geen verschil waarneembaar tussen de aangetroffen sigaretten en een gewone sigaret. Dat betekent dat de aanget