Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-28
ECLI:NL:GHDHA:2017:4274
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.195.605/01 Zaaknummer rechtbank : 4873401/16-6865 arrest van 28 november 2017 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. J.L.G.M. Verwiel te Breda, tegen 1. SDU Uitgevers B.V., gevestigd te Den Haag, 2. [geintimeerde sub 2.] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna te noemen: SDU, [geintimeerde sub 2.] en gezamenlijk SDU c.s., advocaat: mr. R.E. van Schaik te Amsterdam. Het geding Bij exploot van 13 juli 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 21 juni 2016. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord hebben SDU c.s. de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen op 16 oktober 2017 de zaak door hun advocaten doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Het hof wijst arrest op de kopie stukken die zijn overgelegd bij het vragen van het pleidooi. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de rechtbank in het vonnis van 21 juni 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. In grief I wordt aangevoerd dat de kantonrechter een aantal relevante feiten en omstandigheden heeft weggelaten die voor de beoordeling van belang zijn. Het hof zal van de door de kantonrechter vastgestelde feiten uitgaan en deze feiten aanvullen met de in de toelichting op grief I genoemde feiten, die op zich zelf genomen niet worden betwist. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende: ( i) [appellant] is [beroep] . Hij is op 16 november 1994 als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een aanrijding met een andere auto, waarbij hij letsel heeft bekomen. De bestuurder van de auto die hem heeft aangereden was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij een rechtsvoorganger van Achmea. [appellant] heeft die verzekeraar aansprakelijk gesteld voor verlies aan verdienvermogen. Bij vonnis d.d. 12 september 2012 heeft de voormalige rechtbank Leeuwarden eindvonnis gewezen. [appellant] en Achmea hebben in het vonnis berust. (ii) Op 17 april 2013 heeft genoemde rechtbank een herstelvonnis gewezen. [appellant] is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van dit herstelvonnis. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 1 juli 2014 arrest gewezen. (iii) SDU heeft dit arrest van 1 juli 2014 op 2 maart 2015 gepubliceerd in haar tijdschrift JBPr met een op haar verzoek door [geintimeerde sub 2.] gemaakte noot. Zowel in het in dat tijdschrift gepubliceerde arrest als in de noot wordt de naam van [appellant] vermeld. Verder zijn, zoals in de toelichting op grief I is vermeld, in het arrest de volgende persoonlijke gegevens van [appellant] genoemd: de woonplaats, de volledige geboortedatum, het beroep [beroep] , het feit dat [appellant] een eigen [praktijk] heeft, de vestigingsplaats van die [praktijk] , alsmede het feit dat [appellant] een auto-ongeval heeft gehad waarbij hij letsel heeft opgelopen en het feit dat in verband daarmee aan [appellant] een financiële vergoeding is toegekend. 3. [appellant] heeft in de eerste aanleg, na vermeerdering van eis, gevorderd voor recht te verklaren dat SDU onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ongeanonimiseerd te publiceren, dat [appellant] aanspraak heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, dat SDU gehouden is deze schadevergoeding aan [appellant] te betalen en dat SDU gehouden is nog door [appellant] te lijden materiële schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Verder heeft [appellant] gevorderd te verklaren voor recht dat [geintimeerde sub 2.] in strijd heeft gehandeld met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) door haar annotatie bij het arrest niet te anonimiseren en ongeanonimiseerd aan SDU te verstrekken ter publicatie, en voor recht te verklaren dat zij daarmee onrechtmatig jegens [appellant] heeft ge in strijd hebben gehandeld met de verplichtingen om behoorlijk en zorgvuldig te handelen conform de Wbp. Door deze handelwijze hebben zij inbreuk gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . Deze inbreuk levert volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een aantasting in de persoon op die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade. De Wbp vormt een nadere uitwerking van de Richtlijn 95/46/EG en de leden 2 en 3 van artikel 10 van de Grondwet. Of het schenden van de persoonlijke levenssfeer al dan niet tot schade heeft geleid is geen criterium om de Wbp buiten toepassing te laten. Dit zou volgens [appellant] leiden tot een onaanvaardbare inperking van de Richtlijn. Grief III richt zich, kort gezegd, tegen de afwijzing van de gevorderde schadeposten (waaronder de verwijzing naar de schadestaat) en de verklaringen voor recht. 13. Het hof overweegt als volgt. Niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is weersproken dat hier sprake is geweest van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 1 sub b Wbp en 2 lid 1 Wbp. [appellant] heeft daartoe (onvoldoende betwist) toegelicht dat de communicatie tussen SDU en [geintimeerde sub 2.] over het arrest en de noot en de daarin opgenomen persoonsgegevens per e-mail heeft plaatsgevonden, dat er een geautomatiseerd tekstverwerkingssysteem is gebruikt om het arrest en de noot te redigeren en dat de persoonsgegevens van [appellant] daarbij digitaal zijn verwerkt, waaronder bewerkt, opgeslagen en verspreid. Het hof voegt hier nog aan toe dat voor zover SDU c.s. geacht moeten worden hun verweer te hebben gehandhaafd dat de Wbp hier niet van toepassing is omdat er geen sprake is van een bestand als bedoeld in artikel 1 sub c Wbp dit verweer niet opgaat. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat het bestandscriterium bij het geautomatiseerd verwerken van persoonsgegevens niet ter zake doet. Voorts is niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat SDU is aan te merken als verantwoordelijke in de zin van artikel 1 sub d Wbp. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat ook [geintimeerde sub 2.] moet worden aangemerkt als verantwoordelijke in de zin van artikel 1 sub 1 d Wbp, gaat dit betoog niet op. Vast staat dat [geintimeerde sub 2.] de noot op verzoek van SDU heeft gemaakt. Hier is sprake van een vorm van dienstverlening die de verwerking van persoonsgegevens betreft. Dit betekent dat [geintimeerde sub 2.] moet worden aangemerkt als bewerker in de zin van artikel 1 sub e Wbp. Ten aanzien van SDU 14. Artikel 7 Wbp bepaalt dat de persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doelen dienen te worden verzameld. Gerechtvaardigd kunnen slecht de doelen zijn die worden nagestreefd met gegevensverwerking in één van de in artikel 8 Wbp limitatief opgesomde gevallen. Het hier van belang zijnde artikel 8 aanhef en onder f Wbp luidt als volgt. “Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: (…) f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke (…), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.” 15. Het hof overweegt dat de Wbp moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 8 EVRM. Bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inbreuk op de belangen van de betrokkene mag niet onevenredig zijn aan het met de verwerking te dienen doel, en dit doel moet in redelijkheid niet op een ander, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kunnen worden verwezenlijkt. Bij deze belangenafweging moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). 16. [appellant] heeft aangevoerd dat SDU niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verwerking van de persoonsgegevens had met minder ingrijpe SDU heeft niet, althans onvoldoende concreet op deze zaak toegespitst, toegelicht op welke gronden zij van mening is dat dit belang (wezenlijk) wordt geschaad bij de geanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot. Het gaat hier, zoals gezegd, om een juridische analyse over de doorbreking van een appelverbod bij een herstelvonnis. Dat het aan de publieke controle op de rechtspraak ten goede zou komen als de door SDU gepubliceerde uitspraak en noot ongeanonimiseerd kan worden doorgenomen valt niet in te zien (waarbij het hof nog aantekent dat al zeker niet kan worden gezegd dat ongeanonimiseerde publicatie daarvoor noodzakelijk is). Ook is hier niet aan de orde het door SDU genoemde belang dat het ongeanonimiseerd duiden van personen die vermeld worden in (veelal ingewikkelde) gerechtelijke uitspraken het de lezer makkelijker maakt om dezelfde persoon in verschillende hoedanigheden te volgen in het verloop van de procedure (zulks nog daargelaten of dit tot een andere belangenafweging zou moeten leiden). Het hof verwijst in dit verband naar de op rechtspraak.nl gepubliceerde geanonimiseerde uitspraak (inl. dagv. prod 1). SDU heeft niet (concreet) aangegeven op welke punten dit op rechtspraak.nl gepubliceerde arrest moeilijk leesbaar zou zijn. De stelling dat SDU niet is gebonden aan de anonimiseringsrichtlijn die geldt voor publicatie op rechtspraak.nl is in dit verband niet relevant. Bij pleidooi heeft SDU nog gewezen op artikel 28 lid 2 Rv. Deze bepaling geeft, kort gezegd, in beginsel recht op een ongeanonimiseerd afschrift van de gerechtelijke uitspraak in civiele zaken. Dit betekent echter niet dat SDU bij de beoordeling van de vraag of ongeanonimiseerde publicatie van het arrest en de noot noodzakelijk is niet zou behoeven te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. 22. SDU heeft voorts niet, althans onvoldoende concreet gemotiveerd toegelicht op welke gronden zij van mening is dat zij als juridisch tijdschrift een betere bijdrage levert aan de behoefte van het wetenschappelijk discours door zaken niet geanonimiseerd te duiden. Voor zover hier in zijn algemeenheid al enige rechtvaardiging in valt te vinden (zoals volgens SDU breed in de literatuur wordt gedragen) doet ook dit er niet aan af dat de hiervoor genoemde toetsing moet plaatsvinden. Dat een belangenafweging moet plaatsvinden lijkt SDU overigens ook te onderkennen met haar stelling dat uitspraken die straf -en familierecht betreffen worden geanonimiseerd en dat voor de overige zaken de noodzaak tot anonimisering per geval wordt beoordeeld. Volgens SDU is deze belangenafweging in dit geval ten nadele van [appellant] uitgevallen. Zoals hiervoor is overwogen volgt het hof deze uitkomst niet. 23. SDU heeft in dit verband ook een beroep gedaan op artikel 10 EVRM. Deze bepaling heeft betrekking op de vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat het recht om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen en door te geven zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Anders dan SDU betoogt leidt ook het recht op vrijheid van meningsuiting in dit concrete geval niet tot een andere belangenafweging dan hiervoor is overwogen. In dit geval dient het grondrecht op privacy (art. 8 EVRM) te prevaleren boven het uit artikel 10 EVRM voortvloeiende grondrecht op het ontvangen en doorgeven van informatie, nu de inperking van laatstbedoeld recht van SDU bij anonimisering, zoals mede volgt uit hetgeen hiervoor onder 21 en 22 is overwogen, relatief gering moet worden geacht ten opzichte van de inbreuk op eerstbedoeld recht van [appellant] bij ongeanonimiseerde publicatie. 24. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SDU met het geautomatiseerd verwerken van de persoonsgegevens van [appellant] en de ongeanonimiseerde publicatie daarvan in strijd heeft gehandeld met artikel 8 suf f Wbp en het recht op eerbiediging van de persoonlijke lev Dit geldt ook voor de stelling dat de omvang van de billijke immateriële schade volgens rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens adequaat moet zijn. Naar het oordeel van het hof voldoet het toe te wijzen bedrag aan deze norm. 31. De onder punt 2 en 3 van het petitum gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen. [appellant] heeft gelet op de toewijzing van de immateriële schadevergoeding en de daaraan ten grondslag gelegde motivering geen in rechte te respecteren belang in de zin van artikel 3:303 BW bij (separate) toewijzing van deze vorderingen. 32. In punt 5 van het petitum heeft [appellant] gevorderd SDU te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,-- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij verletkosten heeft moeten maken als gevolg van het onrechtmatig handelen van SDU. 33. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartoe is overwogen dat indien al gezegd zou kunnen worden dat voor dergelijke schade een vergoeding toegewezen kan worden, [appellant] het aantal gedeclareerde uren (25 a € 250,-- per uur) niet heeft toegelicht. Voorts is overwogen dat bovendien onweersproken is dat [appellant] zijn praktijk als [beroep] uitvoert in besloten vennootschappen, zodat zo er al derving van praktijkinkomsten is gerealiseerd die vennootschappen de schade hebben geleden. 34. Het hof verenigt zich met dit oordeel. Ook in hoger beroep is de vordering niet nader onderbouwd. Dit nog daargelaten is (terecht) geen grief gericht tegen het oordeel dat de gestelde schade is geleden door de vennootschappen en dat [appellant] deze schade niet (als aandeelhouder in privé) kan vorderen. 35. In punt 6 van het petitum heeft [appellant] gevorderd SDU te veroordelen aan hem te vergoeden de door hem geleden en nog te lijden materiële schade, nader op te maken bij staat. 36. Het hof neemt tot uitgangspunt dat indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter er van uit dient te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. 37. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat de schade gelegen zal zijn in een lagere verkoopwaarde van zijn [praktijk] bij verkoop over een aantal jaren. De overdracht van een [praktijk] is vaak een langdurig proces, waarbij diverse partijen zijn betrokken, waaronder de kopende partij, accountantskantoren, juristen ect.. Gelet op de specifieke doelgroep waarop de publicatie is gericht is daarmee het risico groter dat de persoonsgegevens die ongeanonimiseerd in het betreffende arrest zijn vermeld, in het bijzonder dat [appellant] lichamelijk letsel heeft opgelopen, als waardedrukkend argument worden uitgespeeld. Daarmee is volgens [appellant] aannemelijk dat hij in de toekomst nog materiële schade zal lijden. 38. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat aan de zijde van een mogelijke koper van de [praktijk] van [appellant] kennis zal worden genomen van de op 2 maart 2015 in het tijdschrift JBPr gepubliceerde arrest van 1 juli 2014 dat betrekking heeft op een geschil over de doorbreking van het appelverbod bij een herstelvonnis, zulks nog daargelaten dat het om een auto ongeval gaat dat inmiddels ruim 20 jaar geleden heeft plaatsgevonden en evenzeer onaannemelijk is dat dit nog in enig causaal verband gebracht kan worden met de in toekomst te verkrijgen koopprijs. Het hof zal de gevorderde verklaring voor recht wegens gebrek aan belang afwijzen omdat de mogelijkheid van (verdere, materiële) schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt, nog daargelaten of die schade dan wordt geleden door [appellant] in privé . 39. In punt 12 van het petitum heeft [appellant] gevorderd SDU te veroordelen aan [appellant] te betalen € 950,-- aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering is als volgt gespecificeerd: staffel € 875, + 1% over de hoofdsom. 40. Deze vordering wordt afgew