Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-12-12
ECLI:NL:GHDHA:2017:4138
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.208.608/02 Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/491729/ HA ZA 16-2 arrest van 12 december 2017 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [de man] , advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] ), geïntimeerde, hierna te noemen: [de vrouw] . Het geding Bij exploot van 25 januari 2017 is [de man] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 26 oktober 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld. [de man] heeft bij memorie vierendertig grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. Tegen [de vrouw] is verstek verleend. Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld. Het bestreden vonnis 2. Door de rechtbank zijn de vorderingen van [de man] afgewezen, onder veroordeling van [de man] in de proceskosten. Het geschil 3. Het geschil tussen partijen betreft de (immateriële) schade die [de man] stelt te hebben geleden doordat [de vrouw] onrechtmatig privacygevoelige informatie over [de man] zou hebben verspreid. Vorderingen 4. [de man] vordert, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof opnieuw rechtdoende, * voor recht verklaart dat [de vrouw] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld wegens het aan een derde of derden verstrekken van privacy gevoelige informatie over hem, met name stukken van het UWV en een rapport van een psycholoog; * [de vrouw] veroordeelt om aan [de man] een immateriële schadevergoeding te betalen, tot en met de datum van de indiening van de memorie van grieven vast te stellen op een bedrag van EUR 25.000, [de vrouw] een publicatie- dan wel verspreidingsverbod oplegt zodat er geen nadere onrechtmatige gedragingen van [de vrouw] jegens [de man] plaatsvinden op straffe van een dwangsom van EUR 25.000 per overtreding; * onder veroordeling van [de vrouw] in de kosten van het geding. Juridisch kader 5. Het zonder toestemming verstrekken van privacygevoelige informatie over een ander is als inbreuk op eens anders persoonlijke levenssfeer in beginsel onrechtmatig, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. De vraag of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet bij de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, dient beoordeeld te worden in het licht van de omstandigheden van het geval. Dit oordeel wordt gevormd door het afwegen enerzijds van de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Grieven van [de man] 6. De vierendertig grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 7. [de man] en [de vrouw] hebben een affectieve relatie gehad tot juni 2011. Uit deze relatie is in december 2010 een kind geboren. 8. [de man] is in 2008 gediagnosticeerd als lijdend aan het syndroom van Asperger. In de medische wetenschap is dit syndroom evenals autisme geduid als “persuasive development disorder”. De aandoening van [de man] heeft tot gevolg gehad dat hij op enig moment volledig arbeidsongeschikt is verklaard en een Wajong-uitkering toegekend kreeg. 9. [de vrouw] wist tijdens de relatie van partijen dat [de man] in 2008 gediagnosticeerd was met Asperger. Dit vormde indertijd geen beletsel voor [de vrouw] om samen met [de man] een kind te krijgen. 10. [de man] heeft als zaaddonor publiciteit gezocht op het internet. [de man] heeft uit dien hoofde meerdere kinderen verwekt bij verschillende vrouwen. 11. Op enig moment, nog vóór het verbreken van de relatie met [de man] , raakte [de vrouw] overtuigd van de relevantie van de diagnose van [de man] voor door hem verwekte kinderen. [de vrouw] heeft onderzoek gedaan na Het schrappen van de kwalificatie in de medische terminologie verandert echter niets aan de psychische aandoening van [de man] die aanleiding was voor de diagnose in 2008. In de periode dat [de man] zich als zaaddonor aanbood was de diagnose derhalve van (betrekkelijk) recente datum. 19. Afdoende gebleken is dat [de man] wensmoeders niet, althans niet alle, informeerde over zijn psychische aandoening . Deze stelling is niet alleen onvoldoende weersproken door [de man] , hij wordt ook bevestigd door zijn eigen stelling dat [de vrouw] , in de tijd dat partijen nog een relatie hadden, met hem meeging naar wensmoeders en zij hen op eigen initiatief informeerde. [de man] zag dat kennelijk niet als zijn taak. Ook uit de door [de man] overgelegde producties blijkt niet dat hij wel informatie aan de wensmoeders verschafte: in de corrigerende verklaring van [naam] die [de man] ter onderbouwing van zijn grief heeft overgelegd, wordt aangegeven dat [de man] haar “inmiddels”, dus niet eerder, heeft geïnformeerd. De overige aangevoerde producties waar [de man] zich op beroept zijn niet concludent en bovendien, in zoverre als deze anoniem zijn overgelegd, niet overtuigend. Uit deze anonieme verklaringen blijkt overigens dat in door [de man] ondertekende donorovereenkomsten was opgenomen dat hij verplicht was mogelijke erfelijke genetische afwijkingen te melden (verklaring van [naam] ) en dat hij niet bekend was met enige erfelijke genetische afwijking aan zijn zijde (verklaring [naam] ). 20. [de man] heeft er nog op gewezen dat hij als zaaddonor geschikt was bevonden door “diverse ziekenhuizen en klinieken vanaf 2005 en vanaf 2012 internationaal”, maar de betreffende rapporten zijn niet overgelegd en als deze al bestaan is onduidelijk of daarbij was meegewogen dat [de man] leed aan een psychische aandoening die meebracht dat hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard en of daarbij is ingegaan op de vraag of die aandoening erfelijk overdraagbaar is of zou kunnen zijn. 21. [de vrouw] heeft voor zichzelf vastgesteld dat de aandoening en de eerder vastgestelde diagnose van [de man] in het licht van voormelde vraag cruciale informatie was voor wensouders die de keuze maken om al dan niet van de diensten van [de man] gebruik te maken. [de vrouw] heeft het onaanvaardbaar geacht dat [de man] die informatie achterhield en heeft tijdens haar relatie met [de man] al gemeend haar verantwoordelijkheid te moeten nemen en wensmoeders te moeten waarschuwen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [de man] onrechtmatig handelde door wensmoeders niet te informeren over zijn aandoening en mogelijk erfelijke aspecten ervan. 22. [de man] betwist dat het zoontje van [de wensmoeder] ernstig ziek was en dat daarin een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van [de vrouw] gevonden kan worden. [de man] klaagt dat de rechtbank ten onrechte zijn verklaring heeft meegewogen dat op het jongste kind van [de wensmoeder] na de geboorte “ernstig ziek is geweest”, maar uit de betreffende overweging van de rechtbank blijkt voldoende dat zij heeft onderkend dat [de man] in zijn verklaring de fysieke conditie van het kind heeft willen relativeren. Nu [de vrouw] op dezelfde comparitie heeft verklaard van [de wensmoeder] te hebben begrepen dat haar kindje “ernstig ziek” was, kan ook niet worden gezegd dat de uitlating van [de man] een dragende factor is geweest voor het vonnis. Van belang is of [de vrouw] redelijkerwijs mocht vertrouwen op de informatie die [de wensmoeder] over de ziekte van haar zoontje aanreikte en of die informatie, in het licht van wat zij wist of redelijkerwijs mocht aannemen over de psychische aandoening van [de man] , een rechtvaardiging meebrengt voor het handelen van [de vrouw] . Met de rechtbank acht het hof het delen van de bewuste documentatie met [de wensmoeder] – stukken van het UWV en een rapport van een psycholoog - niet onrechtmatig, in de context van het hulpverzoek van [de wensmoeder] die bezorgd was voor haar zieke kind en van he