Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-12-19
ECLI:NL:GHDHA:2017:4131
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-17/00537 tot en met BK-17/00539 Uitspraak van 19 december 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 mei 2017 nummers SGR 17/185, SGR 17/186 en SGR 17/187 betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen. Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg BK-17/00537 1.1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.515 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.809. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 597 aan heffingsrente in rekening gebracht. BK-17/00538 1.1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.520 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.666. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 1.328 aan belastingrente in rekening gebracht. BK-17/00539 1.1.3. Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.098 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.395. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 834 aan belastingrente in rekening gebracht. Alle zaken 1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen voormelde navorderingsaanslagen en beschikkingen afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van eenmaal € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. In de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende deelgenomen in [A] C.V. De activiteiten van deze commanditaire vennootschap bestaan uit het houden van de aandelen in [B] B.V., die op haar beurt de aandelen bezit in lokale vastgoedvennootschappen in [C] . 3.2. In het jaar 2013 bezit belanghebbende beleggingen in obligaties die zijn uitgegeven door [D] en [F] . Voorts is belanghebbende in 2013 in het bezit van door [G] uitgegeven participaties. [G] is een fonds dat belegt in voor verhuur bestemd vastgoed door de uitgifte van participaties van € 25.000 per stuk. Deze participaties zijn feitelijk op één lijn te stellen met obligaties. 3.3. In de aangiften voor de onderhavige jaren heeft belanghebbende onder meer de volgende verliezen uit onderneming (box 1) in aanmerking genomen: 2011 [A] C.V. € -8.517 2012 [A] C.V. € -25.000 2013 [D] € -8.000 [F] € -8.000 [G] € -7.000 € -23.000 3.4. Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2014, waarin wederom een verlies uit onderneming is aangegeven, heeft de Inspecteur onderzocht of ter zake van de in die aangifte vermelde ondernemingsactiviteiten nog sprake is van een bron van inkomen. Het onderzoek naar de aangifte voor het jaar 2014 wees uit dat het aangegeven verlies betrekking heeft op beleggingen in obligaties. Vervolgens heeft de Inspecteur de aangiften voor de jaren 2011 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld en het standpunt ingenomen dat belanghebbende de hie Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente en belastingrente onjuist zijn toegepast, zijn de beroepen ook in zoverre ongegrond. 10. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft [de Inspecteur] de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht opgelegd en zijn de beroepen ongegrond verklaard. (…)" Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 5.1. In hoger beroep is in geschil of de onderhavige navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Het bedrag van de navorderingsaanslagen als zodanig is tussen partijen niet in geschil. 5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente en belastingrente. 6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 7.1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting op grond van artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) navorderen. Het vermoeden dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven, mag niet gebaseerd zijn op een verandering of herstel van inzicht in het recht of reeds bekende feiten. Bovendien is vereist dat gaat om een feit dat de Inspecteur ten tijde van de vaststelling van de aanslag niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn, behalve in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is geweest. Op de Inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. 7.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat hij beschikte over een feit dat navordering rechtvaardigt en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Belanghebbende heeft in het verleden geparticipeerd in een aantal scheepvaart-cv's en de daaruit genoten resultaten in zijn aangiften IB/PVV verantwoord als winst uit onderneming. De omstandigheid dat belanghebbende in een reeks van jaren (2007 tot en met 2014) verliezen uit onderneming heeft aangegeven vormde reden om bij de aanslagregeling voor het jaar 2014 te onderzoeken of nog sprake was van een bron van inkomen ter zake van de in de aangifte vermelde ondernemingsactiviteiten. Bij de beoordeling van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 is geconstateerd dat de in die aangifte opgevoerde verliezen betrekking hebben op beleggingen in obligaties. Naar aanleiding hiervan zijn de aangiften IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld en is vastgesteld dat belanghebbende (een gedeelte van) de verliezen uit onderneming ten onrechte in aanmerking heeft genomen. Dit omdat deze verliezen enerzijds betrekking hebben op deelname in een cv die geen onderneming uitoefent maar slechts aandelen houdt, en anderzijds op beleggingen in obligaties. In verband daarmee zijn de onderhavige aanslagen opgelegd. 7.3. Belanghebbende heeft hier in de eerste plaats tegenover gesteld dat een onderzoek naar de aangifte voor het jaar 2014 nooit kan leiden tot een nieuw feit in de jaren 2011 tot en met 2013. Die stelling berust echter op een onjuist begrip van de in artikel 16 AWR neergelegde navorderingsregeling. Zoals de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient het antwoord op de vraag of sprake is van een feit dat navordering rechtvaardigt te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de door navordering te corrigeren handeling tot stand is gekomen. Gelet op hetgeen de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, moet ervan worden uitgegaan dat hij na het opleggen van de primitieve aanslagen bekend is geworden met het fei