Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-14
ECLI:NL:GHDHA:2017:4020
ECLI:NL:GHDHA:2017:4020 text/xml public 2025-03-22T02:08:44 2018-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2017-11-14 000252-17 Uitspraak Raadkamer NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl NJFS 2018/50 O&A 2018/17 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:4020 text/html public 2018-01-26T07:44:24 2018-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2017:4020 Gerechtshof Den Haag , 14-11-2017 / 000252-17 Artikel 591a Sv. Vergoeding kosten van rechtsbijstand. Verzoeker is politieagent van beroep. Het hof stelt voorop dat op grond van de wet (artikel 6:170 lid 1 BW) een werkgever (naast de werknemer zelf) aansprakelijk is voor de onrechtmatige daden van een werknemer indien de werknemer bij het begaan van de onrechtmatige daad handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak en zeggenschap bestond over de gedragingen waarin de onrechtmatige daad gelegen is. In een dergelijk geval is in de onderlinge verhouding tussen de werkgever en werknemer de werkgever draagplichtig voor de door die onrechtmatige daad veroorzaakte schade, tenzij de werknemer schade veroorzaakt heeft door opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 6:170 lid 3 BW). Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen dat, in een zaak als de onderhavige, waarin weliswaar geen sprake is van een onrechtmatige daad van de verzoeker – hij is immers vrijgesproken van het hem ten laste gelegde – maar de gedragingen die aanleiding gaven tot de vervolging wel tot zijn taak als werknemer behoorden en zijn werkgever daar ook zeggenschap over had, niet de verzoeker de genoemde kosten van de raadsvrouw dient te dragen, maar zijn werkgever. Dit op grond van de dwingendrechtelijke verplichting van de werkgever zich als goed werkgever jegens de werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW. Het hof stelt vast dat de werkgever zijn dwingendrechtelijke plicht heeft vervuld door de genoemde kosten van de raadsvrouw te betalen. Het hof acht het in strijd met doel en strekking van de genoemde wettelijke plicht dat het voldoen daaraan door een werkgever tot gevolg heeft dat de Staat de kosten van rechtsbijstand van een gewezen verdachte niet zou hoeven te betalen. Ter zijde merkt het hof op dat, gelet op het bepaalde in artikel 5 derde lid van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie, verzoeker verplicht is ervoor zorg te dragen dat de vergoeding toekomt aan zijn werkgever, zijnde de Nationale politie. AV-nummer: 000252-17 Rolnummer: 22-000447-16 Datum uitspraak: 14 november 2017 GERECHTSHOF DEN HAAG meervoudige raadkamer BESCHIKKING gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend door: [verzoeker], geboren te [plaats] op [datum], adres: [adres]. Procesgang Dit gerechtshof heeft bij arrest van 17 november 2016 met bovengenoemd rolnummer het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Den Haag van 20 januari 2016 in de strafzaak tegen de verzoeker vernietigd en de verzoeker van het hem ten laste gelegde vrijgesproken. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden. Namens de verzoeker is vervolgens bij een tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift vergoeding gevraagd van in totaal € 144.636,52, bestaande uit € 144.086,52 ter zake van kosten van rechtsbijstand, alsmede € 550,-, ter zake van kosten voor het door zijn advocaat, mr. C.L.A. de Sitter, opstellen en in de raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift. De raadkamer van dit gerechtshof heeft dit verzoekschrift in het openbaar op 10 oktober 2017 behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat mr. De Sitter en de advocaat-generaal mr. D.M. van Gosen. De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig de schriftelijke conclusie van haar ambtgenoot – geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Beoordeling van het verzoek Het hof stelt het volgende vast: - Verz