Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-12-19
ECLI:NL:GHDHA:2017:4018
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00670 Uitspraak van 19 december 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 juni 2017, nummer SGR 17/712, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.136. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 26 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. De aanslag en beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 46 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV over het jaar 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.207 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.136 en de daarbij behorende belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 501 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende is geboren [in] 1943 en heeft voor het jaar 2014 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.136. Met dagtekening 24 juni 2016 is de aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd. 3.2. Op 22 juni 2016 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2014 ingediend waarin belanghebbende onder andere een persoonsgebonden aftrekpost aan specifieke zorgkosten heeft opgevoerd: Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp € 1.121 Uitgaven voor hulpmiddelen - Tena Lady € 121 - Latex handschoenen € 1.754 € 1.875 Uitgaven voor vervoer € 236 Uitgaven specifieke zorgkosten € 3.232 3.3. De Inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als bezwaarschrift. Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft omtrent het geschil, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen: “12. Ten aanzien van de uitgaven voor Tena Lady komt de rechtbank tot een ander oordeel. [Belanghebbende] heeft onweersproken gesteld dat zij last heeft van incontinentie en een rectumprolaps. Voor de rechtbank staat dan ook vast dat [belanghebbende] de uitgaven voor Tena Lady heeft gedaan in verband met deze aandoeningen. Daarbij acht de rechtbank dit hulpmiddel van een zodanige aard dat het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Niet valt in te zien waarom Tena Lady anders zou worden behandeld dan de in de wetsgeschiedenis aangehaalde voorbeelden. Het gaat immers niet louter om hulpmiddelen die iemand in staat stelt om een normale lichaamsfunctie te verrichten. De niet onderbouwde stelling van [de Inspecteur] dat 70% van de oudere dames dergelijke producten gebruikt, doet er niet aan af dat voldaan wordt aan de vereisten die artikel 6.17 van de Wet IB 2001 aan uitgaven voor een ander hulpmiddel stelt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitgaven die [belanghebbende] ten behoeve van de Tena Lady heeft gedaan voor aftrek in aanmerking dienen te worden Daartoe overweegt het Hof dat incontinentie het gevolg is van een verstoring van de normale lichaamsfunctie van de mens en al om deze reden kan worden aangemerkt als het gevolg van ziekte of invaliditeit. Ten aanzien van belanghebbende is daarbij voorts komen vast te staan dat de incontinentie samenhangt met een verzakking van de endeldarm, vergezeld gaande van buikpijnen, bloed- en slijmverlies. Een verzakking van de endeldarm is aan te merken als ziekte of invaliditeit. 7.2. Subsidiair stelt de Inspecteur dat geen sprake is van een hulpmiddel dat van zodanige aard is dat het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert de Inspecteur aan dat het door belanghebbende gebruikte incontinentiemateriaal verkrijgbaar is in willekeurige supermarkten en dat hieruit volgt dat het middel ook veelvuldig gebruikt wordt door personen die niet ziek zijn of waarbij incontinentie geen gevolg is van een ziekte. Ook dit standpunt faalt. Daartoe overweegt het Hof dat belanghebbende onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het door haar gebruikte incontinentiemateriaal niet gelijk is aan het door de Inspecteur bedoelde, in willekeurige supermarkten verkrijgbare incontinentiemateriaal. Het absorptieniveau van het door belanghebbende gebruikte incontinentiemateriaal is van zodanig grotere omvang dat dit materiaal uitsluitend wordt geleverd door apotheken. Voorts heeft belanghebbende gewezen op een verwijsbrief van haar huisarts waaruit blijkt dat laatstgenoemde aan de zorgverzekeraar van belanghebbende een machtiging verzoekt voor een jaarrecept incontinentiemateriaal op grond van de medische indicatie: stress incontinentie. In onderlinge samenhang bezien, heeft belanghebbende aldus aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hulpmiddel dat van zodanige aard is dat het hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt. 7.3. Meer subsidiair neemt de Inspecteur het standpunt in dat geen sprake is van specifieke zorgkosten op grond van de beperking in artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001. Ingevolge deze wetsbepaling worden niet als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt uitgaven voor zorg die vallen onder het door de belastingplichtige ingevolge de Zorgverzekeringswet verplicht te verzekeren risico. De Inspecteur voert voor deze aftrekbeperking aan dat het door belanghebbende gebruikte incontinentiemateriaal een zorgvorm betreft die valt onder het verplicht te verzekeren risico op grond van de Zorgverzekeringswet. Ook dit standpunt van de Inspecteur faalt. Daartoe overweegt het Hof als volgt: 7.3.1. Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering, omvat hulpmiddelenzorg bij ministeriële regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen. De ministeriële regeling waarnaar het Besluit zorgverzekering verwijst, is de Regeling zorgverzekering. Op grond van artikel 2.6, aanhef en onderdeel d, in samenhang met artikel 2.11, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering, zijn hulpmiddelen als bedoeld in het Besluit zorgverzekering die uitwendige hulpmiddelen welke gebruikt worden bij stoornissen gerelateerd aan urinelozing en defecatie. 7.3.2. Vaststaat dat de door belanghebbende gebruikte incontinentiematerialen nagenoeg geheel zijn vergoed door de zorgverzekeraar van belanghebbende. Dit is ook in overeenstemming met de onder 7.3.1 aangehaalde bepalingen krachtens de Zorgverzekeringswet. Tot een bedrag van € 121 heeft de zorgverzekeraar van belanghebbende de incontinentiematerialen echter niet vergoed. Vaststaat dat belanghebbende genoodzaakt was de in geschil zijnde incontinentiematerialen zelf bij een apotheek aan te schaffen omdat de door de zorgverzekeraar gecontracteerde zorgverlener, met een beroep op een maximum aantal per tijdsperiode per verzekerde, heeft geweigerd om de alsnog door belanghebbende aangeschafte materialen te leveren. Het Hof leidt hieruit af dat de zorgverzekeraar het standpunt inneemt dat belanghebbende tot het