Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-21
ECLI:NL:GHDHA:2017:3583
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00503 Uitspraak van 21 november 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 april 2017 nummer SGR 16/6905 betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen. Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.797. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 82 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.1.2. Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 3.556. Gelijktijdig is bij beschikking € 1 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslagen en de beschikkingen belastingrente afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 oktober 2017. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar in dienstbetrekking werkzaam bij [Y] en heeft daarvoor een loon ontvangen van € 5.785. Daarnaast heeft belanghebbende werkzaamheden verricht voor [A] B.V. en [B] B.V., waarvoor hij een vergoeding van € 3.168 respectievelijk € 388 heeft ontvangen. 3.2. Naast voormelde inkomsten heeft belanghebbende in de periode van 1 januari 2013 tot 2 mei 2013 een NWW-uitkering ontvangen van € 6.092. Vanaf 2 mei 2013 ontvangt belanghebbende een bijstandsuitkering van de gemeente [C] van € 6.364. 3.3. Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.241 (€ 5.785 + € 6.364 + € 6.092). Bij de aanslagregeling is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De door belanghebbende van [A] B.V. en [B] B.V. ontvangen vergoedingen heeft de Inspecteur aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Aldus heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen vastgesteld op € 21.797 respectievelijk € 3.556 (€ 3.168 + € 388). Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de aanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of het verbod van willekeur, het verbod van détournement de pouvoir, het legaliteitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel door de Inspecteur zijn geschonden. 4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag Zvw en tot vermindering van de aanslag IB/PVV tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.241. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Oordeel van de Rechtbank 6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen: " (…) Beoordeling van het geschil 4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] geen feiten en omstandigheden aangevoerd aan de han