Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-24
ECLI:NL:GHDHA:2017:3459
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00527 Uitspraak van 24 november 2017 in het geding tussen: Stichting [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 april 2017, nummer SGR 16/762. Procesverloop 1.1. Met ingang van 1 januari 2008 merkt de Belastingdienst belanghebbende aan als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Dit blijkt uit een beschikking van 7 december 2007. 1.2. Met ingang van 31 december 2013 trekt de Belastingdienst de ANBI-status van belanghebbende in. Dit blijkt uit een beschikking van 22 april 2015. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de intrekkingsbeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur die beschikking gehandhaafd. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 331 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. 1.6. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft daarbij tevens, naar zij ter zitting heeft toegelicht: voorwaardelijk, incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.7. De Inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, waarin tevens is gereageerd op het incidentele hoger beroep. Een afschrift is aan belanghebbende gezonden. 1.8. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 november 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Feiten 2. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de Rechtbank onder 1 tot en met 6 van haar uitspraak vermelde feiten. De Rechtbank 3. De Rechtbank heeft overwogen: "(…) Geschil 7. In geschil is of de ANBI-status van [belanghebbende] terecht vanaf 31 december 2013 is ingetrokken. 8. [ Belanghebbende] stelt dat zij ook vanaf 31 december 2013 voldoet aan de voorwaarden die artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan een ANBI stelt en dat de beschikking ten onrechte is gegeven. 9. [ De Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 5b Awr aan een ANBI stelt. Volgens [de Inspecteur] kan het prediken en verkondigen van het evangelie weliswaar worden beschouwd als een werkzaamheid in het algemeen belang, maar streeft [belanghebbende] met haar feitelijke werkzaamheden niet rechtstreeks dat algemeen nuttige doel na. Verder worden volgens [de Inspecteur] met de activiteiten van [belanghebbende] primair de particuliere belangen gediend van haar vrijwilligers en bestuurders en van de zendelingen. Beoordeling van het geschil 10. Artikel 5b Awr luidt, voor zover hier van belang, als volgt: '1. Een algemeen nut beogende instelling is: a. een instelling – niet zijnde een vennootschap met in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven – die: 1° uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt; (…) 3° voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…) 5° door de inspecteur als zodanig is aangemerkt; (…) 3. Als algemeen nut in de zin van dit artikel wordt beschouwd: (…) i. religie, levensbeschouwing en spiritualiteit; (…).' 11. Artikel 1a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (de uitvoeringsregeling Awr) luidt, voor zover hier van belang, als volgt: '1. Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang: (…) b. uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient; (…).' 12. Om te kunnen aannemen dat met de ontplooide werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het Hieruit volgt dat [belanghebbende], door uit te gaan van het tijdsbeslag dat aan de verschillende activiteiten is besteed, een verkeerde toets heeft aangelegd. Of aan de kwantitatieve toets wordt voldaan, hangt immers af van de uitgaven van [belanghebbende]. Van de geoormerkte en doorgestoten giften moet dus niet het hiermee gemoeide tijdsbeslag in aanmerking worden genomen, maar de omvang van de hiermee gemoeide bedragen. 17. [ Belanghebbende], die overigens in haar statuten heeft vastgelegd dat vrijwilligers hun tijd en bekwaamheid geheel belangeloos ter beschikking stellen en geen loon of salaris ontvangen, kan naar haar eigen oordeel niet vrijelijk beschikken over de geoormerkte giften. Worden deze ter beschikking gesteld aan degenen voor wie zij bedoeld zijn, dan kan die er vervolgens mee doen wat hij wil. Dat een deel van de bestuurders het op deze wijze voor hen bestemde bedrag niet opneemt dan wel terugstort naar [belanghebbende], maakt niet dat voor [belanghebbende] geen sprake meer is van geoormerkte schenkingen bestemd voor die individuele personen. Met de geoormerkte giften wordt daarom een particulier belang gediend en niet een algemeen belang. 18. Tussen partijen bestaat verschil van inzicht over de omvang van de doorgestoten giften in 2014, maar ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van het door [belanghebbende] genoemde percentage van de netto ontvangen giften dan is hiermee al een bedrag gemoeid van bijna € 53.000 (39% van € 135.891). Dit is al zoveel meer dan 10% van de door [belanghebbende] gedane uitgaven van in totaal € 196.947 (€ 199.893 - € 2.946) dat de rechtbank geen nadere berekening hoeft te maken van het totaalbedrag dat aan [belanghebbende] niet ter vrije besteding heeft gestaan. 19. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] terecht vanaf 31 december 2013 niet langer als ANBI is aangemerkt. Het beroep is daarom ongegrond. Proceskosten 20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…)" Beoordeling 4.1. De Rechtbank heeft in haar uitspraak het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Ter zitting heeft de Inspecteur te kennen gegeven tevreden te zijn met deze beslissing, met dien verstande echter dat hij van mening is dat die beslissing (deels) op onjuiste gronden berust. Met het hoger beroep concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, maar met verbetering van de gronden. 4.2. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard zich wel te kunnen vinden in de beslissing van de Rechtbank. Voor zover in het verweerschrift een incidenteel hoger beroep is te lezen, is dit voorwaardelijk bedoeld, namelijk voor het geval het Hof het standpunt van de Inspecteur volgt dat de beslissing van de Rechtbank op onjuiste gronden berust, aldus belanghebbende ter zitting. 4.3. Het standpunt in het principale hoger beroep van de Inspecteur komt erop neer dat hij geen andere beslissing dan die van de Rechtbank voorstaat. Belanghebbende wil in die beslissing berusten, zij het op andere gronden dan de Inspecteur. Een en ander betekent dat beide partijen, naar zij in hoger beroep hebben gesteld en ter zitting hebben bevestigd, niet van het Hof verlangen dat het een andere beslissing neemt dan de Rechtbank heeft gedaan. Er is tussen partijen geen geschil over de uitkomst van het hoger beroep en dan doet het er niet meer toe welke argumenten partijen daarvoor hebben. 4.4. Een en ander brengt mee dat de Inspecteur niet in het principale hoger beroep kan worden ontvangen wegens gebrek aan belang. De enkele verbetering van gronden is geen belang dat met het rechtsmiddel van hoger beroep kan worden gediend, indien dit niet noodzakelijk is om de voorgestane beslissing te bewerkstelligen, of (tevens) dient ter bestrijding van een (principaal of incidenteel) hoger beroep van de wederpartij. 4.5. Het principale hoger beroep is niet-ontvankelijk. 4.6. Omdat het principale hoger beroep niet-ontvankelijk is, wordt de voorwaarde voor het incidentele hoger beroe