Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-12-01
ECLI:NL:GHDHA:2017:3458
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-17/00422 en BK-17/00423 Uitspraak van 1 december 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de directeur Belastingen van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 maart 2017, nummers ROT 16/6060 en 16/6061. Procesverloop 1.1. Bij beschikkingen als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken heeft de heffingsambtenaar de waarden van de onroerende zaken Groene Hilledijk [A] en [B] te [Y] naar het prijspeil per 1 januari 2015 en voor het jaar 2016 op € 65.000 en € 62.000 vastgesteld. 1.2. Met betrekking tot de onroerende zaken heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2016 aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [Y] naar heffingsmaatstaven van € 65.000 en € 62.000 opgelegd. De aanslagen bedragen € 83,59 en € 79,73. 1.3. Bij uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven. 1.5. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.6. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 124 is geheven. 1.7. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 20 juli 2017, geduid "verweerschrift", gereageerd op het hogerberoepschrift. 1.8. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 oktober 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Feiten 2.1. De onroerende zaken [A] en [B] te [Y] , in eigendom bij belanghebbende, zijn in het jaar 1926 gebouwde boven winkels gelegen zogeheten twee-over-een-trapwoningen van 77 m² en 75 m². 2.2. Het van de in de bezwaarfase gehouden hoorzitting gemaakte verslag van 23 juni 2016 - een door belanghebbende voorafgaande aan de zitting toegezonden kopie van het verslag is bij het Hof op 18 oktober 2017 binnengekomen, zij het dat een kopie al tot de gedingstukken behoorde, - vermeldt: "(…) Onderwerp: Onderwerp van de hoorzitting betreft de bezwaarschriften ingediend door [C] tegen de waardevaststelling van diverse objecten voor het jaar 2015 naar waardepeildatum 1 januari 2014 en 2016 naar waardepeildatum 1 januari 2015. Tijdens de hoorzitting heeft dhr. [C] (hierna te noemen [C] ) per object de geschilpunten benoemd en zijn zienswijze inhoudelijk nader toegelicht. Tijdens de hoorzitting zijn de volgende punten besproken: Algemeen [C] geeft aan 1 schrijven voor bezwaarschriften te hebben en daar enkel de jurisprudentie in aan te passen. Verder gebruikt [C] jaarlijks hetzelfde bezwaarschrift. Hierbij geeft [C] aan de doelstelling te hebben om de vastgestelde WOZ waarde omhoog te krijgen. In het door [C] opgestelde bezwaarschrift staat enkel benoemd dat de waarde niet juist is vastgesteld, maar of deze te hoog of te laag is vastgesteld geeft [C] in het bezwaarschrift niet aan. [C] geeft aan geen behoefte aan uitspraken te hebben en stelt dat alles uit de ingediende bezwaarschriften komt te vervallen tenzij het tijdens de hoorzitting nog een keer wordt benoemd. [C] stelt namens belanghebbende [D] het volgende: 1. Belanghebbende heeft geen bezwaar tegen het verhogen van de WOZ waarde 2. Belanghebbende heeft geen hypotheken op haar panden en wil uiteindelijk naar de Duitse Bank ter financiering en heeft belang bij een hoge WOZ waarde 3. Het grootste belang is de juiste waardering van de objecten Woningen [E] , [F] , [G] , [H] , [I] , [J] [K] , [L] , [M] [A] en [B] [C] heeft aangegeven in overleg te treden met belanghebbende en binnen twee weken te laten weten of onderhavige bezwaarschriften worden ingetrokken of aangehouden. (…)" De Rechtbank 3. De Rechtbank heeft overwogen: "(…) 3. In geschil is de door [de heffingsambtenaar] bij de bestreden besluiten gehandhaafde vaststelling van de waarden van Uitgaande van wat [belanghebbende] stelt - dat de objecten ongunstig liggen (aan een drukke straat en voordeur gelegen in een winkelentree) en, in tegenstelling tot de vergelijkingsobjecten, niet gerenoveerd zijn - heeft [de heffingsambtenaar] hiermee voldoende rekening gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is een (eventueel) verschil in ligging en staat van onderhoud verdisconteerd in het verschil in vierkante meterprijs. Het object [A] heeft een verschil in vierkante meterprijs met de vergelijkingsobjecten van € 165,- (gemiddelde waarde per m² van de vergelijkingsobjecten is € 1.010,- en waarde per m² van [A] is € 845,-). Indien het verschil van € 165,- wordt vermenigvuldigd met de oppervlakte van 77 m², geeft dat een verschil van € 12.705,-. Het object [B] heeft een verschil in vierkante meterprijs met de vergelijkingsobjecten van € 183,- (gemiddelde waarde per m² van de vergelijkingsobjecten is € 1.010,- en waarde per m² van [B] is € 827,-). Indien het verschil van € 183,- wordt vermenigvuldigd met de oppervlakte van 75 m², geeft dat een verschil van € 13.725,-. [Belanghebbende] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [de heffingsambtenaar] met het verschil (van € 12.705,- respectievelijk € 13.725,-) voldoende rekening heeft gehouden met een (eventueel) verschil in ligging en staat van onderhoud. [Belanghebbende] maakt niet aannemelijk dat, zoals hij ter zitting stelt, de renovatiekosten € 20.000,- per object bedragen en bestrijdt ook niet dat, zoals [de heffingsambtenaar] ter zitting aanvoert, eventuele renovatiekosten van € 20.000,- niet 'één op één' leiden tot een zodanige waardevermindering. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat [de heffingsambtenaar] de waarden te hoog heeft vastgesteld. 6. De beroepen zijn ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 8. Voor schadevergoeding bestaat geen grond. (…)" Geschil en standpunten 4.1. Partijen houdt in hoger beroep, in zoverre net als voor de Rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de onroerende zaken met € 65.000 en € 62.000 te hoog zijn gewaardeerd, welke vraag belanghebbende bevestigend - ter zitting bepleit hij waarden van € 54.000 en € 49.000 - en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt. 4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Beoordeling 5.1. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel aan de hand van een zorgvuldige analyse van de informatie over de onroerende zaken, afgezet tegen de informatie over de vergelijkingsobjecten, met juistheid geconcludeerd dat het geheel van voorhanden zijnde gegevens meebrengt dat de onroerende zaken met € 65.000 en € 62.000 niet te hoog zijn gewaardeerd. 5.2. Het Hof neemt in aanmerking dat de heffingsambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, met al wat hij in beroep en hoger beroep over de onroerende zaken en de door hem gehanteerde vergelijkingsobjecten heeft aangevoerd en aan stukken, vooral de ter onderbouwing van de waarden gebruikte taxatierapporten van 23 november 2016, heeft ingebracht, mede ter weerlegging van de door belanghebbende aangevoerde stellingen, is geslaagd voldoende feiten en omstandigheden te stellen en ook, tegenover de kennelijke betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat aan de onroerende zaken, met inachtneming van de uitgangspunten in artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken, geen lagere waarden dan € 65.000 en € 62.000 zijn toe te kennen. 5.3. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit een beletsel is te putten voor het handhaven van de waarden op € 65.000 en € 62.000. Belanghebbende heeft het van hem te verlangen tegenbewijs niet geleverd. 5.4. Wat dat aangaat hecht het Hof eraan op te merken dat belanghebbende in de procedure meer algemene en weinig inhoudelijke op de onroerende zaken betrekking hebbende argumenten tegen de door de heffingsambtenaar toegepaste waarderingen heeft ingebracht. Dat past ook in het door de heffingsambt