Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-21
ECLI:NL:GHDHA:2017:3374
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00524 Uitspraak van 21 november 2017 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 april 2017, nummer SGR 16/9605, betreffende onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.309. Bij beschikking is een bedrag van € 184 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 oktober 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende staat als juridisch adviseur ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. 3.2. Bij het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 heeft belanghebbende gekozen voor fiscaal partnerschap met [Y] (de partner). De partner stond in 2013 ingeschreven bij de Hogeschool InHolland voor de opleiding B Sociaaljuridische Dienst VT. 3.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 31.717, bestaande uit: -/- € 362 belastbare winst, € 39.686 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en € 7.607 scholingsuitgaven (studiekosten partner). Belanghebbende heeft daarbij de volgende scholingsuitgaven opgevoerd (in €): Inschrijving InHolland 1.835 BijlesAcademie Leiden 116 Editie Cremers losbladig, Ars Aequi 5.592 Schrijfmateriaal, kopieën, internet 152 Printerinkt, Norton 162 Totaal 7.857 Drempel 250 Aftrekbare scholingsuitgaven 7.607 3.4. De Editie Cremers (losbladig) en Ars Aequi zijn niet door InHolland verplicht voorgeschreven voor de door de partner gevolgde opleiding. 3.5. De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2013 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte en heeft daarbij de studiekosten slechts voor een bedrag van (€ 7.607 -/- € 5.592 =) € 2.015 in aftrek toegelaten. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of het in de aangifte IB/PVV 2013 opgevoerde bedrag van € 5.592 aan kosten van de Editie Cremers (losbladig) en Ars Aequi aftrekbaar is als uitgaven in de zin van artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001, hierna: scholingsuitgaven). 4.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraak van de Inspecteur, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 overeenkomstig de door hem ingediende aangifte en tot vernietiging van de beschikking belastingrente. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Oordeel van de Rechtbank 6. De Rechtbank heeft als volgt overwogen: "10. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven die zijn gedaan wegens het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260-261) is doel en [Belanghebbendes] beroep op voornoemd artikel moet daarom worden verworpen. 15. [Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of tot een te hoog bedrag is berekend. 16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard." Beoordeling van het hoger beroep 7.1.1. In artikel 6.27, lid 1, van de Wet IB 2001 (tekst 2013) is bepaald dat scholingsuitgaven zijn de uitgaven die wegens het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning zijn gedaan voor, onder meer, door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen (zie letter b van artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001). 7.1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de Editie Cremers en Ars Aequi niet verplicht zijn gesteld door InHolland voor de door de partner gevolgde opleiding. De opgevoerde kosten kunnen derhalve niet worden aangemerkt als scholingsuitgaven. Anders dan belanghebbende betoogt is het advies dat prof. mr. [A] destijds aan studenten van de Universiteit Leiden gaf om - evenals hijzelf deed - als voorbereiding van de nadere bestudering van het burgerlijk en strafrecht de editie Cremers te gebruiken, onvoldoende om de kosten van de Editie Cremers als scholingsuitgaven te accepteren. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de door belanghebbende ter zitting ingenomen stelling dat InHolland zou aanbevelen om Ars Aequi te gebruiken. Met ingang van 2013 beperkt de wet aftrek van scholingsuitgaven tot de kosten van verplicht gestelde leermiddelen voor de opleiding of studie. 7.2. Belanghebbende heeft tevens aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en met artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR). 7.2.1. Wat betreft het beroep op artikel 1 EP geldt dat dit beroep faalt, omdat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op het niveau van de regelgeving geen sprake is van schending van het in artikel 1 EP vervatte eigendomsrecht, welk oordeel het Hof overneemt, en belanghebbende niet gemotiveerd heeft aangevoerd waarom de last die wordt opgeroepen doordat de kosten van de Editie Cremers en Ars Aequi niet aftrekbaar zijn als scholingsuitgaven, zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. 7.2.2. Wat betreft het beroep op het in artikel 13 IVESCR neergelegde recht op onderwijs is het Hof van oordeel dat deze bepaling zich niet leent voor rechtstreekse toepassing. Daartoe overweegt het Hof als volgt. 7.2.2.1. De vraag in hoeverre een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, dient te worden beantwoord door uitleg daarvan. Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van de artikelen 31 tot en met 33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51 en 1985, 79). Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat erom of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast (zie HR 10 oktober 2014, nr. 13/02931, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12). 7.2.2.2. Gelet op de bewoordingen en strekking van artikel 13 IVESCR leent deze bepaling zich niet voor rechtstreekse toepassing. Het daarin vervatte recht betreft een aan de verdragsluitende Staten gerichte inspanningsverplichting en is niet bedoeld als resultaatverbintenis. 7.3.1. Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het "Draaiboek voor de wetgeving", met name op de "Aanwijzingen voor de wetgevingstechniek". Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende dit beroep aldus verduidelijkt dat in strijd daarmee (i) geen overgangsregeling is getroffen en (ii) het Ministerie van Onderwijs niet is betrokke