Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-11-15
ECLI:NL:GHDHA:2017:3352
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-16/00508 en BK-16/00509 uitspraak van 14 november 2017 in het geding tussen: [X] , wonende te [Z] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur, inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 oktober 2016, nummers SGR 16/1654 en SGR 16/1655 betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen. Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2012 (16/00508) en 2013 (16/00509) aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 34.779 en € 37.232. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur respectievelijk € 31 en € 27 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. 1.3. De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De griffier heeft per zaak een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen op 12 mei 2017, een nader stuk ingediend waarvan een afschrift is gezonden aan de Inspecteur. De mondelinge behandeling van de zaken die was voorzien op 15 augustus 2017 heeft naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van 16 juni 2017 om uitstel wegens ziekte te verlenen, geen doorgang gevonden. De mondelinge behandeling van de zaken heeft vervolgens plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 oktober 2017 gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Namens belanghebbende is niemand verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft het Hof voorafgaand aan de zitting telefonisch laten weten verhinderd te zijn wegens ziekte. Hij heeft daarbij niet om verder uitstel verzocht. Hij heeft meegedeeld over zijn verhindering wegens ziekte meerdere faxberichten te hebben gezonden aan het Hof. De medewerkster van de administratie heeft de gemachtigde meegedeeld dat geen faxbericht of faxberichten van hem zijn ontvangen. Ook uit nader onderzoek is niet gebleken van een ontvangen faxbericht. Het Hof heeft mede gelet op het eerder verleende uitstel geen aanleiding gezien de mondelinge behandeling te verdagen. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Van het ter zitting verhandelde is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangifte gedaan voor de IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. In de aangifte is, voor zover hier van belang, een resultaat uit overige werkzaamheden vermeld van € 3.865 negatief. Voorts heeft belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2012 de volgende uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek gebracht: Kosten medicijnen € 94 Uitgaven voor hulpmiddelen € 469 Uitgaven voor woningaanpassingen € 26.180 Uitgaven voor vervoer € 760 Extra uitgaven kleding of beddengoed € 300 Genees- en heelkundige hulp € 3.762 Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging € 31.565 Verhoging specifieke zorgkosten € 31.418 Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 62.983 Af: Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € - 510 Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 62.473. 3.2. De Inspecteur heeft op 26 juni 2015 aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.779. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het negatief resultaat uit overige werkzaamheden en de uitgaven wegens specifieke zorgkosten niet in aanmerking genomen. 3.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte IB/PVV gedaan naar ee Nu sprake is van een jarenlang negatief resultaat brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiseres feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een voordeelsverwachting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met al hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in de toekomst met haar werkzaamheden redelijkerwijs een positieve opbrengst is te verwachten. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de werkzaamheden betrekking hebben op voormalige klanten van het verzekeringsagentschap van eiseres. De activiteiten daarvan zijn inmiddels gestaakt, maar eiseres verricht nog in beperkte mate werkzaamheden voor het agentschap welke met name bestaan uit het verlenen van service aan de voormalige klanten. Nu eiseres heeft verklaard dat het hier gaat om werkzaamheden waarvan de kosten “met goed fatsoen” niet aan de voormalige klanten in rekening kunnen worden gebracht en de activiteiten van het agentschap inmiddels zijn gestaakt, is naar het oordeel van rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de activiteiten in de toekomst positieve resultaten zullen opleveren. Van een bron van inkomen is dan ook geen sprake zodat verweerder het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht niet in aanmerking heeft genomen. Uitgaven wegens specifieke zorgkosten 14. Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) noemt als uitgaven voor specifieke zorgkosten, de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor: a. genees- en heelkundige hulp (…); b. vervoer; c. (. . .); d. andere hulpmiddelen (…); e. (…); f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling; g. (…); h. (…). 15. Ten aanzien van de aftrek van specifieke zorgkosten rust op eiseres, als degene die de aftrek claimt, de bewijslast aannemelijk te maken dat zij dergelijke uitgaven heeft gedaan. Naast het algemene vereiste dat de uitgaven op eiseres moeten drukken geldt bij specifieke zorgkosten de voorwaarde dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van de uitgaven (artikel 6.1, derde lid, van de Wet). 16. Eiseres heeft voor de door haar voor de jaren 2012 en 2013 in aftrek gebrachte kosten voor genees- en heelkundige hulp, welke hebben bestaan uit tandartskosten en uitgaven voor behandeling door een alternatieve genezer en acupunctuur, geen vergoedingsspecificaties van de zorgverzekeraar overgelegd. Voor de tandartskosten geldt bovendien dat eiseres zelf heeft aangegeven dat deze kosten voor het jaar 2012 door de verzekeraar zijn vergoed en dat de vergoeding niet in mindering is gebracht op de kosten. De rechtbank acht dan ook onvoldoende aannemelijk dat de door eiseres gestelde kosten op haar hebben gedrukt zodat verweerder deze uitgaven terecht niet in aftrek heeft toegelaten. De omstandigheid dat de vergoeding voor de tandartskosten is betaald op grond van de door eiseres afgesloten aanvullende verzekering kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Ook het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt, aangezien de door eiseres vergeleken gevallen - aanvullend verzekerden en niet-aanvullend verzekerden - feitelijk en rechtens zodanig verschillend zijn dat niet kan worden gesproken van gelijke gevallen. Met betrekking tot de kosten voor behandeling door een alternatieve genezer en de kosten voor acupunctuurbehandelingen geldt bovendien nog dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze op voorschrift van een arts hebben plaatsgevonden zodat verweerder deze uitgaven ook om die reden terecht niet in aftrek heeft toegelaten. 17. Eiseres heeft als extra uitgaven voor vervoer in haar aangiften over 2012 en 2013 telkens een bedrag van € 760 in aanmerking genomen. Eiseres heeft haar stelling dat sprake is van uitgaven voor vervoer in verband met ziekte echter niet met nadere gegevens onderbouwd. Nu eiseres geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blij De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de Inspecteur een onderzoek dient in te stellen op het kantoor van de gemachtigde of bij belanghebbende zelf in aanwezigheid van haar gemachtigde, naar de juistheid van de door belanghebbende bij de aangifte in aftrek gebrachte uitgaven voor ziekte en het negatieve resultaat uit overige werkzaamheid. Het Hof ziet hiervoor geen reden. Belanghebbende draagt immers de last te bewijzen dat de door haar in aftrek gebrachte bedragen zijn gedaan en zijn aan te merken als uitgaven voor ziekte, alsmede dat sprake is van een negatief resultaat uit overige werkzaamheid. Het ligt op haar weg om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting door de Inspecteur stukken over te leggen die zij voor het bewijs van haar stellingen nuttig en noodzakelijk acht. Daartoe heeft zij in bezwaar, beroep en hoger beroep al dan niet met behulp van haar gemachtigde de gelegenheid gehad. 7.2. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende in het hiervoor genoemde recht op aftrek wegens uitgaven voor ziekte en het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden is beperkt door het bezoek dat medewerkers van de Belastingdienst aan de woning van belanghebbende hebben gebracht. Dit bezoek is, zo heeft de Inspecteur ter zitting verklaard, gebracht in het kader van het onderzoek van het Combinatieteam aanpak facilitators (Caf), een onderzoek dat zich volgens de Inspecteur richt op de vraag of adviseurs aftrek claimen voor hun cliënten van kosten die niet zijn gemaakt. De Inspecteur heeft ter zitting uiteengezet dat bij dat bezoek in het geheel geen gesprek met belanghebbende heeft plaatsgevonden en dat het Caf-onderzoek los staat van de aanslagregeling. Het bezoek heeft in dit geval slechts bestaan uit het aanbellen bij de woning van belanghebbende en het vragen aan een ter plaatse aanwezige zorgverlener of belanghebbende beschikbaar was voor een gesprek en toen dat niet het geval bleek zijn de medewerkers weer weggegaan. Deze gang van zaken is niet van invloed geweest op de aanslagregeling. Dat komt ook uit het dossier niet naar voren, aldus de Inspecteur. Het Hof acht een en ander aannemelijk. Voor de verdeling van de bewijslast noch voor de hoogte van de in het geding zijnde aanslagen ziet het Hof aanleiding om hier gevolgen aan te verbinden. 7.3. Het Hof volgt verder het oordeel van de Rechtbank voor wat betreft het ontbreken van een bron van inkomen en het niet aannemelijk gemaakt hebben van uitgaven voor ziekte en maakt die oordelen tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die het Hof leiden tot de conclusie dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld. 7.4. Het Hof komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. Proceskosten en griffierecht 8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 8.2. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten. Beslissing Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, voorzitter, en E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, leden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 14 november 2017 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht v