Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-10-24
ECLI:NL:GHDHA:2017:3172
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00479 Uitspraak van 24 oktober 2017 in het geding tussen: Woningstichting [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 19 april 2017, nummer 16/3046, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij aanslag van 24 november 2015 ten aanzien van belanghebbende leges omgevingsvergunning geheven ten bedrage van € 144.408. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag herroepen en de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De heffingsambtenaar is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten. Vaststaande feiten 3.1. Op 26 mei 2015 heeft belanghebbende een aanvraag omgevingsvergunning ingediend ter zake van de bouw van een nieuwbouw woonvoorziening met zware zorg aan de [Y] te [Z] . In de aanvraag heeft belanghebbende de bouwkosten geschat op € 2.709.209 exclusief omzetbelasting. 3.2. De aanslag is opgelegd op basis van de Verordening leges omgevingsvergunning 2015 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Verordening) naar een maatstaf van heffing (totale bouwkosten exclusief omzetbelasting) van € 4.054.019. 3.3. In de bezwaarprocedure heeft belanghebbende de geschatte bouwkosten waarop de aanvraag betrekking heeft, berekend op (afgerond) € 2.955.812 exclusief omzetbelasting. 3.4. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar, uitgaande van het onder 3.3 genoemde bedrag aan bouwkosten, geconstateerd dat dit bedrag in dezelfde tariefcategorie (categorie X) valt als die welke is toegepast bij de aanslagregeling. Op die grond heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. Verordening 4.1. Op grond van artikel 1 van de Verordening worden onder de naam ‘leges omgevingsvergunning’ rechten geheven ter zake van het genot door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel. 4.2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening worden de leges omgevingsvergunning geheven naar de heffingsmaatstaven en tarieven, opgenomen in de bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel (de Tarieventabel). 4.3. Op grond van artikel 1.1 van de Tarieventabel is de maatstaf van heffing bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen: de totale bouwkosten van de zaak waarop de aanvraag om een vergunning betrekking heeft. 4.4. Op grond van artikel 1.3 van de Tarieventabel bedraagt het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht): Categorie Totale bouwkosten in € Tarieven in € 0 0,00 t/m 7.700,00 316,00 I 7.700,01 t/m 15.400,00 466,00 II 15.400,01 t/m 35.900,00 1.072,00 III 35.900,01 t/m 71.900,00 1.580,00 IV 71.900,01 t/m 113.000,00 2.709,00 V 113.000,01 t/m 154.200,00 4.158,00 VI 154.200,01 t/m 267.000,00 9.808,00 VII 267.000,01 t/m 530.000,00 19.206,00 VIII 530.000,01 t/m 1.100.000,00 37.914,00 IX 1.100.000,01 t/m 2.800.000,00 75.513,00 X 2.800.000,01 t/m 5.350.000,00 144.408,00 XI 5.350.000,01 t/m 10.700.000,00 190.739,00 XII 10.700.000,01 t/m 26.700.000,00 290.346,00 XIII 26.700.000,01 t/m 53.500.000,00 57 Daarbij komt nog dat de verschillen tussen de tariefklassen in de onderhavige Tarieventabel kleiner zijn dan die in de Tarieventabel bij de Legesverordening 2013. 7.4. Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onderhavige tarief - uitkomend op afgerond 4,89 percent van de bouwkosten - leidt tot onredelijke en willekeurige legesheffing, die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot legesheffing niet op het oog kan hebben gehad. Belanghebbende verbindt daaraan - naar het Hof begrijpt - het gevolg dat categorie X van artikel 1.3 van de Tarieventabel verbindende kracht mist. Naar het oordeel van het Hof kan het voor belanghebbende van toepassing zijnde percentage van de bouwkosten van (afgerond) 4,89, binnen de tariefklasse waar het percentage varieert van 5,15 tot 2,70 van de bouwkosten, niet worden aangemerkt als onredelijk of willekeurig (vgl. het arrest van 30 juni 2017). De omstandigheid dat bij hogere bouwkosten wordt geheven naar een ander percentage levert niet een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). De heffing naar (mogelijkerwijs) lagere percentages van de bouwkosten in de categorieën onder die waarin belanghebbende valt, leidt niet tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Die percentages zijn immers per categorie zonder onderscheid van toepassing op alle belastingplichtigen (vgl. HR 10 december 2004, nr. 36776, ECLI:NL:HR:2004:AF7505, BNB 2005/102). 7.5. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat de Rechtbank de Tarieventabel ten onrechte onverbindend heeft verklaard. Het hoger beroep is derhalve gegrond. 7.6. Nu het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar is en de Rechtbank niet is toegekomen aan behandeling van de overige door belanghebbende in bezwaar en beroep ingenomen stellingen, dient nog te worden beoordeeld of, zoals belanghebbende betoogt, sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat het bouwproject waarvoor zij de omgevingsvergunning heeft aangevraagd, nagenoeg identiek is aan bouwproject van Woonstichting [A] te [C] , gemeente [B] (hierna: de Woonstichting), terwijl het aan de Woonstichting in rekening gebrachte bedrag aan leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag omgevingsvergunning in de gemeente [B] € 40.730,16 bedroeg, en het aan belanghebbende in rekening gebrachte bedrag € 144.408. 7.7. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Gemeenten mogen gelet op artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet gemeentelijke belastingen heffen naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van de belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Deze vrijheid wordt begrensd doordat de heffingsmaatstaven niet in strijd mogen komen met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel, waaronder het verbod van een willekeurige en onredelijke belastingheffing (vgl. MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 591, p. 66-67). Dit betekent dat elke gemeente vrij is, binnen de aangegeven grenzen, de hoogte van de leges vast te stellen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is daarom geen sprake. 7.8. Nu de door belanghebbende herberekende bouwsom van € 2.955.812 in dezelfde tariefcategorie valt als die waarop de aanslag is gebaseerd (tariefcategorie X), is gelet op al het vorenoverwogene de aanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd en dient te worden beslist als hierna vermeld. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, G.J. van Leijenhorst en Chr.Th.P.M.Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 24 oktober 2017 in het op