Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2017-10-10
ECLI:NL:GHDHA:2017:2940
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.221.528/01 Rolnummer rechtbank : C/09/532494 / KG ZA 17-611 Arrest van 10 oktober 2017 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen, tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag. Het geding Bij spoedappeldagvaarding van 10 augustus 2017 (met producties) heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 20 juli 2017 (hierna: het bestreden vonnis) in kort geding tussen partijen heeft gewezen. Daarbij heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De feiten die de voorzieningenrechter onder het kopje “2. De feiten” heeft vastgesteld, zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming van die feiten alsmede van hetgeen voorts, als onvoldoende weersproken, is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende. 1.1. [appellant] is strafrechtelijk vervolgd wegens cocaïnehandel. In 2003 is hij daarvoor onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Tevens is hem (in 2010) daarvoor ter ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel een ontnemingsmaatregel ad € 440.465,- opgelegd. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is in 2012 niet ontvankelijk verklaard. 1.2. [appellant] heeft geen betalingen verricht ten aanzien van de ontnemingsmaatregel. Wel is het conservatoir beslag ex art. 94a Sv. dat ten laste van hem was gelegd, afgewikkeld en is de executieopbrengst daarvan op het bedrag van de ontnemingsmaatregel in mindering gebracht. Op dit moment staat ter zake van de ontnemingsmaatregel nog een bedrag van € 345.407,89 open. 1.3. Gedurende de periode 2009 tot 2014 had [appellant] geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Nadat [appellant] weer in Nederland was ingeschreven, heeft het CJIB hem aangeschreven voor de voldoening van het restant van de ontnemingsmaatregel. Hieraan heeft [appellant] niet voldaan. Er is ook geen betalingsregeling getroffen. 1.4. Bij beschikking van 8 december 2016 heeft het hof Den Bosch een verzoek van [appellant] als bedoeld in artikel 577b lid 2 Sv. tot kwijtschelding of vermindering van het ter ontneming vastgestelde bedrag afgewezen. Aan het hof is voorgehouden dat de financiële middelen van [appellant] op dat moment beperkt waren. Het hof overwoog echter dat niet gebleken was dat [appellant] , mede gelet op zijn leeftijd, ook in de toekomst niet in staat kan worden geacht om aan de betalingsverplichting te voldoen en dat het feit dat hij is ontheven van zijn sollicitatieplicht daaraan niet afdoet. Het hof achtte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er aan de zijde van [appellant] sprake was van betalingsonmacht. 1.5. Bij beschikking van diezelfde datum heeft het hof Den Bosch op de voet van art. 577c Sv. verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van 540 dagen verleend, indien [appellant] na aanhouding niet tot volledige betaling zou overgaan of niet met een adequaat afbetalingsvoorstel zou komen. In dat kader heeft het hof onder meer overwogen dat niet was gebleken van omstandigheden waaruit betalingsonmacht van de zijde van [appellant] blijkt. 1.6. Op grond van die laatste beschikking is [appellant] sinds 12 mei 2017 gedetineerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat medegedeeld dat [appellant] opnieuw een verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van het ter ontneming vastgestelde bedrag heeft ingediend, welk verzoek in oktober 2017 zal worden behandeld. 2. [appellant] vordert, samengevat, (i) de Staat te verbieden om aan hem lijfsdwang op te leggen en derhalve schorsing van de beschikking tot tenuitvoerle Dat betekent niet alleen dat het hof ervan moet uitgaan dat de strafrechter het bedrag van de ontnemingsmaatregel juist heeft vastgesteld maar ook dat de strafrechter in het hof Den Bosch de lijfsdwang terecht heeft opgelegd. Het betoog van [appellant] dat hij onmachtig is te betalen zodat het door hem te betalen bedrag moet worden kwijtgescholden of verminderd is door de strafrechter van het hof Den Bosch verworpen. De civiele rechter dient van de juistheid van deze beslissingen uit te gaan. Daarnaast heeft te gelden dat [appellant] dit betoog opnieuw in een door hem aan te spannen (of, indien hij deze zoals de Staat stelt, reeds heeft aangespannen in die) procedure ex art. 577b lid 2 Sv. naar voren kan en dient te brengen. Voor een oordeel over de gestelde tegenstrijdigheid in de standpunten van de Staat ten aanzien van het al dan niet vermogend zijn van [appellant] is in deze procedure dus ook geen plaats. 8. Van schending van art. 6 EVRM, omdat [appellant] geen eerlijk proces (bij dit hof, zo begrijpt het hof) krijgt aangezien hij op basis van een toevoeging procedeert en de Staat de landsadvocaat heeft ingeschakeld, is evenmin sprake. Het rechtsbijstandsstelsel heeft [appellant] in staat gesteld effectieve toegang tot de rechter te krijgen. Dat de advocaat van [appellant] wellicht minder wordt gehonoreerd dan de advocaat van de Staat maakt dat niet anders. 9. Op grond van het voorgaande falen de grieven 1, 3 en 4. 10. Met zijn tweede grief klaagt [appellant] erover dat zijn vordering tot het treffen van een betalingsregeling is afgewezen. 11. [appellant] herhaalt hierbij dat hij geen geld heeft en dat de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel niet klopt. Voor deze argumenten geldt eveneens dat hij die bij de strafrechter naar voren diende (c.q. dient) te brengen en dat het hof moet uitgaan van de juistheid van de oordelen van de strafrechter. 12. Verder betoogt [appellant] dat de weigering van het CJIB om de zaak te heroverwegen onrechtmatig is jegens hem. Ervan uitgaand dat deze stelling ziet op de betalingsregeling die [appellant] voor ogen staat, geldt het volgende. 13. In het wettelijk stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke beslissing van de strafrechter, leidend tot veroordeling, niet alleen mag maar ook ten uitvoer moet worden gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Dat geldt ook voor de executie van een opgelegde ontnemingsmaatregel en de lijfsdwang die is opgelegd bij het uitblijven van volledige betaling of het aanbieden van een adequaat betalingsvoorstel. 14. Het CJIB is de instantie die door het openbaar ministerie met de executie van een ontnemingsmaatregel en het daarmee samenhangende bevel tot toepassing lijfsdwang is belast. Het CJIB heeft een ruime beleidsvrijheid, zodat zijn beslissingen slechts marginaal kunnen worden getoetst. De wijze waarop het CJIB een ontnemingsmaatregel en het daarmee samenhangende bevel van de rechter tot toepassing van lijfsdwang ten uitvoer legt, is neergelegd in de Aanwijzing executie (Staatscourant 2014, nummer 37617, datum inwerkingtreding 1 januari 2015, hierna: de Aanwijzing). Dit beleid houdt kort samengevat in dat het CJIB in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat een verzoek daartoe alleen op grond van bijzondere omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden kan worden gehonoreerd. 15. In dit geval volgt uit de onder 1.5 genoemde beschikking van 8 december 2016 dat de strafrechter [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld om na zijn aanhouding ter executie van de lijfsdwang alsnog een adequaat betalingsvoorstel te doen. De vraag ligt dus voor, of het CJIB onrechtmatig handelt door de thans aangeboden betalingsregeling van € 200 per maand niet te accepteren. 16. Volgens de Aanwijzing is de termijn waarbinnen volledige betaling van de ontnemingsmaatregel moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan deze termijn tot 36 maanden worden verlengd, mits aannemelijk is dat binnen de afgesproken termijn aan de gehele vo