Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2016-06-07
ECLI:NL:GHDHA:2016:3690
Strafrecht
Hoger beroep
2,456 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-004015-15
Parketnummer: 09-140107-15
Datum uitspraak: 7 juni 2016
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1970,
[adres], ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de P.I. Lelystad te Lelystad.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 mei 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juli 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (dames)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting aanpak voertuig criminaliteit, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Verweer
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard op basis van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien hij van mening is dat sprake is van schending van het zogenoemde ‘Tallon-criterium’.
De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat door de politie op zaterdagochtend 11 juli 2015 een zogenaamde ‘lokfiets’ is geplaatst bij de bibliotheek te Den Haag, waarbij de fietssleutel in het slot was achtergelaten. Een dag later, op zondag 12 juli, is de verdachte van huis gegaan zonder het voornemen om te stelen, maar heeft hij, toen hij de mooie fiets onafgesloten zag staan, ter plaatse spontaan besloten de fiets weg te nemen. De raadsman stelt dat de verdachte tot zijn handelen is gekomen doordat hij door het optreden van de politie, die de fiets daar met opzet had geplaatst, is uitgelokt. De raadsman is van mening dat er sprake is van een schending van het Tallon-criterium en hij heeft daarbij verwezen naar een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 28 december 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:5477) waarin het openbaar ministerie wegens schending van het Tallon-criterium niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de diefstal van een lokfiets. Daarin wordt onder meer overwogen dat ‘aannemelijk is dat de verdachte door het optreden van de politie is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Immers, door de politie was een in goede staat verkerende fiets geplaatst in een woonwijk, tussen bebouwing, bij een speelveldje dat was gelegen aan de achterzijde van de woningen. Een plek alwaar volgens de verdachte doorgaans geen fietsen staan of worden gestald. Voorts stelt het hof in die zaak vast dat het ook niet de opzet van de verdachte is geweest om op die dag een fiets te stelen.’.
De raadsman is van mening dat de omstandigheden in onderhavige zaak vergelijkbaar zijn met die van de in het arrest genoemde omstandigheden en dat dit in deze zaak ook dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het hof overweegt het volgende.
In zijn arrest van 28 oktober 2008, NJ 2009,224 (ECLI:NL:HR:2008:BE9817) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat ‘het plaatsen door de politie van een zogenoemde lokfiets teneinde aldus fietsendieven op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd is, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling’. De Hoge Raad toetst het gebruik van de lokfiets dan aan het Tallon-criterium. De Hoge Raad komt tot de volgende conclusie: ‘De politie heeft niet meer gedaan dan het plaatsen van de desbetreffende fiets op een plek waar veel andere fietsen plegen te worden gestald en waar veelvuldig fietsen worden gestolen, om vervolgens af te wachten wat met de lokfiets zou gebeuren. De enkele omstandigheid dat die fiets niet was afgesloten, dwingt niet tot een ander oordeel’.
Het hof stelt vast dat in onderhavige zaak de fiets op zaterdagochtend 11 juli 2015 om 9:26 uur bij de bibliotheek in de nabijheid van andere fietsen was geplaatst. De lokfiets wordt door de politie Den Haag ingezet als lokmiddel in het verzorgingsgebied Beresteinlaan te Den Haag op locaties waar eerder veel fietsen zijn gestolen. Niet gebleken is dat verbalisanten hebben beoogd juist deze specifieke verdachte de fiets te doen meenemen. Op zondag 12 juli 2015 om 09:05 uur ontving de politie een bericht dat de gps-locatie van de fiets was gewijzigd en even later was het gps-signaal kennelijk verstoord. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte kort daarvoor eerst langs de fiets was gelopen om binnen 30 seconden weer om te keren en de fiets te pakken. De verdachte is uiteindelijk op 14 juli 2015 met de fiets aangehouden.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat niet in strijd is gehandeld met het Tallon-criterium en dat dus geen sprake is geweest van uitlokking. In afwijking van de casus waar het Hof in Den Bosch zich over heeft gebogen en waar de plaatsing van het lokmiddel in dat geval kennelijk een significante afwijking meebracht ten opzichte van de gewone situatie ter plaatse, is de lokfiets in de onderhavige zaak juist ingezet op een locatie waar eerder veel fietsen zijn gestolen.
De (onafgesloten) lokfiets is door de politie geplaatst in de directe nabijheid van meerdere gestalde fietsen en paste binnen het normale straatbeeld.
Kennelijk was de verdachte gespitst op niet-afgesloten fietsen en heeft hij deze gelegenheid te baat genomen.
Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat er geen sprake is van een situatie dat de verdachte is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Het hof verwerpt het verweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 12 juli 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting aanpak voertuig criminaliteit. in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen te melden bij de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2016.