Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2015-09-09
ECLI:NL:GHDHA:2015:2512
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,710 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 9 september 2015
Zaaknummer : 200.169.979/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 15-188
Zaaknummer rechtbank : C/09/481976
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. P.H.J. Körver te Den Haag,
tegen
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de Stichting Jeugdbescherming West te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.A. Wesdorp te Almere.
Procesverloop
De moeder is op 15 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 februari 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.
De raad heeft op 1 juli 2015 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder op 30 juli 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.
De zaak is op 19 augustus 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
mevrouw [naam] namens de raad;
mevrouw [naam] namens de gecertificeerde instelling.
Procesverloop
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), van 16 februari 2015 tot 16 februari 2016 onder toezicht van de gecertificeerde instelling gesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de moeder alleen het gezag over de minderjarige heeft.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) is de appellant verplicht aan de rechter in hoger beroep een authentiek afschrift van de bestreden uitspraak over te leggen, alsmede afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken. Voor zover het verzoekschriftprocedures betreft, strekt dit voorschrift ertoe zeker te stellen dat de rechter zich adequaat op de mondelinge behandeling kan voorbereiden. Op het niet (tijdig) voldoen aan het bepaalde in art. 34, eerste lid, Rv is geen wettelijke sanctie gesteld, doch het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat de rechter op die stukken geen acht slaat (vgl. Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4856 en Hoge Raad 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752). Het hof heeft de advocaat van de moeder ter terechtzitting voorgehouden dat hij heeft verzuimd de bijlagen behorend bij en deel uitmakend van zijn verweerschrift in eerste aanleg over te leggen aan het hof, ondanks de verplichting voortvloeiend uit artikel 34 Rv en een rappel van het hof om deze stukken in het geding te brengen in onderhavige procedure. Het hof heeft de (advocaat van de) moeder medegedeeld dat het de zaak zal beoordelen op basis van de stukken die voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingediend. Dit betekent dat het hof niet in staat is de eerste grief van de moeder te onderzoeken voor zover deze zich richt tegen het niet in de beoordeling betrekken van producties die kennelijk deel uit maakten van het verweerschrift in eerste aanleg. De eerste grief faalt dan ook in zoverre.
2. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de periode van 16 februari 2015 tot 16 februari 2016.
3. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) het inleidende verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
4. De raad verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De moeder voert het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte het – tijdens de zitting ingediende – verweerschrift van de moeder niet in de beoordeling betrokken. In het verweerschrift heeft de moeder niet alleen aangegeven waarom een ondertoezichtstelling ondoelmatig is, maar ook via welke alternatieve weg volgens deskundigen mogelijk eenzelfde resultaat kan worden bereikt. Voorts stelt de moeder dat bij de behandeling ter zitting alsmede in de bestreden beschikking ten onrechte niet nadrukkelijk is ingegaan op het feit dat de minderjarige hoogbegaafd is en dat ten onrechte niet expliciet is bevolen dat de begeleiding in het kader van de ondertoezichtstelling door een gespecialiseerde hulpverlener dient te worden aangeboden. In aansluiting daarop stelt de moeder dat er in de hele procedure van hulpverlening en rechtszaken ten onrechte niet naar de minderjarige is geluisterd en zijn mening niet is meegenomen in de besluiten die er over hem – door mensen die hem vaak nauwelijks kennen – worden genomen. De moeder voert daartoe aan dat de minderjarige heel goed kan beargumenteren wat hij wel en niet wil en dat dwang tot contact met zijn vader niet zal werken. Tot slot stelt de moeder dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige, die het goed doet op school en voldoende vriendjes en vriendinnetjes heeft. Het enige dat hem dwars zit, zijn de gerechtelijke procedures waar hij zijdelings bij betrokken wordt en waar zijn moeder last van heeft. Het conflict tussen zijn ouders zal echter niet worden opgelost door de ondertoezichtstelling, zodat niet valt in te zien wat de ondertoezichtstelling zal kunnen bijdragen aan het welzijn van de minderjarige.
6. De raad verweert zich daartegen als volgt. De ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd nu hij geen contact heeft met zijn vader en hij de spanningen tussen de ouders voelt. Op die manier kan de minderjarige geen eigen visie ontwikkelen over wie zijn vader is en wat zijn vader voor hem zou kunnen betekenen. Dit is schadelijk voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige, omdat hij momenteel een zeer negatief beeld over zijn vader heeft. De raad betwist dat het verweer van de moeder niet zou zijn meegenomen en wijst er in dat kader op dat de advocaat van de moeder ter terechtzitting overeenkomstig zijn verweerschrift het woord heeft gevoerd. De raad stelt voorts dat tijdens het onderzoek contact is opgenomen met de kinderpsycholoog die de minderjarige onder behandeling heeft en dat ook de gezinsvoogd inmiddels contact met die psycholoog heeft opgenomen. De kinderpsycholoog geeft aan dat omgang tussen de vader en de minderjarige mogelijk moet zijn, mits geleidelijk opgebouwd. De kinderpsycholoog geeft voorts aan dat de minderjarige zich terughoudend kan opstellen ten opzichte van contacten met de vader, omdat hij voelt en ziet dat zijn moeder niet achter die contacten staat. De raad stelt dat er met de gezinsvoogd, de kinderpsycholoog, de vader en de minderjarige gekeken moet worden naar de mogelijkheden tot omgang, die aanvankelijk eventueel onder begeleiding plaats zal moeten vinden. Dit is in het verleden in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond gekomen, zodat een gedwongen kader noodzakelijk is, aldus de raad.
7. De gecertificeerde instelling voert aan dat er geen zicht is op de mate waarin de minderjarige is beschadigd door de wijze waarop zijn ouders uiteen zijn gegaan, noch op welke spanningen het ontbreken en weer opstarten van omgang met de vader veroorzaakt. De gecertificeerde instelling wijst erop dat uit begeleide omgangstrajecten in het verleden geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen dat het niet goed zou zijn voor de minderjarige om contact met zijn vader te hebben. De enige contra-indicatie voor omgang is de ernstige weerstand van de moeder jegens de vader. Ook de kinderpsycholoog bij wie de minderjarige onder behandeling is (geweest), ziet geen contra-indicaties voor omgang, zolang met de minderjarige in gesprek wordt gegaan om die contacten vorm te geven en het tempo van de minderjarige gerespecteerd wordt. De gecertificeerde instelling onderschrijft het belang van een gefaseerde en voorzichtige opbouw van contact tussen de vader en de minderjarige, omdat de minderjarige erg loyaal is naar de moeder en er sprake zou kunnen zijn van een loyaliteitsconflict. De school van de minderjarige geeft weliswaar aan dat de minderjarige een slimme jongen is, maar dat noch in het gesprek met de gezinsvoogd, noch in stukken van de school is gesteld dat de minderjarige hoogbegaafd is en daarom een speciaal kind zou zijn dat bijzondere behandeling nodig heeft. De gezinsvoogd wijst er in dit kader op dat de moeder tot aan de mondelinge behandeling van deze zaak alle contact tussen de gezinsvoogd en de minderjarige heeft tegengehouden, waardoor zij zich geen zelfstandig beeld over de minderjarige heeft kunnen vormen.
8. De vader stelt dat hij de minderjarige voor Moederdag 2009 dagelijks zag, en hem nadien slechts enkele keren een uurtje onder begeleiding heeft gezien. De vader wijt het ontbreken van contact aan de grote weerstand die de moeder jegens hem koestert en vreest dat het ontbreken van een band met zijn vader de emotionele ontwikkeling van de minderjarige zal schaden.
9. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), aanwezig zijn. Uit dat artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht gesteld kan worden indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
10.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Obbink-Reijngoud, Van Kempen en Warnaar, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2015.