Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2015-02-18
ECLI:NL:GHDHA:2015:1417
Strafrecht
PROMIS Rolnummer: 22-002777-14 Parketnummer: 10-057787-13 Datum uitspraak: 18 februari 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [plaats] op [dag] 1992, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 februari 2015. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1. en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 22 februari 2013 te Gorinchem alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een: - een nabootsing van een machinepistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een machinepistool merk Heckler & Koch model MP5-A5 en/of - een nabootsing van een vuurwapen, te weten een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Heckler & Koch model USP en/of - een nabootsing van een vuurwapen, te weten een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Beretta model 92F voorhanden heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 22 februari 2013 te Gorinchem alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes en/of een valmes voorhanden heeft gehad. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Verweren Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde voorhanden hebben van “een nabootsing van een machinepistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een machinepistool merk Heckler & Koch model MP5-A5”, omdat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet de beschikking over dit voorwerp had. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nr. PL1820 2013017511-7 hebben de opsporingsambtenaren – nadat zij een machtiging tot binnentreden in de woning ter doorzoeking op de Wet Wapens en Munitie hadden verkregen – de kamer van de verdachte doorzocht en daarbij verschillende wapens aantroffen. Vervolgens heeft de vader van de verdachte, [naam], op de bovenste verdieping van de woning een koffer aan de opsporingsambtenaren aangewezen, die een op een MP-5 gelijkend wapen bleek te bevatten. Voorts blijkt uit het proces-verbaal verhoor van de vader van de verdachte, dat de verdachte de MP-5 replica van zijn ouders zou krijgen, als hij niet zou gaan roken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de MP-5 replica van hem was, maar dat hij het pas zou krijgen als hij zou stoppen met roken en dat het voorwerp door zijn vader op een voor de verdachte onbekende plaats in huis was verstopt. Op grond van het vorenstaande acht het hof derhalve niet bewezen dat de verdachte dit voorwerp voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte – overeenkomstig het standpunt van de verdediging - van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Het door de raadsman aangevoerde verweer dat de verdachte eveneens van het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van “een valmes” dient te worden vrijgesproken, nu dit wapen ten tijde van het ten laste gelegde defect was en daarom niet voldoet aan de in de Wet Wapens en Munitie gegeven omschrijving, wordt door het hof verworpen. Immers, een defect behoeft er op zichzelf niet aan in de weg te staan dat het voorwerp kan worden aangemerkt als een voorwerp dat voor bedreiging of afdreiging geschikt is. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op of omstreeks 22 februari 2013 te Gorinchem alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een: - een nabootsing van een machinepistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een machinepistool merk Heckler & Koch model MP5-A5 en/of - een nabootsing van een vuurwapen, te weten een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Heckler & Koch model USP en/of - een nabootsing van een vuurwapen, te weten een nabootsing van een pistool welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool merk Beretta model 92F voorhanden heeft gehad; 2. hij op of omstreeks 22 februari 2013 te Gorinchem alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes en/of een valmes voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering, mr. Chr.A. Baardman en mr. A.H. de Wild, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2015. mr. A.H. de Wild is buiten staat dit arrest te ondertekenen.