Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2013-11-05
ECLI:NL:GHDHA:2013:3988
Civiel recht
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.091.386/01 Rolnummer rechtbank : 362070 / HA ZA 10-1049 arrest d.d. 5 november 2013 inzake 1. Dixons B.V., gevestigd te Ouder Amstel, 2. Dynabyte B.V., gevestigd te Zwolle, 3. HEMA B.V., gevestigd te Amsterdam, 4. Hunkemöller B.V. gevestigd te Amsterdam, 5. MS Mode Holding B.V., voorheen M&S Mode International B.V. gevestigd te Amsterdam, hierna gezamenlijk te noemen: Dixons c.s. en afzonderlijk respectievelijk Dixons, Dynabyte, Hema, Hunkemöller en MS Mode, appellanten, advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal, tegen Stichting opleidingsfonds Hoofdbedrijfschap Detailhandel, gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: HBD, advocaat: mr. R.G. Snouckaert van Schauburg te Den Haag. Bij exploot van 19 juli 2011, is Dixons c.s. in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, gewezen vonnissen van respectievelijk 26 mei 2010 (verder: het bestreden tussenvonnis) en 11 mei 2011 (verder: het bestreden eindvonnis). Bij memorie van grieven heeft Dixons c.s. vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft HBD de grieven bestreden. Op 30 september 2013 hebben partijen hun zaak doen bepleiten. Van de pleidooizitting is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Het hof: - bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 mei 2011; - veroordeelt Dixons c.s. hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van HBD tot op heden begroot op € 649,-- aan griffierecht en € 2.682,-- aan salaris advocaat; - verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, J.E.H.M. Pinckaers en D. den Hertog en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2013 in aanwezigheid van de griffier. 1. De door de rechtbank in het bestreden eindvonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Ingevolge de Subsidieregeling ESF3 kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) op aanvraag een zogenoemde projectsubsidie verlenen aan een rechtspersoon, indien is voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden. De aanvraag dient ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 2 van de Subsidieregeling ESF3 te worden ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat daartoe door de minister ter beschikking wordt gesteld, en dient in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting en financieringsplan te bevatten. Artikel 6 van de Subsidieregeling ESF3 luidt, voor zover van belang, als volgt: "Een projectsubsidie-aanvraag wordt afgewezen: a. indien de aanvraag of het voor subsidie aangemelde project niet voldoet aan de bij en krachtens deze regeling gestelde eisen; (…) e. indien door subsidieverlening het in het toepasselijke ESF3-Beleidskader aangegeven subsidieplafond zou worden overschreden; (…)". 2.2 Artikel 2a van het indertijd geldende ESF3-beleidskader bepaalde dat slechts bepaalde, door werkgevers en werknemers in het leven geroepen, dan wel beheerde, samenwerkingsverbanden per bedrijfstak of onderneming, een projectaanvraag konden doen als bedoeld in de Subsidieregeling ESF3. HBD was zo een toegelaten aanvrager. 2.3 Dixons c.s. heeft in 2005 HBD ingeschakeld voor het doen van een aanvraag voor een projectsubsidie. 2.4 Ten tijde van het inschakelen van HBD was nog niet bekend wanneer het subsidieplafond zou worden vastgesteld en op welke datum het subsidieloket zou worden gesloten. 2.7 HBD heeft op 13 oktober 2005 een conferentie van SZW bijgewoond, op welke conferentie werd medegedeeld dat de bodem van de subsidiepot in zicht kwam, en de verwachting werd uitgesproken dat dit waarschijnlijk in maart of april 2006 het geval zou zijn. 2.8 De bodem van de subsidiepot kwam echter al veel eerder in zicht: om overbesteding aan ESF-projecten te voorkomen heeft de Staatssecretaris op 27 oktober 2005 besloten dat het plafond voor subsidies verstrekt op basis van de Subsidieregeling ESF3, met ingang van 28 oktober 2005, 9.00 uur, op nul euro werd gesteld. Dit besluit werd op 28 oktober 2008 bekendgemaakt door middel van een persbericht, een bericht op de website van SZW en brieven, telefoontjes en e-mails aan potentiële aanvragers. Publicatie van het besluit in de Staatscourant vond op 1 november 2005 plaats. 2.8 Op de website van SZW stonden onder meer de volgende vragen en antwoorden: "(…) Kan ik nog een aanvraag indienen? Dat heeft geen zin meer (…) Komen te late aanvragen op volg orde van binnenkomst toch aan bod bij vrijval? Het loket is definitief gesloten; de na sluiting binnengekomen aanvragen worden niet in behandeling genomen en ook niet op een wacht- of reservelijst geplaatst (…)". 2.9 Het besluit was kennelijk al voor de bekendmaking van het persbericht naar buiten gekomen. Volgens Dixons c.s. heeft de directeur HR van Dixons tijdens een diner op 25 oktober 2005 van het gerucht gehoord van de directeur van ROC Tilburg. In de loop van 27 oktober en in de vroege ochtend van 28 oktober 2005 en ook in de dagen daarna werden vele ESF-subsidieaanvragen ingediend. 2.10 De aanvragen die binnenkwamen na 28 oktober 2005 9.00 uur zijn door de staatssecretaris afgewezen. 2.11 Bij uitspraak van 3 januari 2007 (ABRS 3-1-2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ5491) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de algemene regels van bekendmaking van afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onverkort van toepassing zijn op aanvragen ingevolge de ESF3-subsidieregeling. Dit betekent dat het besluit van de Staatssecretaris eerst in werking is getreden op 1 november 2005 (datum publicatie van het besluit in de Staatscourant) en dat het in dat besluit bekendgemaakte subsidieplafond geen gevolgen heeft voor de vóór die datum ingediende aanvragen. 2.12 HBD heeft de subsidieaanvragen van Dixons c.s. niet voor 1 november 2005 ingediend. 2.13 Bij brief van 20 mei 2008 heeft de raadsman van Dixons c.s. HBD aansprakelijk gesteld voor het te laat indienen van de subsidieaanvragen van Dixons c.s.. De aansprakelijkstelling werd al volgt gemotiveerd: "In de laatste dagen van oktober 2005 is uitgelekt dat het subsidieloket gesloten zou worden. Voor zover ik na heb kunnen gaan was dat gerucht ook bij U bekend, al is die bekendheid niet van doorslaggevende betekenis om U aansprakelijk te stellen. U had toen, dat wil zeggen in die laatste dagen van oktober 2005 en nog vóór de officiële sluiting van het loket op 1 november 2005 namens mijn afzonderlijke cliënten een aanvraag tot toekenning van subsidie in kunnen dienen, ook als of ofschoon alle daarvoor vereiste gegevens nog niet beschikbaar waren. Het vervolg zou dan zijn geweest dat de Staatssecretaris ingevolge art. 4:5 van de Awb een (redelijke) termijn had moeten stellen om het verzoek te completeren. Volgens de Awb zou in ieder geval het verzoek tijdig zijn ingediend en vervolgens, aangenomen dat de ontbrekende gegevens tijdig aan het ingediende verzoek zouden zijn toegevoegd, waren mijn cliënten in aanmerking gekomen voor subsidie zoals alle anderen die tijdig een subsidieverzoek hebben ingediend." 2.14 HBD heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.15 In de onderhavige procedure vordert Dixons c.s. een verklaring voor recht dat HBD toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting jegens ieder van Dixons c.s. tijdig subsidie aan te vragen en de veroordeling van HBD aan ieder van Dixons c.s. de schade te vergoeden die zij als gevolg van die toerekenbare tekortkoming heeft geleden en nog zal leiden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van HBD in de kosten van de procedure. 2.16 De rechtbank heeft de vorderingen van HBD bij het bestreden eindvonnis afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat geen sprake was van een resultaatsverplichting de subsidie tijdig aan te vragen, temeer nu ten tijde van de opdrachtverlening niet bekend was wanneer het subsidieplafond zou worden vastgesteld, terwijl HBD voor het indienen van de subsidieaanvragen afhankelijk was van na de totstandkoming van de overeenkomst nog door Dixons c.s. in te dienen gegevens. Volgens de rechtbank heeft HBD evenmin gehandeld in strijd met hetgeen een zorgvuldig opdrachtgever betaamt. HBD heeft ontkend op de hoogte te zijn geweest van de in rechtsoverweging 2.9 bedoelde geruchten, en als de directeur HR al over het gerucht heeft gesproken met HBD (de betreffende medewerker ontkent dit), dan was dit gerucht zo vaag en in strijd met de informatie die HBD zelf van SZW had ontvangen, dat zij hieraan geen waarde hoefde te hechten.