ECLI:NL:GHARN:2010:BM6048
Parketnummer: 24-001584-08
Parketnummer eerste aanleg: 07-461079-07
Arrest van 21 mei 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 juni 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1956] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte
mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het openbaar ministerie bij het vonnis niet-ontvankelijk verklaard, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 5 juni 2009 en 7 mei 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg d.d. 7 november 2007 en d.d. 27 mei 2008.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging en de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank Zwolle-Lelystad voor verdere afdoening.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting d.d. 5 juni 2009 betoogd dat er geen sprake is geweest van stelselmatige observatie. Voorts heeft hij gesteld dat uit de manier van werken (te weten: het wissen van camerabeelden indien [betrokkene] geen melding deed dat hij geld miste) niet kan volgen dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van de opsporingsambtenaren. Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting d.d. 7 mei 2010 in aanvulling hierop betoogd dat uit de aanvullende stukken het verschil tussen het interne en strafrechtelijke onderzoek nadrukkelijk naar voren komt. Er blijkt duidelijk van een omslagpunt, namelijk de dag waarop de officier van justitie wordt geïnformeerd over het verrichte interne onderzoek en de verdachte die uit dat onderzoek naar voren is gekomen. De officier van justitie droeg vooraf geen kennis van het plaatsen van de camera('s). Aldus dient het openbaar ministerie ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 juni 2009 heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat er sprake is geweest van een dermate ernstige schending in het vooronderzoek dat ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) het de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot gevolg dient te hebben. Vanaf het begin af aan is er sprake van een opsporingsonderzoek geweest, waarbij gebruik is gemaakt van de bevoegdheid ex artikel 126k Sv. Voorts heeft de politieorganisatie strafbaar gehandeld door overtreding van artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Daarnaast is het gebruik van camera's disproportioneel en in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Ten slotte betreffen de opnames slechts geringe tijdspannes en ontbreken opnames van de periodes dat cliënt stelt het geld te hebben teruggelegd, aldus is verdachte de mogelijkheid ontnomen om met ontlastend bewijs zijn stelling te staven.
In aanvulling hierop heeft de raadsman ter terechtzitting d.d. 7 mei 2010 aangevoerd dat al op 1 maart 2007 de naam van [verdachte] wordt genoemd als verdachte, en dat er sprake is van diefstal/verduistering. Als [verdachte] niet meteen verdachte is, dan is hij dat toch zeker heel snel. Aldus is sprake van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. De politie kan zich niet verschuilen achter interne richtlijnen, de formele wetgeving prevaleert altijd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op 23 juni 2007 doet [betrokkene] aangifte van diefstal. [betrokkene] is de beheerder van een geldbakje, welk bakje in de keuken van het politiebureau aan de [straat] te [plaats] staat. In dit geldbakje moet geld gedeponeerd worden indien iemand iets koopt uit de vriezer. [betrokkene] stelt dat na 21 februari 2007 met regelmaat geld uit het geldbakje verdween. Als er een bankbiljet was verdwenen meldde hij dit bij [getuige 1], werkzaam bij [organisatie][regio][organisatie], en [getuige 2], hoofdinspecteur van politie, teamchef [bureau]
[getuige 2] heeft verklaard dat [berokkene] in februari 2007 haar meldde dat er geld verdween uit het betreffende geldbakje. Zij had geen idee wie verantwoordelijk was voor de diefstal. [getuige 2] heeft toen contact gezocht met [organisatie]. Vervolgens heeft - zo blijkt uit het aanvullend proces-verbaal d.d. 9 juli 2009 (bijlage 3) - [getuige 3], directeur bedrijfsvoering politie [regio], in maart 2007 schriftelijk kenbaar gemaakt dat - gelet op de informatie binnengekomen bij [organisatie] - in het kader van de Regeling Onderzoeken door de Korpsleiding politie [regio], een intern onderzoek is ingesteld naar mogelijk diefstal van geld in het [bureau]. In dit kader is vervolgens - onder verwijzing naar appendix 1 bij de handleiding Interne onderzoeken politie [regio] - gebruik gemaakt van heimelijk opgenomen camerabeelden, aldus [getuige 3].
Verbalisanten T-46 en T-47, opsporingsambtenaar bij de [politieregio], hebben op 18 maart 2007 op verzoek van het [organisatie] een observatiecamera geplaatst gericht op en rond het geldbakje in de keuken. Door T-47 werden ter plaatse op 14 juni 2007 een tweede en derde camera geïnstalleerd. Op basis van de camerabeelden is de verdenking van diefstal uit het geldbakje jegens onder meer verdachte ontstaan. Daarop is melding gedaan bij de officier van justitie en is het opsporingsonderzoek opgestart. In dat kader zijn de camerabeelden voor zover nog aanwezig aan het openbaar ministerie ter beschikking gesteld.
Uit de Handleiding interne onderzoeken blijkt het volgende (aanvullend proces-verbaal d.d. 9 juli 2009, bijlage 2) :
'Een intern onderzoek wordt ingesteld na opdracht van een lid van de korpsleiding. (...) Het onderzoek wordt door [organisatie] uitgevoerd. (...)
De ambtenaar die onderwerp is van een intern onderzoek, is in dat onderzoek geen verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering; de daarmee samenhangende bescherming is daarom ook niet op hem van toepassing. (...)
Een intern onderzoek is primair een zaak tussen de werkgever en de werknemer. (...)
Appendix 1. Gebruik camera-opnames
De Korpsleiding behoudt zich het recht voor om ten behoeve van de waarheidsvinding in interne onderzoeken heimelijk opnames te maken. (...) indien:
* het vermoeden bestaat dat het vermeende laakbaar handelen van medewerkers niet op een andere wijze kan worden vastgesteld dan door middel van heimelijk geplaatste camera's
* het vermeende laakbaar handelen van dien aard is dat dit de inzet van deze camera's rechtvaardigt (...)
Mochten geen laakbare gedragingen op de opnames te zien zijn, dan zullen deze opnames worden gewist.(...)
Voorts zullen gemaakte opnames ter beschikking worden gesteld aan het Openbaar Ministerie indien blijkt dat alsnog een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld naar het handelen van een betrokken medewerker van de politie [regio].'
Voorts blijkt uit het aanvullend proces-verbaal d.d. 9 juli 2009 (bijlage 1) dat [getuige 3] het openbaar ministerie eerst op 20 juni 2007 over deze zaak heeft ge?nformeerd. Zij heeft de zaak besproken met de officier van justitie, [naam].
Het hof is van oordeel dat tot 20 juni 2007 geen sprake is geweest van handelen in het kader van de opsporing.