Rechtspraak 2003-02-13
ECLI:NL:GHARN:2003:AF4933
ECLI:NL:GHARN:2003:AF4933 text/xml public 2025-03-22T21:52:57 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AF4933 Gerechtshof Arnhem 2003-02-13 00-01060 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl PJ 2003/145 met annotatie van R. Stam NTFR 2003/586 met annotatie van mr. M. van Vierzen-de Boer http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2003:AF4933 text/html public 2013-04-04T18:28:49 2003-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARN:2003:AF4933 Gerechtshof Arnhem , 13-02-2003 / 00-01060 - Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 00/01060 (inkomstenbelasting) U i t s p r a a k op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.645. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 131.113. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 oktober 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, [belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur]. 1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet hier als ingelast worden aangemerkt. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Op 1 januari 1994 is belanghebbende als beherend vennoot toegetreden tot de commanditaire vennootschap [A] C.V. (hierna: CV). Op 9 juli 1997 is de onderneming die werd uitgeoefend in de CV met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 "ruisend" ingebracht in de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: BV). 2.2. In verband met deze inbreng heeft belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar (1996) een bedrag van ƒ 321 aan stakingswinst aangegeven. Ter zake van dit bedrag heeft hij de stakingsvrijstelling toegepast, zodat door hem in zoverre geen stakingswinst tot het belastbaar inkomen wordt gerekend. 2.3. In de jaren 1994 en 1995 heeft belanghebbende een fiscale oudedagsreserve gevormd (hierna: FOR). De dotatie over het jaar 1994 bedroeg ƒ 41.892, over het jaar 1995 bedroeg deze ƒ 2.319. De FOR is door de staking in het onderhavige jaar voor het gehele bedrag van ƒ 44.211 vrijgevallen. Het niet benutte deel van de stakingsvrijstelling ten bedrage van ƒ 19.679 heeft belanghebbende aangemerkt als belastingvrije afname van de FOR, waardoor die afname slechts tot een bedrag van ƒ 44.211 - ƒ 19.679 = ƒ 24.532 door hem in het belastbaar inkomen is begrepen. 2.4. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de vrijval van de FOR tot haar volle bedrag van ƒ 44.211 tot het belastbaar inkomen van belanghebbende gerekend. Tijdens de bezwaarfase is hem gebleken dat belanghebbende de afname van de FOR reeds had aangegeven, voor zover deze de stakingsvrijstelling overschreed. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar daarom het belastbaar inkomen in zoverre verminderd doch overigens de door belanghebbende toegepaste belastingvrije afname van de FOR geweigerd. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is primair (en subsidiair) in gesc