Rechtspraak 2003-09-30
ECLI:NL:GHARN:2003:1316
ECLI:NL:GHARN:2003:1316 text/xml public 2015-11-16T12:07:56 2015-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem 2003-09-30 2003/309 P Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2003:1316 text/html public 2015-04-03T13:08:18 2015-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARN:2003:1316 Gerechtshof Arnhem , 30-09-2003 / 2003/309 P 49a Pachtwet. Vordering tot het aanstellen van een medepachter. De rechtsfiguur van medepacht voorziet bij uitstek in de behoefte om een nog relatief jong kind van een pachter in een situatie als hier aan de orde medeverantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering te laten dragen zonder dat deze direct zelf alle bedrijfsbeslissingen moet nemen. Jonge leeftijd van voorgestelde medepachter geen grond voor afwijzing. 30 september 2003 pachtkamer rolnummer 2003/309 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: 1. [appellante sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats], 3. [appellante sub 3], wonende te [woonplaats], 4. [appellante sub 4], wonende te [woonplaats], 5. [appellant sub 5], wonende te [woonplaats], 6. [appellante sub 6], wonende te [woonplaats], appellanten, procureur: mr. J.H. van Vliet, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, procureur: mr. A.F.M. van Vlijmen. 1 De procedure in eerste aanleg De pachtkamer van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, heeft op 25 juli 2002 en 30 januari 2003 vonnissen gewezen tussen appellanten (verder te noemen: [appellanten]) als gedaagden en geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]) als eiser. Van het vonnis van 30 januari 2003 is een afschrift aangehecht. Naar genoemde uitspraak wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg, de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 27 februari 2003 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis van 30 januari 2003 met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd en toegelicht, enkele producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en daarbij het door [geïntimeerde] gevorderde zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. 2.3 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 30 januari 2003 zal bekrachtigen, zonodig onder aanvulling der rechtsgronden, alsmede de vordering van [appellanten] zal afwijzen, althans [appellanten] in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, alles met veroordeling van [appellanten] in de kosten van (het hof leest:) het hoger beroep. 2.4 Hierna hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De grieven Deze luiden: I Ten onrechte heeft de pachtkamer te Dordrecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het belang aan de vordering tot indeplaatsstelling of medepachterschap ontbreekt. II Ten onrechte heeft de pachtkamer aangenomen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de voorgestelde pachter reeds nu voldoende waarborgen biedt om als medepachter met [geïntimeerde] het bedrijf te voeren. Daarbij heeft de pachtkamer ten onrechte mee laten wegen investeringen die [geïntimeerde] zou hebben gedaan om het bedrijf aan te passen en klaar te maken voor voortzetting door zijn zoon. 4 De vaststaande feiten 4.1 Tussen partijen staat als van de ene zijde gesteld en van de andere zijde is erkend dan wel niet of onvoldoende is betwist en mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van overgelegde producties, het navolgende vast. 4.2 Tussen [X] als verpachter en [geïntimeerde] als pachter is op 29 april 1972 een pachtovereenkomst voor de duur van twaalf jaren, ingaande 1 mei 1972, gesloten betreffende percelen grasland, thans kadastraal bekend gemeente […], sectie E nrs. 44, 8