Rechtspraak 2002-08-12
ECLI:NL:GHARN:2002:AE7975
ECLI:NL:GHARN:2002:AE7975 text/xml public 2024-07-09T23:15:22 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AE7975 Gerechtshof Arnhem 2002-08-12 01-01310 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NTFR 2002/1451 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARN:2002:AE7975 text/html public 2013-04-04T18:04:27 2002-09-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARN:2002:AE7975 Gerechtshof Arnhem , 12-08-2002 / 01-01310 - Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 01/01310 U i t s p r a a k op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden voorlopige aanslag premie Ziekenfondswet (hierna: de ZFW) voor het jaar 2001. 1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Met dagtekening 31 januari 2001 en nummer [01] is aan belanghebbende een voorlopige aanslag premie ZFW voor het jaar 2001 opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 40.000 (hierna: de aanslag). De aanslag beloopt een bedrag van ƒ 3.180. 1.2. Belanghebbende heeft bij brief van 5 maart 2001 tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak van 10 april 2001 gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak op 10 mei 2001 in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft op 30 augustus 2001 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 2 april 2002 een nader stuk ingediend dat door het Hof is aangemerkt als een conclusie van repliek. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 juli 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]. 1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. 2. Feiten 2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandel-de ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.2. Belanghebbende is sedert 1998 aangesteld als ambtenaar bij de Politie te [Q]. Zijn inkomsten uit die aanstelling bedroegen in 1999 ƒ 56.263 en in 2000 ƒ 58.462. Belanghebbende valt, als ambtenaar, niet onder de verplichte ziekenfondsverzekering. Belanghebbende is als politieambtenaar, op grond van artikel 2 van het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994, verplicht verzekerd bij de Dienst geneeskundige verzorging politie (DGVP). Op grond daarvan wordt maandelijks een procentuele premie (het werknemersdeel van de in totaal verschuldigde premie) op zijn bezoldiging ingehouden. 2.3. Belanghebbende geniet, naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking, winst uit een voor zijn rekening feitelijk gedreven onderneming. 2.4. De vastgestelde belastbare inkomens van belanghebbende bedroegen op 1 oktober 2000 over de jaren 1996 tot en met 1998 respectievelijk ƒ 6.933, ƒ 27.456 en ƒ 67.883. 2.5. Belanghebbende is verzekerde ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ). 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag terecht is opgelegd. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd. Indien het belastbare inkomen over 1996 buiten beschouwing wordt gelaten bedraagt zijn gemiddelde inkomen meer dan de in artikel 3d ZFW genoemde inkomensgrens. Bovendien is hij dubbel verplicht verzekerd. Hij is niet in de gelegenheid zijn verzekering bij de DGVP op te zeggen. Deze situatie is tijdens de parlementaire behandeling van de uitbreiding van de ZFW met zelfstan In de Toelichting op de Regeling is met betrekking tot het (toen nog) zesde lid het volgende opgenomen: "Nader zal de mogelijkheid worden bezien om de basisreferteperiode zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, te verfijnen teneinde te bewerkstelligen dat er een zo groot mogelijke stabiliteit in de verzekeringspositie van betrokkenen bestaat. (…) Vooruitlopend hierop is voor het jaar 2000 in artikel 2, zesde lid, geregeld dat op aanvraag van de zelfstandige voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking wordt genomen. Hiermee kan worden voorkomen dat zelfstandigen van verzekeringsvorm moeten veranderen doordat het gemiddelde inkomen wordt beïnvloed door een sterk afwijkend inkomen in één van de drie jaren uit de basisreferteperiode. De Belastingdienst zal de zelfstandige per brief inlichten wanneer de berekening van het gemiddelde inkomen over twee jaren in de basisreferteperiode leidt tot een andere uitkomst dan wanneer de hoofdregel op hem wordt toegepast. De zelfstandige moet vervolgens binnen vier weken na ontvangst van deze brief aan de Belastingdienst berichten of hij een beroep doet op deze overgangsregeling." 4.4. De aanvraag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van de in artikel 3d, tweede lid, van de ZFW bedoelde verklaring. De termijn van zes weken is blijkens de Toelichting op de Regeling gesteld om tijdig de verzekeringspositie van een zelfstandige definitief vast te stellen. Ter zitting heeft de Inspecteur zich in gelijke zin uitgelaten. 4.5. Bij de toepassing van de bepalingen met betrekking tot het opnemen van zelfstandigen in de ZFW doet zich dan de merkwaardige situatie voor dat enerzijds de verzekeringsplicht van zelfstandigen uit de wet voortvloeit en de verklaring die de Inspecteur daaromtrent afgeeft louter declaratoir is, doch anderzijds dat een belanghebbende die wettelijke verzekering kan beïnvloeden door er voor te kiezen één van de jaren in de basisreferteperiode buiten aanmerking te doen laten. 4.6. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke uitleg van genoemde bepaling met zich dat het ook mogelijk moet worden geacht de aanvraag (alsnog) te doen in de bezwaar- of de beroepsfase met betrekking tot een verklaring of een (voorlopige) aanslag in het geval de verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat. In dat geval doet zich immers nog niet een situatie voor dat reeds zekerheid omtrent de verzekeringspositie is verkregen. Hoewel een onherroepelijk geworden verklaring niet aan een procedure met betrekking tot een (voorlopige) aanslag in de weg hoeft te staan verhindert in zo'n geval de tekst van de ZFW en de Regeling in het algemeen echter in bezwaar en/of beroep tegen een zodanige aanslag de aanvraag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling alsnog te doen, of een gemaakte keuze op dat moment te herzien. 4.7. In de onderhavige procedure is echter duidelijk dat belanghebbende zich steeds ertegen heeft verzet dat hij verplicht verzekerd is op grond van de ZFW. Door de verplichte verzekering bij de DGVP kan hij naar zijn mening niet verplicht ziekenfonds-verzekerd zijn. Hij heeft zich niet bij een ziekenfonds gemeld. Hij heeft onweersproken gesteld geen gebruik te kunnen maken van de verstrekkingen op grond van de ZFW omdat de aanspraken op grond van de DGVP voorgaan. In zo'n geval kan naar het oordeel van het Hof geen sprake zijn van een, vanuit de uitvoering van de Ziekenfondswet bezien, ongewenste situatie, en brengt een redelijk uitleg van de Regeling met zich dat belanghebbende zich nog kan beroepen op de keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling. Belanghebbende kiest er alsdan voor het inkomen over 1996 buiten beschouwing te laten. Het is dan (gelet op de in 2.4. vastgestelde feiten terecht) niet in geschil dat belanghebbende niet als verzekerde kan worden aangemerkt Alsdan kan de betaalde procentuele premie in mindering worden gebracht op de premie die verschuldigd is op grond van artikel 15a, eerste lid, van de ZFW. Gelet op het bedrag van de aanslag, de hoogte van zijn vermoedelijke bezoldiging voor het jaar 2001, de conclusie van belanghebbende in zijn beroepschrift voor alle door hem ingenomen standpunten dat de aanslag moet komen te vervallen en het gegeven dat de Inspecteur ter zake geen verweer heeft gevoerd komt het Hof tot de conclusie dat niet in geschil is dat alsdan ook op deze grond geen voorlopige aanslag kan worden opgelegd. 4.14. Belanghebbende heeft zich, bij zijn vorenstaand beroep op het gelijkheidsbeginsel, tevens beroepen op artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Te dien aanzien overweegt het Hof, voor zoveel nodig ambtshalve, nog het volgende. 4.15. Belanghebbende is verplicht verzekerd op grond van het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994 en betaalt uit hoofde daarvan een verplichte verzekeringspremie die op zijn bezoldiging wordt ingehouden. Daarnaast is hij als zelfstandige verplicht verzekerd op grond van de ZFW. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld - en het Hof zal, nu het tegendeel ook overigens niet is gebleken, daarvan voor deze procedure uitgaan - dat, indien hij van geneeskundige voorzieningen gebruik moet maken, de regeling van de DGVP ruimer en beter is, en gaat vóór de toepassing van de verstrekkingen op grond van de ZFW. Hij zal derhalve nimmer gebruik (kunnen) maken van de ZFW. Voor de onderhavige procedure betekent dit dat belanghebbende gedwongen wordt premie te betalen voor een verzekering waarvan hij geen gebruik kan maken. 4.16. Naar het oordeel van het Hof moet onder de in 4.15. geschetste omstandigheden toepassing van artikel 3d en 15a van de ZFW ten aanzien van belanghebbende gezien worden als een ongerechtvaardigde inbreuk op diens eigendomsrecht en derhalve in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (vergelijk de Bijlage bij de conclusies van 28 december 2001 van de AG bij de Hoge Raad der Nederlanden in de zaken met de rolnummers 36 621, 36 642 en 36 558, onderdeel 4). Ook op deze grond is het Hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen voorlopige aanslag kan worden opgelegd. 4.17. Op grond van het vorenstaande is de aanslag ten onrechte opgelegd. 5. Proceskosten Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten vast op 2½ punten maal € 322 maal wegingsfactor 1 in verband met het gewicht van de zaak ofwel op € 805. 6. Beslissing Het Gerechtshof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de Inspecteur waarvan beroep; - vernietigt de voorlopige aanslag - gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 27,23 (ƒ 60), en - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 805 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden. Aldus gedaan te Arnhem op 12 augustus 2002 door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. drs. F.J.P.M. Haas en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.W.M. van der Waerden als griffier. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen (J.Lamens) De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 augustus 2002 Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en