Rechtspraak 1999-12-13
ECLI:NL:GHARN:1999:AA4844
Gerechtshof Arnhem Eerste meervoudige belastingkamer nummer 97/22184 U i t s p r a a k op het beroep van *X te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/ Ondernemingen *P, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 maart 1997, aanslagnummer *F01.1. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het hof 1.1. De naheffingsaanslag is gedagtekend 5 juni 1997, en bedraagt ƒ 2.149. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag tijdig bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak tijdig in beroep gekomen bij het hof. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de achtste enkelvoudige belastingkamer van het hof van 17 november 1999 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur. 1.5. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen, voorzien van een aantal bijlagen. Hij heeft exemplaren daarvan, voorafgaand aan de gehouden zitting, overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota en de bijlagen moet als hier ingelast worden aangemerkt. Belanghebbende heeft verklaard voldoende van de stukken kennis te hebben kunnen nemen en daarop voldoende te hebben kunnen reageren. 1.6. Het lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer heeft, met toepassing van artikel 4, lid 5, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Warb), het geding verwezen naar de eerste meervoudige belastingkamer van het hof, ter verdere behandeling. Partijen hebben ter vorenvermelde zitting reeds uitdrukkelijk verklaard voor dat geval haar standpunt niet opnieuw mondeling toe te willen lichten, en het hof verzocht schriftelijke uitspraak te doen. Het hof zal om redenen van proceseconomie daarom geen toepassing geven aan het gestelde in artikel 12 van de Warb, en aan het verzoek tegemoetkomen. 2. Feiten Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is zelfstandig gevestigd en werkzaam als klassiek homeopaat. Als zodanig is hij ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). 2.2. Belanghebbende verstrekt in het kader van zijn werkzaamheden homeopathische medicijnen aan patiënten. Aan het verstrekken van het medicijn gaat een consult vooraf, dat in de meerderheid van de gevallen één uur duurt. De meeste consulten vinden plaats op afspraak. Belanghebbende brengt voor zijn verrichtingen één ongesplitst bedrag in rekening van ƒ 100 voor volwassenen en ƒ 75 voor kinderen tot 18 jaar. 2.3. Belanghebbende houdt, naast consulten op afspraak, spreekuur tussen 12.00 en 13.00 uur. Hij houdt (ook) iedere werkdag telefonisch spreekuur. Voor deze gesprekken, maar ook voor de consulten op afspraak, geldt dat hij niets aan de patiënt in rekening brengt als geen medicijn wordt verstrekt. In een klein aantal gevallen wordt, bij wijze van een soort boete, ook een bedrag in rekening gebracht als een patiënt niet op een gemaakte afspraak komt. 2.4. Belanghebbende koopt de grondstoffen die hij nodig heeft voor het vervaardigen van de medicijnen in. Een deel van de grondstoffen wordt vervaardigd onder toezicht van een apotheker. Een deel van de grondstoffen, bijvoorbeeld de minerale grondstoffen, maakt hij zelf. Belanghebbende besteedt veel tijd aan het zelf ontwikkelen van nieuwe medicijnen. Hij maakt ieder medicijn dat hij aan een patiënt verstrekt zelf. De kostprijs van het eindprodukt, het medicijn dat hij verstrekt, is redelijk stabiel en varieert van ƒ 10 tot ƒ 20. Zijn medicijnen zijn niet in een winkel te koop omdat elk medicijn is toegespitst op het ziektebeeld van een patië Als de prestatie die hij verricht al gesplitst kan worden, moet het ervoor worden gehouden dat voor het consult geen afzonderlijke vergoeding wordt gevraagd. Het consult is gratis. Indien geen vergoeding in rekening wordt gebracht is dus ook geen omzetbelasting daarover verschuldigd. In een gesprek met een patiënt komt geleidelijk een homeopathisch beeld tot stand. Daar is het consult uitsluitend op gericht. Als hij het juiste homeopathische beeld van een patiënt heeft verkregen kan hij aan de hand daarvan het juiste medicijn bepalen. Al zijn handelen is uiteindelijk slechts gericht op het bepalen en het verstrekken van het medicijn. Het verstrekken van het medicijn is doel op zich. Hij levert feitelijk een geneesmiddel, alleen wordt dat door de huidige wetgever nog niet erkend. Hij is niet bevoegd tot de uitoefening van de artsenijbereidkunst zoals bedoeld in de WGV. Die wet is op hem niet van toepassing. Als men bij hem informeert wat een behandeling kost, antwoordt hij dat het geneesmiddel ƒ 100 kost, en dat aan de verstrekking van het medicijn een consult vastzit. 3.4.2. Namens de inspecteur Het standpunt van de Belastingdienst/ Ondernemingen *Q is inmiddels achterhaald. Na een brief van 7 juli 1998 van het Ministerie van Financiën wordt landelijk het standpunt zoals hij in deze procedure verdedigt, ingenomen. Voordien was van coördinatie geen sprake. Het onderzoeken, het vaststellen van het homeopathisch beeld, duurt gemiddeld één uur. Dat kan toch bezwaarlijk anders worden opgevat dan als het vaststellen van een diagnose. Het consult zal voor de patiënt toch met name bedoeld zijn om te horen hoe het er met hem voorstaat. NVKH-leden berekenen 17,5%, ook over afgeleverde medicijnen, waarom belanghebbende dan niet? 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Gelet op de standpunten die partijen innemen is voor alle gevallen van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of de medicijnen die belanghebbende aan de patiënten verstrekt kunnen worden gerangschikt onder tabel I, post a.6, behorende bij de Wet. Derhalve zal het hof die vraag eerst beantwoorden. 4.2. Op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet, bedraagt het tarief 6 percent voor leveringen van goederen en diensten genoemd in de bij deze wet behorende tabel I. Onder tabel I, post a, onderdeel 6, zijn - voor zover hier van belang - opgenomen: "farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten als zijn omschreven in artikel 1, eerste lid, onder h en i, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (…);" 4.3. De WGV regelt, onder meer, wie bevoegd is tot het vervaardigen en in de handel brengen van geneesmiddelen. De onderdelen h en i van het eerste lid van artikel 1 van de WGV luiden als volgt: "h. farmaceutische specialité: geneesmiddel in een farmaceutische vorm, dat in de handel wordt gebracht onder een speciale benaming en in een standaardverpakking; i. farmaceutisch preparaat: geneesmiddel in een farmaceutische vorm dat in de handel wordt gebracht, niet onder een speciale benaming of niet in een standaardverpakking;" 4.4. Gelet op de tekst van post a.6 van tabel I, en van de strekking van de WGV waarnaar die post verwijst, vallen onder die post slechts geneesmiddelen die worden bereid, in een farmaceutische vorm gebracht, verpakt, geëtiketteerd en afgeleverd, door degene die op grond van de WGV bevoegd is tot uitoefening der artsenijbereidkunst. Hieruit volgt dat een restrictieve uitleg van hetgeen onder de genoemde post kan worden begrepen, geboden is. 4.5. Belanghebbende verdedigt, met een beroep op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet, met name de Memorie van Antwoord, pagina 12, bij wetsvoorstel 20.506, dat ook homeopathische geneesmiddelen onder het begrip geneesmiddel vallen en daardoor het verlaagde tarief voor de omzetbelasting deelachtig worden, en dat derhalve ook de door belanghebbende geleverde medicijnen onder het verlaagde tarief vallen. Het hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. In de Nota naar aanleiding van het