Rechtspraak 1999-11-18
ECLI:NL:GHARN:1999:AA4216
ak Gerechtshof Arnhem vierde enkelvoudige belastingkamer nummer 98/174 U i t s p r a- a k op het beroep van *X Beheer B.V. te *Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/-Douane district *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personeneauto's en motorrijwielen (hierna: BPM). 1. Naheffings-aanslag en bezwaar 1.1. De naheffings-aan-slag be-draagt ƒ 19.306,-. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 28 november 1997 die aanslag gehandhaafd. 2 Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvan-gen op 5 januari 1998, waarbij bijlagen 1 tot en met 6 zijn overgelegd. 2.1. Tot de stukken van het geding behoren het ver-toogschrift en de daarin genoemde bijlagen. 2.2. Bij de mondelinge behandeling op 17 september 1998 te Arnhem is de inspecteur gehoord. Belanghebbendes gemachtigde is met (nadere) telefonische kennis-geving aan het Hof niet verschenen. 3. De vaststaande feiten 3.1. Op 10 juni 1992 is op belanghebbendes naam geregistreerd het motorrij-tuig Mercedes, type 350 GD, voorzien van het kenteken *aa-11-bb. Voor dit motorrijtuig was een grijs kenteken afgegeven. 3.2. Het vervoermiddel werd tot en met 31 december 1993 niet aangemerkt als een personenauto in de zin van de Wet BPM (oud). Belanghebbende heeft, toen de auto door wetswijziging voortaan als personenauto had te gelden en daarvoor alsnog BPM moest worden betaald, een beroep gedaan op de overgangsrege-ling neergelegd in artikel II, lid 2, van de Wet van 23 decem-ber 1993, Stb. 1993, 673 (hierna: de Wijzigingswet BPM). 3.3. Belanghebbende liet de auto kort voor 1 april 1994 ombouwen tot een personenauto in de zin van artikel 3 Wet BPM (oud). Sindsdien betaalde belanghebbende de motorrijtuigen belasting naar het tarief voor personenauto’s. 3.4. Op 20 februari 1996 liet belanghebbende de auto ombouwen tot een bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, Wet BPM (nieuw). Vervolgens heeft belanghebbende de auto op 15 april 1997 verkocht. 3.5. Bij brief van 16 juli 1997 deelde de Douane post *Q aan Douane district *P mede dat blijkens mededeling van de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam het kente-ken voor het onderhavige motorrijtuig op een andere naam werd overgeschre-ven. Naar aanleiding van deze mededeling heeft de inspecteur op grond van de Wijzi-gingswet belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opge-legd. 4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 4.1. Partijen houdt verdeeld, of op grond van de wettelijke regeling belasting verschuldigd is, en zo ja of heffing desalniettemin achterwege moet blijven omdat de Wijzigingswet een discriminatoire regeling is. 4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aan-ge-voerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stuk-ken. 4.3. Daaraan zijn mondeling geen gronden toegevoegd. 4.4. Belang-hebbende verzoekt vernietiging van de naheffingsaanslag 4.5. De in-spec-teur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 5 Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, aangezien hij geen personenauto heeft vervreemd. Hij verwijst in dit verband naar de tekst van artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet BPM, waar gesproken wordt van "vervreemding van de personenauto". 5.2. Een ombouw als vermeld in 3.3. vormt een belastbaar feit als bedoeld in artikel II, eerste lid, van de Wijzigingswet BPM. Ingevolge het tweede lid van dat artikel vindt in de in dat lid bedoelde gevallen heffing van BPM ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit pas plaats bij de vervreemding van de omgebouwde auto na 1 juli 1994. De "vervreemding van de personenauto" is geen belastbaar feit, maar is bepalend voor het moment waarop ter zake van het in het eerste lid omschreven belastbare feit de BPM verschul-digd wordt. 5.3. Aan de verschuldigdheid van BPM doet niet af dat, zoals hier, de auto te