Rechtspraak 1999-11-18
ECLI:NL:GHARN:1999:AA3870
WS Gerechtshof Arnhem eerste meervoudige belastingkamer nummer 98/04510 U i t s p r a a k op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van burgemeester en wethouders van de gemeente Vries (hierna: het college) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden aanslag. 1. Ontstaan en loop van geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het houden van twee honden in de periode van 3 mei tot en met 31 december 1993 een aanslag in de honden-belas-ting van de gemeente Vries opgelegd ten bedrage van ƒ 56,88. Bij de voor-melde uitspraak heeft het college de aanslag gehand-haafd. 1.2. In beroep heeft het ge-rechts-hof te Leeuwarden bij schriftelijke uitspraak van 22 septem-ber 1995, nr. 327/94, de uitspraak van het college vernietigd en de aanslag verminderd tot ƒ 28,44. 1.3. Op het beroep in cassatie van het college heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 23 december 1998, nummer 31599 (BNB 1999/57*), de uitspraak van het voormelde hof, behoudens de beslissing over het griffierecht, vernietigd en het geding verwezen naar het gerechts-hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervou-dige kamer met inachtneming van dat arrest, dat het volgende oordeel bevat: 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende exploiteert sinds 3 mei 1993 een hondenschool in de gemeente Vries. Eén van de twee honden op welke de onderhavige aanslag betrekking heeft is eigendom van de aldaar woonachtige A. Hij heeft belanghebbende opdracht gegeven deze hond af te richten als jachthond. A is terzake van de door hem gehouden kennel aangeslagen naar het zogenaamde kenneltarief. 3.2. Het Hof heeft voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende op grond van artikel 2, lid 1, van de Verordening hondenbelasting Vries 1989 (hierna: de Verordening) als houder van de hond kan worden aangemerkt, beslissend geoordeeld dat belanghebbende de hond niet voor zichzelf, maar krachtens rechtsbetrekking voor een ander houdt. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Houder van een hond in de zin van de genoemde bepaling is immers blijkens de tekst daarvan degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft. Wel dienen er blijkens de toelichting op de Verordening een zekere duurzaamheid en gezag te zijn. Bovendien kan blijken dat een ander dan degene die de hond onder zich heeft houder is. De omstandigheden dat de hond bij de betrokkene in opleiding is en aan een ander in eigendom toebehoort, staan - anders dan het Hof klaarblijkelijk van oordeel was - op zichzelf aan houderschap niet in de weg. 3.3. Het middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de vraag of belanghebbende dan wel A in het tijdvak waarover het gaat houder van de hond was. 1.4. Van de geboden gelegenheid een schriftelijke memorie na verwijzing in te zenden heeft geen van beide partijen gebruik gemaakt. 1.5. Bij de mondelinge behandeling op 11 november 1999 te Arnhem zijn de woordvoersters van het college gehoord. Belanghebbende is aldaar zonder kennisgeving aan het hof niet verschenen, hoewel overeenkom-stig de wet opgeroepen bij brief van 13 oktober 1999 aan het adres Z, voor de ont-vangst waarvan hij op 14 oktober 1999 heeft getekend op de terugontvan-gen retour-kaart van de desbetreffende aangeteken-de verzen-ding. 2. De vaststaande feiten Voor dit geding staat vast hetgeen door het gerechtshof te Leeuwarden in zijn voormelde uitspraak als vaststaand is aangemerkt alsmede waarvan de Hoge Raad blijkens het onder 1.3 (3.1) weergegevene is uitgegaan. 3. Het geschil na verwijzing en de standpunten van partijen 3.1. Na verwijzing is nog in geschil, of belanghebbende in 1993 in de onder 1.3 (3.2) bedoelde zin houder van de aldaar onder 3.1 bedoelde hond was. 3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. 3.3. Daaraan is mondeling toegevoegd - za