Rechtspraak 1999-02-17
ECLI:NL:GHARN:1999:AA1450
Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 98/3946 U i t s p r a a k op het beroep van de besloten vennootschap *X B.V. te *Z, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane district *P op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aan haar gerichte uitnodiging tot betaling met invorderingsnummer *C2. 1. Uitnodiging tot betaling, bezwaar en geding voor het hof 1.1. Belanghebbende heeft voor de periode van * oktober 1995 tot en met * december 1995 een uitnodiging tot betaling ontvangen voor omzetbelasting bij invoer tot een bedrag van ƒ 31.327,30, betreffende invorderingsnummer *C2, betrekking hebbende op de volgende T1-documenten met de nummers *1 en *2. 1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitnodiging bezwaar aangetekend. Belanghebbende is op haar verzoek gehoord op 15 april 1997. Het verslag daarvan is op 17 april 1997 aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft niet op het verslag gereageerd. De Inspecteur heeft bij één uitspraak het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot nr. *C1 en het bedrag van de omzetbelasting bij invoer nader bepaald op ƒ 162.107,50 en de uitnodiging tot betaling onder nr. *C2 gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld tegen die uitspraak. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 oktober 1998 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord *A, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.5. De Inspecteur heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan belanghebbende. Het Hof beschouwt deze pleitnota als ter zitting, tegelijk met de aanvullende pleitnota, te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt. 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. In de periode van * oktober 1995 tot en met * december 1995 werden T1-documenten opgemaakt op naam van belanghebbende voor twee zendingen rundvlees met bestemming Marokko. 2.2. Dit vlees was van buiten de EG geïmporteerd door *B GmbH te *Q in Duitsland. Het vlees werd bij aankomst in *R ten doorvoer aangegeven en opgeslagen in een entrepot (vrieshuis) in *R. De directeur van *B GmbH, *C, verkocht het vlees vervolgens in Nederland en Duitsland. *B GmbH maakte twee facturen op per zending. Eén factuur voor de fictieve klant buiten de Europese Unie en één voor de werkelijke klant in Nederland of Duitsland. Belanghebbende heeft in opdracht van *B GmbH (de heer *C) of *D B.V. (de chauffeurs of de heer *E) de T1-documenten op haar eigen naam opgemaakt. Het vlees is daarna door transportbedrijven van *E, vanuit *R bij afnemers in Nederland en Duitsland afgeleverd. In een aantal gevallen is op de T1-documenten een vals stempel geplaatst waardoor de indruk kan ontstaan dat de Spaanse douane het document heeft behandeld. 2.3. In september 1995 heeft de Duitse douane bij *B GmbH huiszoeking gedaan en is administratie in beslag genomen. Uit onderzoek van de inbeslaggenomen gegevens is gebleken dat de hiervoor onder 2.2. geschetste situatie voor tenminste 88 documenten geldt. 2.4. Na de controle door de douane heeft *C de werkwijze in zoverre gewijzigd dat het vlees voortaan eerst naar *Z werd vervoerd en opgeslagen in het vrieshuis van *F B.V. Belanghebbende maakte nog steeds de T1-documenten op en de facturering bleef geschieden zoals hiervoor onder 2.2. beschreven. Bij het Duitse douane-onderzoek is aan de hand van verklaringen van *C gebleken dat de twee hier aan de orde zijnde zendingen inderdaad naar Nederland zijn vervoerd. 2.5. Chauff De Inspecteur heeft in de van hem afkomstige stukken over de met betrekking tot de zendingen gevolgde werkwijze -zakelijk weergegeven- het volgende opgemerkt: De chauffeur reed met de door de douane verzegelde lading enkele straten verder. Daar stond *C te wachten met de vrachtpapieren voor aflevering aan de werkelijke afnemers. De chauffeur leverde het T1-document met bijbehorende bescheiden bij *C van *B GmbH in, verwijderde de verzegeling en leverde de goederen af op het in de vrachtbrief genoemde adres. Er waren op deze werkwijze wel enige varianten. Soms kwam *G in plaats van *C; een enkele keer kwam *E zelf. De chauffeurs hebben een aantal van deze zendingen in *S afgeleverd bij *H B.V.; andere zendingen zijn aan diverse afnemers in Duitsland verkocht. De chauffeurs hebben verklaard dat zij opdracht hadden de verzegeling voortijdig te verwijderen. Meestal gebeurde dat bij de verwisseling van de vervoersbescheiden vlak nadat de chauffeur bij de douane was geweest en het T1-document geldig was gemaakt. De chauffeurs hebben verklaard dat zij nimmer zendingen aan een andere transporteur hebben overgedragen en evenmin zendingen naar Spanje vervoerd. 4.8. Belanghebbende heeft, tegenover het gemotiveerde standpunt van de Inspecteur, niet kunnen aantonen dat de goederen op een regelmatige wijze hun bestemming hebben gevolgd. De geadresseerden en afnemers die genoemd zijn in de T1-documenten bestaan niet of weten, wanneer ze bestaan, van de zendingen niets af. Zij heeft slechts van vijf van de in totaal achttien zendingen aftekeningen van de documenten overhandigd, doch verificatie-onderzoek in Spanje heeft uitgewezen dat die aftekeningen vervalst zijn. 4.9. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur slechts met betrekking tot twee andere zendingen (T1-documenten nrs. *1 en *2) heeft aangetoond dat de onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland heeft plaatsgevonden. Die stelling kan door het Hof niet worden aanvaard, nu de Inspecteur - zich baserend op voor dit standpunt voldoende kwalificerende verklaringen - het standpunt heeft ingenomen dat de verzegeling steeds in Nederland is verbroken [*(verwijzingen)]. Belanghebbende heeft dit in de processtukken gedocumenteerde standpunt met hetgeen zij naar voren heeft gebracht onvoldoende weersproken. Het Hof acht op grond van die stukken het in Nederland verbreken van de verzegeling voldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar kan niet bij elke specifieke zending een op die zending betrekking hebbende verklaring van de chauffeur worden geplaatst, doch het Hof leidt uit de verklaringen van de chauffeurs en uit het hiervoor onder 4.7. weergegeven relaas van de Inspecteur af, en ontleent daaraan ook de overtuiging, dat de verzegelingen van de twee via het kantoor van vertrek *T vervoerde zendingen zo spoedig mogelijk na het bezoek aan het kantoor van vertrek en dus in Nederland werden verwijderd. In dat geval is sprake van onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland (HR 2 oktober 1996, BNB 1997/3). Kennisgeving aan aangever 4.10. Belanghebbende voert voorts aan dat de Inspecteur met betrekking tot een aantal zendingen heeft nagelaten om een kennisgeving als bedoeld in artikel 379 van de Toepassingsverordening CDW te verzenden, terwijl in de gevallen waarin die verzending wel heeft plaatsgevonden dit is geschied na de fatale termijn van elf maanden. Belanghebbende meent dat dit verzuim in de weg staat aan "het doorzetten van de ingeleide procedure tot invordering van de douaneschuld.". 4.11. Belanghebbende heeft niet de stelling betrokken dat de omzetbelastingschuld op grond van dit verzuim moet komen te vervallen, doch slechts dat de invordering van die schuld niet moet worden doorgezet. Belanghebbende kan bij de belastingrechter echter niet in beroep opkomen tegen het invorderen van deze schuld. Bezwaren op dit punt dienen bij de civiele rechter aan de orde te worden gesteld. Dit geldt eveneens voor belanghebbende's beroep op bij haar door de bij de motivering van het beroepschrift gevoe