Rechtspraak 1999-03-30
ECLI:NL:GHARN:1999:AA1445
Gerechtshof Arnhem derde enkelvoudige belastingkamer nummer 98/01898 U i t s p r a a k op het beroep van X bv en Y bv te Z (hierna te noemen: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg (hierna: het college) op het bezwaarschrift van belanghebbenden tegen de na te melden gevorderde bedragen aan leges. 1. Gevorderde bedragen en bezwaar 1.1. Bij schriftelijke kennisgeving van 9 juli 1997 heeft het college de eerstgenoemde belanghebbende kennisgegeven dat, voor zover hier van belang: 1.1.1. haar ‘aanvraag voor de ontheffing van het inrijverbod van de autoluwe binnenstad’ is toegewezen, 1.1.2. deze ontheffing geldig is vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1998, 1.1.3. de kosten ƒ 130,– bedragen, 1.1.4. belanghebbende één toegangspas krijgt, waarmee zij het gebied kan ‘inrijden via de toegangen op 't Hof, de Achterstraat en de Buitenmolenstraat’, 1.1.5. voor de toegangspas een statiegeldregeling van toepassing is, het statiegeld ƒ 50,– bedraagt en belanghebbende dit retour ontvangt na teruggave van de toegangspas in onbeschadigde staat, 1.1.6. belanghebbende de toegangspas kan afhalen op het Parkeerservicebureau gedurende de daarvan vermelde openingstijden. 1.2. Van belanghebbenden is in totaal ƒ 1950 voor 15 ontheffingen en ƒ 750 als ‘statiegeld’ geheven ‘op andere wijze’. 1.3. Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft het college bij uitspraak van 25 maart 1998 de gevorderde bedragen gehandhaafd. 2. Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is ter grifWe ontvangen op 23 april 1998. 2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen. 2.3. Bij de mondelinge behandeling op 14 april 1998 te Arnhem zijn gehoord mr J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk, als woordvoerder van belanghebbenden, bijgestaan door directeur A van de eerstgenoemde belanghebbende, alsmede de woordvoerders van het college. 2.4. De notities van het pleidooi dat de woordvoerder van belanghebbenden bij de mondelinge behandeling heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. Daarbij heeft die woordvoerder aan het college en aan het hof foto's van de situatie ter plaatse getoond, tegen overlegging waarvan het college geen bezwaar heeft. 2.5. Tegen overlegging van overdrukken van het gemeentelijke informatieblad over het na te melden verkeersbesluit en ontheffingenbeleid hebben belanghebbenden geen bezwaar. 3. Conclusies van partijen 3.1. Belanghebbenden verzoeken in beroep om vernietiging van de gevorderde bedragen. 3.2. Het college concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 4. De vaststaande feiten 4.1. Op 6 november 1996 heeft het college, daartoe bij raadsbesluit van 30 maart 1995 gedelegeerd op grond van artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), een aantal op elkaar aansluitende straten in de binnenstad (hierna: het autoluwe gebied) gesloten verklaard voor alle motorvoertuigen, met uitzondering van onthefWnghouders, door plaatsing van borden C12, C2 en C1 van bijlage I van het RVV 1990, met onderborden. 4.2. Deze maatregel is ondersteund door zes wegneembare fysieke afsluitingen en drie op afstand bedienbare installaties, die op aanvraag in het wegdek kunnen wegzinken. 4.3. Belanghebbenden hebben in de binnenstad vestigingen met een eigen parkeerterrein. Dit kan worden bereikt na passeren van één van de drie voormelde installaties en ? 100 meter openbare weg in het autoluwe gebied. 4.4. Elk van belanghebbenden heeft in juni 1997 een aanvraagformulier ingediend waarop onder meer is voorgedrukt: ‘verzoekt toegangsrecht tot de autoluwe binnenstad van de gemeente Culemborg Gewenste categorie (enz.)’. 4.5. Bij raadsbesluit van 19 december 1996 is de ‘Verordening op de hefWng en invordering van leges 1997’ (hierna: de verordening) vastgesteld, waarvan de artikelen 1, 2, 5 en 6 luiden: ‘Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven ter zake van door of vanwege het gemeentebe Nu omtrent de wijze waarop de onder 1.2 bedoelde hefWng heeft plaatsgehad niets naders is gesteld of gebleken, heeft het college, mede gelet op artikel 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, belanghebbenden terecht in haar gezamenlijke bezwaar ontvangen. De aangevallen uitspraak moet dan ook geacht worden op dat bezwaar te zijn gedaan. 7. Beoordeling van het geschil 7.1. Onbetwist is dat het college, als bevoegd gezag in de zin van artikel 1, onderdeel h, van het RVV 1990 en artikel 1, onderdeel a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW), bevoegd was tot het nemen van een of meer in artikel 12 van het BABW bedoelde verkeersbesluit(en) tot de onder 4.1 genoemde geslotenverklaring door plaatsing van (onder meer) borden C12 met onderborden als daar bedoeld. 7.2. Evenzeer onbetwist is de bevoegdheid van het college tot het verlenen van ontheffing, op de voet van artikel 87 van het RVV 1990, van het in artikel 62 bedoelde verbod dat uit die borden voortvloeit. 7.3. Het staat het bevoegd gezag vrij, ter regulering van de belangen die in artikel 2 van de WVW zijn genoemd verkeersbesluiten te nemen en de naleving van de ge- en verboden die daaruit krachtens artikel 62 van het RVV 1990 voor bepaalde categorieën weggebruikers voortvloeien af te dwingen door fysieke maatregelen. 7.4. Die vrijheid vindt echter haar begrenzing in artikel 80 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, dat luidt: ‘Behoudens wettige bevoegdheid tot het heffen van tol, de bevoegdheid van de provincies ingevolge de Provinciewet tot het heffen van opcenten op de motorrijtuigenbelasting en de bevoegdheid van de gemeenten ingevolge de Gemeentewet tot het heffen van parkeerbelastingen, wordt ter zake van het gebruik van de weg met motorrijtuigen geen belasting geheven door andere publiekrechtelijke lichamen dan het Rijk.’ 7.5. Een stelsel van geslotenverklaringen en (al dan niet in openbaar gemaakte beleidsregels neergelegd beleid voor) ontheffingen daarvan, in samenhang met een daarvoor in het leven geroepen legesheffing, mag niet neerkomen op een belasting, van degenen die in aanmerking komen voor zo'n ontheffing, ter zake van het gebruik van de weg met motorrijtuigen. Doel en strekking van artikel 80 voormeld worden miskend, indien voor onthefWngen van een geslotenverklaring die, zoals hier, speciWek voor motorrijtuigen geldt, rechten op de voet van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet (zouden kunnen) worden geheven. 7.6. Aan het vorenstaande doet een bepaling als artikel 29 van het BABW, luidende: ‘De kosten, voortvloeiende uit de plaatsing van bord E6 van bijlage I, behorende bij het RVV 1990, kunnen worden verhaald op degene ten behoeve van wie het bord is geplaatst.’, niet af. Deze is met artikel 80 voormeld niet in strijd. De plaatsing van bord E6 met onderbord ter reservering van een parkeerplaats voor een bepaald voertuig overeenkomstig artikel 26, onderdeel c, van het RVV 1990 staat de houder van dat voertuig niet een gebruik van de weg toe dat hem zonder die borden verboden zou zijn, doch verbiedt slechts parkeren met een ander voertuig dan dat van die houder in diens individuele belang. 7.7. Het vorenstaande brengt mee, dat legesheffing overeenkomstig tariefonderdeel 9.1.5 niet past in het blijkens artikel 80 voormeld gesloten stelsel van heffing voor weggebruik met motorrijtuigen, zodat aan dat onderdeel verbindende kracht moet worden ontzegd. 7.8. Zou tariefonderdeel 9.1.5 verbindend moeten worden geacht, dan geldt het volgende. Uit het als aanhef daartoe dienende onderdeel 9.1 valt niet op te maken of de daar genoemde permanente onthefWngen per aanvrager dan wel per voertuig (kunnen) worden afgegeven. Uitsluitsel hierover geven ook de beleidsregels niet die kenbaar zijn uit het ter zitting overgelegde informatieblad, aangezien daarin onder ‘WIE KOMEN VOOR EEN ONTHEFFING IN AANMERKING’ gebruikers- en voertuigcategorieën door elkaar worden genoemd. Uit de bij het vertoogschrift overgeleg