Rechtspraak 1999-10-03
ECLI:NL:GHARN:1999:AA1375
Gerechtshof Arnhem Tweede meervoudige belastingkamer nr. 98/4330 Proces-verbaal mondelinge uitspraak belanghebbende: Brabantse darmen- en slachtproduktenhandel X B.V. te: Almere Z Inspecteur:Belastingdienst/Grote Ondernemingen Arnhem P aangevallen beslissing:uitspraak op bezwaarschrift soort belasting:omzetbelasting tijdvak:1 januari 1992 tot en met 31 december 1996 mondelinge behandeling:op 20 oktober 1999 te Arnhem door mr Van Schie, vice president, mrs Lamens en De Kroon, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier waarbij verschenen: Mr E.J. Bos, namens de Inspecteur waarbij niet verschenen:belanghebbendes gemachtigde R.M.C. van Velthoven , hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen gronden: 1. In zijn arrest van 15 juli 1998, nr. 31922, BNB 1998/293 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de extra bijtelling van 4% van de catalogusprijs ter zake van het gebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto, neergelegd in artikel 42, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hierna: de Wet, geen verband houdt met het privé-gebruik van de auto doch naar haar wezen het karakter heeft van een op zich zelf staande bijtelling voor de gevallen waarin belastingplichtigen gedurende ten minste drie dagen per week over een enkele- reisafstand van (meer dan) 30 kilometer plegen te reizen tussen hun woning en de plaats van hun werkzaamheden. 2. De Hoge Raad heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de wetgever door de extra bijtelling van 4% van de catalogusprijs niet voor te schrijven in gevallen waarin geen of in geringe mate privé-gebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto wordt gemaakt, binnen een groep van gelijke gevallen – kort gezegd: woon-werkverkeer over meer dan 30 kilometer – een beperkte groep heeft bevoorrecht en aldus gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. De Hoge Raad heeft daarvoor geen gronden van fiscale of niet-fiscale aard gevonden die deze ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen. 3. De Hoge Raad heeft evenwel uitdrukkelijk beslist dat het niet op zijn weg maar op die van de wetgever ligt om de geconstateerde ongelijkheid op te heffen aangezien het buiten toepassing laten van voornoemd artikellid tot een evenmin te rechtvaardigen ongelijkheid zou leiden en het achterwege laten van een algehele “aftopping” voorshands disproportioneel zou zijn. De Hoge Raad heeft daarbij het vertrouwen uitgesproken dat de wetgever de geconstateerde ongelijkheid bij een door hem aangekondigde wetswijziging zal opheffen. 4. De Regering heeft inmiddels een wetsvoorstel ingediend, waarin de regeling van het autokostenforfait wordt gewijzigd (de Belastingherziening 21e eeuw die naar het zich laat aanzien per 1 januari 2001 zal worden ingevoerd). Dit wetsvoorstel is op 14 september 1999 ingediend bij de Staten-Generaal. Blijkens de artikelen 3.2.2.10 en 3.10.2 van het wetsvoorstel is de regeling van het autokostenforfait aangepast met inachtneming van voornoemd arrest van de Hoge Raad. Het Hof is van oordeel dat daarmee de thans bestaande ongelijkheid voldoende zal worden opgeheven. 5. Gelet op de door de Hoge Raad geconstateerde complicaties die verbonden zijn aan het op evenwichtige wijze opheffen van de ongelijke behandeling, op het maatschappelijk belang van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto, alsmede op de budgettaire gevolgen van een herziening van de regeling van het autokostenforfait, moet de wetgever naar het oordeel van het Hof een redelijke termijn worden gegund om de gesignaleerde ongelijkheid op te heffen en de regeling van het autokostenforfait op de fiscale aspecten van de overige vormen van vervoer af te stemmen. Nu het arrest op 15 juli 1998 is gewezen en het wetsvoorstel waarin de ongelijkheid wordt opgeheven op 14 september 1999, derhalve binnen veertien maanden na het arrest, is ingediend bij de Staten-Generaal, heeft de wetgever met voldoende voortvarendheid de gesignaleerde ongelijkheid aangepakt. In onderdeel 1.4. van