Rechtspraak 1998-10-08
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1471
Gerechtshof Arnhem zevende enkelvoudige belastingkamer nummer 97/0178 U i t s p r a a k Het gerechtshof te Arnhem, zevende enkelvoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 11 februari 1997 en gericht tegen de uitspraak d.d. 31 december 1996 van burgemeester en wethouders van *P (hierna: b en w) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen wegens genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en wegens gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als *a-steeg 5; Gezien de overige stukken, waaronder een afschrift van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 1996 (hierna: de Verordening), de conclusies van re- en dupliek ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden en de door belanghebbende overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd; Gehoord ter zitting van 3 september 1998 te Arnhem, belanghebbende, alsmede de ambtenaar ter gemeentesecretarie, bijgestaan door *A, taxateur; Overwegende, dat bij uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslagen, berekend naar een heffingsgrondslag van ƒ 260.000,-, zijn gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende naar het hof verstaat in beroep vermindering van de aanslagen tot bedragen, berekend naar ten hoogste een heffingsgrondslag van ƒ 180.000,- verzoekt, terwijl b en w concluderen tot bevestiging van de uitspraak; Overwegende dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: 1.1. Belanghebbende is naar een heffingsgrondslag van ƒ 260.000,- aangeslagen in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente *P voor het jaar 1996. De aanslagen zijn opgelegd ter zake van het genot krachtens eigendom en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak *a-steeg 5, te *Z (hierna: de woning). 1.2. B en w hebben ter ondersteuning van de door hen vastgestelde waarde van de woning een op 1 augustus 1997 door *A, taxateur onroerende zaken, opgemaakt taxatierapport overgelegd, waarin de waarde in het economisch verkeer van de woning per 1 januari 1992 (de waardepeildatum) op ƒ 260.000,- is bepaald. 1.3.In het taxatierapport staat onder punt 5 vermeld: Waardevaststelling Overwegend de waardebepalende factoren zoals gebruiksmogelijkheden, bouwwijze, luxe, onderhoud, kwaliteit, ouderdom, oppervlakte, inhoud, uitstraling, doelmatigheid, bestemming, ligging en omgeving wordt aan het object per 1 januari 1992 een waarde toegekend van ƒ 260.000,- (tweehonderdzestigduizend gulden). 1.4.Na 1 januari 1992 en vóór 1 januari 1996 hebben zich met betrekking tot de omgeving van de woning onder meer de volgende factoren (hierna: omgevingsfactoren) voorgedaan: -horizontale uitbreiding en ophoging van een vuilstortplaats en de bouw van een overlaadstation voor GFT-afval op die stortplaats; -bouw van een stortgasfakkelinstallatie op die stortplaats; -goedkeuring op 12 april 1994 door de Eerste Kamer der Staten-Generaal van de Planologische Kernbeslissing over de zogenaamde "Betuweroute". 1.5.Tot de stukken behoort een brief van * mei 1994 van de Nederlandse Spoorwegen InfraBeheer Projectbureau Betuweroute gericht aan de bewoners van *a-steeg 5 te *Z. Die brief luidt - voor zover van belang - als volgt: "Geachte mevrouw/mijnheer, Door middel van deze brief willen wij u informeren over het voornemen voor uw woning een hogere waarde aan te vragen, als bedoeld in artikel 14 van het Besluit Geluidhinder Spoorwegen. Op 12 april jongstleden heeft de Eerste Kamer der Staten Generaal de Planologische Kernbeslissing (PKB) over de Betuweroute goedgekeurd. Daarmee is het besluit genomen dat de Betuweroute zal worden gerealiseerd. Ook is aangegeven waar de nieuwe spoorlijn zal worden aangelegd. Dit laatste is nog niet tot op de laatst In 1994 heeft de NS hem reeds schriftelijk laten weten dat de geluidsoverlast voor de woning hoger zou worden dan de toelaatbare. namens b en w: 3.1. Het afschrift van de uitspraak op bezwaar is gedateerd op 31 december 1996 en op 13 december 1996, bij brief gedagtekend 11 december 1996, verzonden. De beroepstermijn is derhalve op 31 december 1996 ingegaan. 3.2. Bij de taxatie is op geen enkele wijze rekening gehouden met factoren, die zich na 1 januari 1992 hebben voorgedaan. 3.3. De woning is redelijk uniek. Objecten die veel op dat van belanghebbende lijken, zijn rond de waardepeildatum niet verkocht. 3.4. De afstand van de woning tot het hekwerk van de vuilstortplaats wordt na meting op de kaart (achter het taxatierapport) gesteld op ruim 600 meter, de afstand van de woning tot de vijvers op circa 500 meter en die tot de composteerinrichting op ruim 400 meter. 3.5. Doordat het perceel met houtwallen is afgezet zijn de composteerinrichting en de vuilstortplaats niet vanuit de woning zichtbaar. Wellicht is dit in de winter anders. 3.6. Twee van de drie vergelijkingsobjecten bevinden zich inderdaad in de dorpskern. Het derde object, *b-weg 15, ligt aan de rand van het industriegebied en is qua ligging en omgevingsfactoren goed vergelijkbaar met de woning. 3.7. Met betrekking tot de Betuwelijn is steeds onduidelijk geweest of de geluidsoverlast voor de woning toelaatbaar of niet meer toelaatbaar zou zijn. Zolang deze onduidelijkheid heeft bestaan kon de Betuwelijn geen invloed op de waarde van de woning hebben; Overwegende omtrent het geschil: 4.1. Tussen partijen bestaat overeenstemming dat er voor dit geding van moet worden uitgegaan dat de Verordening op de door de wet voorgeschreven wijze bekend gemaakt is. 4.2. De relevante bepalingen uit de Verordening luiden, voorzover van belang: "Artikel 3, lid 1 1. Maatstaf van heffing is de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger die zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Artikel 5 1. De waarde in het economisch verkeer is die op 1 januari 1992 en vervolgens die op een tijdstip dat telkens 5 jaren later valt. Deze waarde vindt toepassing voor elk kalenderjaar vallende in een tijdvak van 5 achtereenvolgende jaren. Dit tijdvak vangt aan op het tijdstip dat één jaar later valt dan het tijdstip bedoeld in de eerste volzin. 2. Indien een onroerende zaak na de waardepeildatum die behoort bij het tijdvak waarvoor de waarde is vastgesteld" a. opgaat in een andere onroerende zaak dan wel in meer onroerende zaken, of b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, welke wijziging een verandering in de waarde van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000,- ten gevolge heeft dan wel van ƒ 250.000,- of meer of c. een verandering in waarde ondergaat van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000,- dan wel van ƒ 250.000,- of meer als gevolg van een andere specifiek voor de onroerende zaak geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het eerste lid de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar volgende op dat waarin de in de onderdelen a of b bedoelde feiten geheel of ten dele hun beslag hebben gekregen dan wel de in onderdeel c bedoelde omstandigheid heeft plaatsgevonden of is gebleken". 4.3. B en w maken door overlegging van het taxatierapport aannemelijk dat de waarde in het economisch verkeer van de woning per 1 januari 1992 ƒ 260.000,- beliep. 4.4. Hiertegenover maakt belanghebbende niet aannemelijk dat onvoldoende rekening is gehouden met op 1 januari 1992 reeds bestaande omgevingsfactoren of dat om andere redenen, waaronder de staat van onderhoud, de waarde in het e