Rechtspraak 1998-06-22
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1289
Gerechtshof Arnhem eerste meervoudige belastingkamer nummer 96/1433 U i t s p r a a k op het beroep van X b.v. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de chef van de afdeling Financiën van de Bestuursdienst van de gemeente Zutphen (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het na te melden van haar gevorderde bedrag aan leges. 1. Gevorderd bedrag en bezwaar 1.1. Bij schriftelijke kennisgeving van 20 maart 1996 is van belanghebbende ƒ 263 012,35 aan leges gevorderd voor een door haar gevraagde bouwvergunning. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de ambtenaar bij uitspraak van 22 augustus 1996 het gevorderde bedrag gehandhaafd. 2. Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is met drie bijlagen ter griffie ontvangen op 3 oktober 1996. 2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen, waaronder een afschrift van de Legesverordening 1992, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 oktober 1991 en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 31 december 1991, nº 91.012120, voor zover hier van belang laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 12 november 1993, goedgekeurd door gedeputeerde staten van Gelderland op 10 maart 1994 onder nummer WE93.83197/BV322. 2.3. Bij de mondelinge behandeling op 7 oktober 1997 te Arnhem zijn gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de ambtenaar en zijn gemachtigde. 2.4. Van de ambtenaar zijn schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Daarop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2E, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast. 2.5. Bij de voortgezette mondelinge behandeling op 14 mei 1998 te Arnhem zijn de voormelde personen wederom gehoord. 2.6. De notities van de pleidooien die op 7 oktober 1997 door de gemachtigde van belanghebbende onder overlegging van één bijlage en op 14 mei 1998 door die gemachtigde en, onder overlegging van vijf bijlagen, door de ambtenaar zijn gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd. 3. Conclusies van partijen 3.1. Belanghebbende verzoekt – naar het hof verstaat – in beroep om vernietiging van de aangevallen uitspraak en vermindering van het gevorderde bedrag tot nihil. 3.2. De ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 4. De vaststaande feiten 4.1. Op 7 december 1995 heeft belanghebbende bij het college van burgemeester en wethouders van Zutphen een bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van een fabriekshal op het perceel plaatselijk bekend a-straat 1, kadastraal bekend gemeente Zutphen, sectie B, nummer 1. 4.2. Het college heeft belanghebbende de ontvangst van de aanvraag bevestigd bij brief van 22 december 1995 en medegedeeld dat te zijner tijd het voormelde bedrag in rekening wordt gebracht, berekend op ƒ 258 312,35 aan leges bouwvergunning en ƒ 4 700,– aan leges welstandscommissie. 4.3. De vergunning is verleend op 20 maart 1996 onder nummer 1. 4.4. In het aanvullende bezwaarschrift heeft belanghebbende zich tevens beroepen op de zogenoemde hardheidsclausule. Hierop heeft het college van burgemeester en wethouders bij afzonderlijke brief van 22 augustus 1996 afwijzend beschikt. 4.5. Aan het slot van het aanvullende bezwaarschrift heeft belanghebbende te kennen gegeven: Afsluitend zijn wij van mening dat wij hiermee in deze fase voldoende argumenten hebben aangedragen om een gefundeerd bezwaar neer te leggen tegen de legesnota. Uiteraard zijn wij bereid om deze bedenkingen uitgebreid toe te lichten en wachten een uitnodiging daartoe met belangstelling af. 5. Het geschil en de standpunten van partijen 5.1. Partijen houdt verdeeld, 5.1.1. of de aangevallen uitspraak voldoende is gemotiveerd, 5.1.2. of de onderhavige heffing van leges wel rechtmatig is gelet op de verhouding tussen de door de gemeente ten behoeve van belanghebbende geleverde prestatie en de omvang van de geheven leges, 5.1.3. of de aangevallen uitspraak is gedaan in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en art De loop van de procedure in belastingzaken brengt mede, dat een uitspraak van de heffende instantie op een bezwaarschrift niet nietig is op de enkele grond dat zij niet naar behoren is gemotiveerd, doch enkel dat de rechter, zo hij haar in beroep bevestigt, daarvoor zelf de gronden in zijn uitspraak moet opnemen. Vraag 5.1.1 behoeft daarom verder geen bespreking. 6.2. Volgens artikel 1 van de Legesverordening 1992 in verbinding met onderdeel 4.1 van de op 12 november 1993 vastgestelde tarieventabel zijn de daar bedoelde leges verschuldigd voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning. In het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1981, nummer 20 037 (BNB 1981/142*) is onder meer overwogen: ‘dat noch in de Verordening noch in de gemeentewet steun is te vinden voor de opvatting dat voor de verschuldigdheid van leges wegens de verlening van een bouwvergunning vereist is dat door of vanwege de gemeente meer of andere diensten worden verricht, zoals het verrichten van controlewerkzaamheden met betrekking tot de uitvoering van de bouw en het zich doen overleggen en beoordelen van de daarvoor benodigde tekeningen en berekeningen; dat veeleer uit de geschiedenis van de geldende wettelijke regeling inzake de hefWng van leges door gemeenten blijkt dat de wetgever geen rechtstreeks verband tussen de hoogte van de leges en de omvang van de ter zake van gemeentewege verrichte diensten heeft willen eisen; dat toch met betrekking tot het in artikel 272, letter h, en in artikel 277, eerste lid, van de gemeentewet gemaakte onderscheid tussen leges en andere in laatstgemeld artikel bedoelde rechten in de memorie van toelichting (bladzijde 23, linker kolom) is opgemerkt dat de leges niet altijd zuiver het karakter van retributies hebben en dat het weinig zin heeft het voorschrift inzake beperking van de opbrengst tot een „matige winst” ook voor leges te doen gelden, omdat de kosten hier veelal niet of moeilijk zijn te bepalen;’. 6.3. Bij de wet van 3 juli 1989, Stb. 302 (limitering onroerend-goedbelastingen, leges en rechten) is artikel 279, eerste lid, van de toenmalige gemeentewet zodanig gewijzigd dat ook voor legesverordeningen kwam te gelden dat deze niet zouden worden goedgekeurd indien de geraamde opbrengst uitging boven de geraamde gemeentelijke uitgaven ter zake. Niettemin is, zoals de Hoge Raad in het arrest van 24 december 1997, nummer 32 569 (BNB 1998/70*) ook ten aanzien van een in 1993 – derhalve ruim na de inwerkingtreding van de zo-even genoemde wet – gewijzigde legesverordening van de gemeente Haarlem en onder verwijzing naar zijn arrest van 18 september 1991, nr. 27 457 (BNB 1991/351*), heeft geoordeeld, geen rechtstreeks verband vereist tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten anderzijds. 6.4. Derhalve faalt de klacht van belanghebbende dat de vergoeding voor verleende diensten bovenmatig is en dat de (gestelde) wanverhouding tussen prestatie en leges behoort te leiden tot onverbindendheid van de verordening. 6.5. De stelling van belanghebbende dat de grondslag (bouwsom, voor het in behandeling nemen van bouwvergunningaanvragen) in de gemeentelijke legesverordening willekeurig is en iedere ratio mist, wordt door de ambtenaar doeltreffend bestreden met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 1982, nummer 21 332 (BNB 1982/289) en de daarin onderkende – ook in het onderhavige geval klaarblijkelijke – bedoeling van de gemeentelijke wetgever om een verband te leggen tussen de hoogte van het voor de dienst geheven recht en de waarde van die dienst. Uitdrukkelijk is in dat arrest overwogen, dat het beoogde verband het beste wordt benaderd met de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend. Hieraan doet niet af dat, naar belanghebbende nog stelt, diverse overheden naarstig zoeken naar grondslagen die