Rechtspraak 1998-09-09
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1234
Gerechtshof Arnhem Tweede enkelvoudige belastingkamer nummer 97/20517 U i t s p r a a k op het beroep van #X te #Z tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.858,==. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. 2. Geding voor het Hof Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. 3. De vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: In het onderhavige jaar (1995) was belanghebbende “full-time” werkzaam in dienstbetrekking. Zijn echtgenote werkte in deeltijd – 50 percent – *. Zij had een onregelmatig werkpatroon (wisselende dag- en nachtdiensten). Tot het gezin van belanghebbende en zijn echtgenote behoren twee kinderen. Het ene kind is geboren in 1991, het andere in 1993. In verband met het onregelmatige werkpatroon van de echtgenote van belanghebbende was beroepsmatige opvang van deze kinderen niet of nauwelijks mogelijk. De opvang van de kinderen is daarom verzorgd door de schoonzuster van belanghebbende. Hiervoor heeft belanghebbende haar in 1995 een bedrag van ƒ 4.680,-- betaald. 4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende het door hem ter zake van de kinderopvang betaalde bedrag van ƒ 4.680,-- in mindering mag brengen op zijn inkomsten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend. 4.2. Partijen doen hun standpunt steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. 4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 98.317,––. 4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. In zoverre belanghebbende het standpunt verdedigt dat de onderhavige kosten – kennelijk op grond van de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 31 oktober 1991, nr. DB 91/1259, BNB 1992/19 – als aftrekbare kosten dienen te worden bestempeld en als zodanig in mindering kunnen worden gebracht op zijn inkomsten, kan dit standpunt niet als juist worden aanvaard, reeds omdat de aftrek van uitgaven ter zake van kinderopvang met ingang van 1 januari 1995 niet langer is geregeld in de uitvoeringssfeer doch per die datum een wettelijke grondslag heeft gekregen in de regeling van de buitengewone lasten. De vraag is derhalve of de onderwerpelijke kosten als buitengewone lasten kunnen worden aangemerkt. 5.2. Ingevolge artikel 46, lid 1, aanhef en letter d, (tekst 1995) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) zijn – voorzover hier van belang – buitengewone lasten de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van kinderopvang van eigen kinderen die jonger dan 12 jaar zijn, voorzover die uitgaven zijn gedaan voor beroepsmatige kinderopvang. Blijkens het elfde lid (tekst 1995) van genoemd artikel 46 wordt onder beroepsmatige kinderopvang verstaan kinderopvang die buiten verband van scholing of ziekte wordt verricht door: (a) een instelling of natuurlijke persoon die tegen vergoeding doorgaans gelijktijdig opvang verricht van meer dan drie kinderen die jonger dan 12 jaar zijn; of (b) een natuurlijke persoon die door bemiddeling va