Rechtspraak 1998-05-19
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1146
Gerechtshof Arnhem belastingkamer nummer 97/20684 U i t s p r a a k Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 15 juli 1997 en gericht tegen de uitspraak d.d. 5 juni 1997 van de inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van de economische eigendom van de hierna onder (1.1) te noemen onroerende zaken, welke naheffingsaanslag bij een aanslagbiljet met dagtekening 20 december 1996 en nummer *0 te zijner kennis is gebracht; Gezien de overige stukken, waaronder de door belanghebbendes gemachtigde * overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd; Gehoord ter zitting van 24 maart 1998 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde, alsmede de inspecteur voornoemd; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde naheffingsaanslag is gehandhaafd op ƒ 27.157,– aan belasting zonder verhoging; Overwegende, dat belanghebbende in beroep verzoekt vernietiging van de naheffingsaanslag, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: (1.1) Volgens een notariële akte verleden op 31 maart 1995, 23.09 uur, voor mr *A notaris ter standplaats *Q, hebben belanghebbende en zijn beide zussen *B en *C van hun vader *D de economische eigendom overgedragen gekregen (ieder voor éénderde onverdeeld aandeel) van de volgende onroerende zaken: „1. het woonhuis met bedrijfsruimte, garage, erf en ondergrond en verder aanbehoren, plaatselijk bekend *a-weg 61 en 63 te *R, kadastraal bekend gemeente *R sectie H nummer *1, groot drie aren achtennegentig centiaren; 2. het bedrijfspand met ondergrond en verder aanbehoren, plaatselijk bekend *b-weg 51 te *R, kadastraal bekend gemeente *R sectie E nummer *2, groot een are tweeëntachtig centiaren; 3. het winkelpand met ondergrond, bovenwoning, magazijn en verder aanbehoren, plaatselijk bekend *c-plein 53 A en B te *R, kadastraal bekend gemeente *R sectie G nummer *3, groot een are twintig centiaren;” (hierna: de panden). De koopsom bedroeg ƒ 1.358.000,–. (1.2) *D heeft op 27 januari 1995 een bespreking gehad met *E, werkzaam bij het kantoor van belanghebbendes gemachtigde. Van de zijde van belanghebbende zijn in kopie overgelegd aantekeningen die *E van die bespreking heeft gemaakt. Die aantekeningen luiden als volgt: „In onze bespreking d.d. 27 januari j.l. zijn de navolgende afspraken gemaakt. – De heer *D zal overleg plegen met makelaar/taxateur *F over de waarde van de economisch over te dragen onroerende goederen aan de kinderen. Dit betreft de panden - *e-plein 53 A–B - *a-weg 61 - *b-weg 36 - *b-weg 51 –De heer *D zal bij de „kinderen” inventariseren wie voor welk(e) pand(en) belangstelling heeft –Na [...] advies zal *E verzoeken om minnelijke waardering van betreffende panden –Vervolgens kunnen de panden economisch worden overgedragen aan de kinderen –Daarna kunnen de testamenten worden aangepast –De administratieve werkzaamheden zullen voorshands door de heer *D worden gecontinueerd.”. (1.3) *In maart 1995 heeft beraad plaatsgevonden tussen belanghebbendes ouders, belanghebbende en zijn beide zussen. De op die dag gemaakte afspraken zijn neergelegd in een op 8 maart 1995 gedateerd en door alle betrokkenen voor accoord getekend stuk met de volgende inhoud: „Vastlegging afspraken familieberaad *in maart 1995 te *R. Door Pa en Ma is de wens geuit nog bij leven tot een simplifisering te komen van het bezit, omdat bij eventueel eerder overlijden van Pa het gecompliceerd vermogen moet worden beheerd door Ma. De oplossing is gevonden in het verkopen van de panden aan de kinderen gezamelijk, waarbij in principe Pa en Ma weer hypothe Het besluit is niet van toepassing op de onderhavige casus. De tekst van het besluit is duidelijk, het besluit heeft slechts een beperkte werking; Overwegende omtrent het geschil: (4.1) Bij Wet van 18 december 1995, Stb. 659, (hierna: de Wijzigingswet) is aan artikel 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) een tweede lid toegevoegd waarin de verkrijging van de economische eigendom als een belastbaar feit voor de heffing van de overdrachtsbelasting wordt aangemerkt. De Wijzigingswet werkt volgens artikel V, eerste lid, van die wet – voor zover hier van belang – terug tot 31 maart 1995, 18.00 uur. Ingevolge het vierde lid – voor zover in dezen van betekenis – van gemeld artikel V is de verkrijging van de economische eigendom niet belast indien wordt aangetoond dat de verkrijging het gevolg is van een op 31 maart 1995, 18.00 uur, bestaande schriftelijke overeenkomst. (4.2) Belanghebbende betoogt primair dat aan de Wijzigingswet geen terugwerkende kracht toekomt, althans niet tot aan het tijdstip van de onderhavige verkrijging. Hij beroept zich daarbij op artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het licht van het legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 7 EVRM, en op artikel 120 van de Grondwet en artikel 4 van de Wet van 15 mei 1829, Stb. 28. (4.3) Artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM tast uitdrukkelijk niet het recht aan van de verdragsluitende staten om belasting te heffen, mits daarbij de door het EVRM gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. In dezen is geen sprake van schending van enig in het EVRM neergelegd recht. Het EVRM staat er met name niet aan in de weg dat aan een wet op grond waarvan belasting wordt geheven terugwerkende kracht toegekend wordt. Artikel 7 van het EVRM heeft slechts betrekking op bepalingen van strafrechtelijke aard. Het heffen van de onderhavige belasting kan niet worden gezien als het ontnemen van rechten aan burgers zonder compensatie. (4.4) De Wet van 15 mei 1829, Stb. 28, heeft geen hogere werking dan een andere wet in formele zin, en staat er derhalve niet aan in de weg dat de formele wetgever bij specifieke wetgeving, zoals in de Wijzigingswet, tot terugwerkende kracht besluit. (4.5) Het is aan de formele wetgever zelf te bepalen of hij wetten op grond waarvan belasting wordt geheven wil invoeren met terugwerkende kracht, eventueel ook tegen advies van de Raad van State in en ongeacht de vraag of aan het voornemen tot wetgeving vooraf kenbaarheid is gegeven. Vorenbedoelde vrijheid wordt beperkt door een ieder verbindende bepalingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. De Wijzigingswet is echter – mede gelet op hetgeen is weergegeven onder (4.3) – ook voor wat betreft de terugwerkende kracht niet in strijd met enige een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Gelet op artikel 120 van de Grondwet is er voor ingrijpen van de rechter dan ook geen plaats. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, nummer 13.822 (NJ 1989/469) volgt dat het grondwettelijk toetsingsverbod van genoemd artikel 120 eveneens in de weg staat aan toetsing van een formele wet aan (niet in een een ieder verbindende verdragsbepaling of besluit van een volkenrechtelijke organisatie vastgelegde) fundamentele rechtsbeginselen. (4.6) Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbendes primaire standpunt moet worden verworpen. (4.7) Een eventueel tenietgaan van de panden ging belanghebbende pas aan vanaf het moment dat de notariële akte werd verleden. Voordien berustte het risico van tenietgaan volledig bij de verkoper. Het standpunt van belanghebbende inhoudende dat het risico van tenietgaan zich reeds zou voordoen als hij als koper eventuele verplichtingen met betrekking tot het goed bij tenietgaan daarvan niet kan nakomen, is onjuist. De koper draagt slechts dan het risico van het tenietgaan van een goed,