Rechtspraak 1998-03-31
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1110
Gerechtshof Arnhem derde enkelvoudige belastingkamer nummer 96/0589 U i t s p r a a k op het beroep van X v.o.f. te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Chef van de afdeling Wnanciën en belastingen van de gemeente Tiel (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het na te melden gevorderde bedrag aan leges. 1. Gevorderd bedrag en bezwaar 1.1. Bij schriftelijke kennisgeving van 3 augustus 1995, verzonden op 4 augustus 1995, kenmerk A, is van belanghebbende ƒ 14 017,50 gevorderd aan gemeentelijke leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor een taxibedrijf aan de a-straat 1 te Z, welk bedrag bestaat uit: ‘– Kosten externe adviseur (artikel 6.2.1), overeenkomstig de aan u gezonden begroting d.d. 27 juli 1995 ƒ 9 357,50 – Gem. Leges (art. 6.1, categorie 3) ƒ 4 660,–’. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de ambtenaar bij uitspraak van 12 maart 1996, in afschrift aan belanghebbende verzonden op 14 maart 1996, het gevorderde bedrag gehandhaafd. 2. Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is ter grifWe ontvangen op 15 april 1996, waarbij de bijlagen 1 tot en met 5 is zijn overgelegd. 2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen. 2.3. Bij de mondelinge behandeling op 11 februari 1997 te Arnhem zijn gehoord ing. H.J. Laar, kantoor houdende te Delft, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de woordvoerders van de ambtenaar. Daarop zijn van belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen. Hierop zijn de artikelen 14, lid 1, onderdeel 2?, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toegepast. 2.4. Bij de voortgezette mondelinge behandeling op 3 maart 1998 te Arnhem zijn belanghebbende bij monde van haar vennoot B alsmede de zo-even genoemde personen gehoord. 2.5. De notities van het pleidooi dat de gemachtigde van belanghebbende op 11 februari 1997 heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd, evenals een kopie-geleidebrief van 10 december 1993 van ‘advies- en architektenburo C’ te Doetinchem aan de gemachtigde, die door deze op 3 maart 1998 is overgelegd en overgelegde afschriften van de hierna onder 4 genoemde verordeningen en de BEREKENING LEGES OP GROND VAN DE LEGESVERORDENING 1993 die aldaar door de ambtenaar zijn overgelegd. 2.6. De brief van de gemachtigde van 5 maart 1998 aan het hof, ingekomen op 6 maart 1998 en dus na sluiting van de mondelinge behandeling en aanzegging van deze uitspraak, staat buiten de orde van dit geding en geeft ook geen aanleiding tot heropening van die behandeling. 3. Conclusies van partijen 3.1. Belanghebbende verzoekt om vernietiging van de aangevallen uitspraak en, naar het hof verstaat, vermindering van het gevorderde bedrag tot een, berekend naar de in 1993 geldende legestarieven doch zonder doorberekening van de kosten van extern advies. 3.2. De ambtenaar concludeert, na wijziging van zijn standpunt bij de voortgezette mondelinge behandeling, primair tot bevestiging van zijn uitspraak en subsidiair tot vermindering van het gevorderde bedrag tot ƒ 11067,50. 4. De verordening 4.1. Bij raadsbesluit van 16 december 1992, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 19 maart 1993, Nº 93.002469, onder de bepaling dat het raadsbesluit geldt tot 1 januari 1994, is de Legesverordening 1993 vastgesteld. Hiervan luidde artikel 21, voor zover hier van belang: 1. Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: a.tot het verkrijgen van een vergunning ingevolge artikel 2 van de Hinderwetƒ500,– (...) 5. Inrichtingen als bedoeld in artikel 1, sub V van het hinderbesluit (het bewaren van brandbare vloeistoffen) a.ondergronds (...) b.bovengronds, voor zover het betreft vloeistoffen, waarvan het ontvlammingspunt bepaald met het toestel van Abel Pensky bij een druk van 760 mm lager is dan 55?C (...) c.bovengronds in tanks met een gezamenlijke inhoud van: 1. 3 m³ of minder ƒ 1 330,– 2. (... Bij brief van 27 juli 1995 is aan belanghebbende een begroting overgelegd van de totale kosten op ƒ 14 017,50, bestaande uit ƒ 9 357,50 aan kosten van de externe adviseur en ƒ 4 660,– aan het halve tarief vermeld in onderdeel 6.1, categorie 3, van de Tarieventabel die behoort bij de ‘Legesverordening Tiel 1995’. 5.9. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot intrekking van de aanvraag overeenkomstig het onder 4.3 vermelde tariefonderdeel 6.2.2. 6. Het geschil en de standpunten van partijen 6.1. Partijen houdt verdeeld, 6.1.1. of de leges moeten worden berekend met toepassing van de in 1993 geldende verordening, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel met die van de Legesverordening Tiel 1995, wat de ambtenaar primair verdedigt, en indien deze vraag in de laatstbedoelde zin wordt beantwoord, 6.1.2. of aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag kosten van extern advies zijn doorberekend. 6.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. 6.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd – zakelijk weergegeven – op 17 februari 1997: 6.3.1. namens belanghebbende: 6.3.1.1. De tussen 15 en 21 december 1993 verstreken tijd laat zich verklaren uit het feit dat het aanvraagformulier aan DHV is gezonden, zulks op aanwijzing van de gemeente. Deze adviseur was klaar in augustus 1994. 6.3.1.2. Zij kent de legesverordening van 1994 niet. 6.3.1.3. Na 1993 is de aanvraag niet meer veranderd. 6.3.1.4. Zij biedt bewijs van haar stellingen aan door middel van getuigen, waartoe zij de heren Th. Ahoud, destijds werkzaam bij de gemeente, en H. Gorter van DHV op het oog heeft. 6.3.2. en door/namens de ambtenaar: 6.3.2.1. De doorberekende kosten bestaan uit ƒ 2 050,– van DHV en ƒ 7307,50 van het intergemeentelijk orgaan. 6.3.2.2. Tegen de gevraagde vergunning zijn bezwaarschriften van naburige bedrijven en omwonenden ingediend. De complexiteit van de ligging van het bedrijf van belanghebbende heeft uitgebreide rapportage nodig gemaakt. 6.3.2.3. De vergunningaanvraag wordt eerst ingeschreven als alle benodigde stukken erbij zijn, wat eerst in 1995 het geval was. 6.3.2.4. Op zijn verzoek is DHV ingeschakeld. Hij heeft dus nooit begrepen dat er reeds in december 1993 een aanvraag is geweest. 6.3.2.5. In 1993 knoopte de legesverordening nog aan bij de Hinderwet. 6.4. Op 3 maart 1998 is mondeling toegevoegd: 6.4.1. door/namens belanghebbende: 6.4.1.1. Al haar voertuigen rijden op diesel. De afgewerkte olie die bij haar is opgeslagen is dus niet vermengd met benzineresten. Eventuele vermenging met glycol, dat in koelvloeistof kan zitten en op zichzelf wel brandbaar is maar niet onder de 55? Celsius, brengt het ontvlammingspunt van de afgewerkte olie niet onder die temperatuur. 6.4.1.2. De ambtenaar heeft in de compromisonderhandelingen van juni 1997 toepassing van de in 1993 geldende legesverordening aangeboden. Daarvan moet hij nu niet terugkomen. 6.4.1.3. Op 26 oktober 1993 heeft zij de vergunningaanvraag in concept aan de gemeente gezonden. Naar aanleiding van dat concept heeft het architectenbureau op 10 december 1993 de gewijzigde tekening toegezonden aan haar gemachtigde, die het formulier op 15 december 1993 heeft ingevuld en gezonden aan haar, belanghebbende. Ter bevestiging hiervan legt haar gemachtigde de onder hiervóór onder 2.5 genoemde brief over; deze was bedoeld als bijlage in haar schriftelijke inlichtingen maar abusievelijk niet meegezonden. Op 21 december 1993 is het formulier door G.W. Van Kuik voornoemd ondertekend en bij de gemeentelijke adviseur DHV ingediend. 6.4.1.4. Na inzending van de concept-aanvraag bleek uit het daarmee in gang gezette vooroverleg, dat er nog allerlei te wijzigen was en er nog een akoestisch onderzoek moest worden uitgevoerd. Aanvankelijk leek dit in orde, maar dit is later door DHV anders gezien. 6.4.1.5. DHV zou de aanvraag onder meer op haar ontvankelijkheid beoordelen en met ad