Rechtspraak 1998-02-17
ECLI:NL:GHARN:1998:AA1088
Gerechtshof Arnhem belastingkamer nummer 97/0545 U i t s p r a a k Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X B.V., gevestigd te *Z, ingekomen op 18 april 1997 en gericht tegen de uitspraak d.d. 21 maart 1997 van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1990 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, welke naheffingsaanslag bij een aanslagbiljet met dagtekening 28 december 1995 en nummer * te harer kennis is gebracht, alsmede tegen het besluit van de inspecteur de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging van 100 percent voor niet meer dan 50 percent kwijt te schelden; Gezien de overige stukken, waaronder de door belanghebbendes gemachtigde overgelegde notities van zijn bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooi welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd; Gehoord ter zitting van 20 januari 1998 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *, bijgestaan door *A, alsmede de inspecteur voornoemd *; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde naheffingsaanslag en het voormelde besluit zijn gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende naar het hof verstaat in beroep verzoekt primair vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag met de daarin begrepen verhoging en meer subsidiair verdere kwijtschelding van de verhoging, terwijl de inspecteur concludeert, naar het hof verstaat, primair tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot verdere kwijtschelding van de verhoging met ƒ 16.188,–; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: (1.1)Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige tijdvak een schildersbedrijf. Zij verrichtte schilderwerken in opdracht van aannemers, particulieren en projectontwikkelaars. (1.2)Sinds het midden van de jaren tachtig heeft belanghebbende schilders-, glaszetters-, en behangerswerkzaamheden verricht voor *B BV. *B BV was een projectontwikkelaar. Belanghebbende factureerde *B BV ter zake van die werkzaamheden met toepassing van de op artikel 12, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) gebaseerde verleggingsregeling. Op de desbetreffende facturen vermeldde belanghebbende: „omzetbelasting verlegd”. (1.3)In 1990 heeft belanghebbende als beheerskostenvergoeding ƒ 350.000,– in rekening gebracht aan *B BV. (1.4)In het tijdvak van naheffing was *C directeur van belanghebbende en van *B BV. *C was voorts houder van 75% van de aandelen van belanghebbende en van 50% van de aandelen van *B BV. (1.5)Het bedrag van ƒ 350.000,– heeft betrekking op door *C voor *B BV verrichte werkzaamheden. Volgens belanghebbende heeft de vergoeding ook betrekking op werkzaamheden die zouden zijn verricht door de in het tijdvak van naheffing bij haar werkzame *D en *E. (1.6) Belanghebbende heeft de inspecteur de volgende opgave gedaan van de werkzaamheden die *C voor *B BV zou hebben verricht: „A.het dagelijks ondersteunen als projectleider op de bouwplaats van de uitvoerder die door *B BV was ingehuurd; B.dagelijks overleg op de bouwplaats met de aannemer/onderaannemers of personeel van die aannemers welke rechtstreeks onder verantwoording van de *B BV's stonden; C.het inkopen van materialen en het uitbesteden van nog uit te voeren werkzaamheden op de bouwplaats; D.het onderhouden van de contacten met de eventuele kopers hetzij bij de makelaar of rechtstreeks met kopers; E.het calculeren, bestekken schrijven en uitbesteden van nieuwbouwprojecten; F.het onderhouden van de contacten met de gemeente, architecten, bank e.d.; G.het dagelijks laten factureren van termijnen aan de kopers. Door het dagelijks aanwezig zijn op de bouwplaats konden de termijnen, indien deze vervallen, waren door *B BV dagelijks worden gefactureerd en de binnenkomende facturen worden gecontroleer Het schilderwerk werd door haar verricht. (2.4)*A werkte in 1990 20 uur per week voor haar en verrichtte allerlei werkzaamheden. (2.5)Indien een boete van 50% gehandhaafd blijft, is sprake van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete. (2.6)*D en *E verrichtten gelijksoortige werkzaamheden als *C. (2.7)*G B.V. is veroordeeld wegens paulianeus handelen. De omvang van het door die B.V. verschuldigde bedrag moet nog worden vastgesteld. (2.8)De inspecteur is er op uit de belasting van haar na te heffen nu *B BV failliet is. Door de inspecteur: (3.1)Hij betwist dat het bedrag van ƒ 350.000,– mede betrekking heeft op werkzaamheden van *D en van *E. *D is werkzaam bij belanghebbende als administrateur. *E is bedrijfsleider bij belanghebbende. (3.2)Het controlerapport waarvan belanghebbende een afschrift heeft overgelegd heeft betrekking op jaren gelegen vóór 1990. Het zou kunnen dat de situatie in 1990 anders is. (3.3)Met bijlage 11 bij het vertoogschrift heeft hij slechts willen aangeven dat belanghebbende en *B BV goed wisten hoe het zat met de verleggingsregeling in de omzetbelasting. (3.4)*B BV heeft te goedkoop grond verkocht aan *G B.V. van welke B.V. een zoon van *C directeur is. *G B.V. is ter zake wegens paulianeus handelen veroordeeld tot betaling van ƒ *. (3.5)In de pleitnota wordt erkend dat *C managementtaken had. Managementactiviteiten vallen niet onder de verleggingsregeling. (3.6)Het op juiste wijze doen van aangifte vormt een wezenlijk onderdeel van de verleggingsregeling. In de aangifte van *B BV is ten aanzien van het bedrag van ƒ 350.000,– geen verlegde omzetbelasting zichtbaar gemaakt. (3.7)De ƒ 60.000,– waarover belanghebbende spreekt op bladzijde 5 van de pleitnota zijn niet met toepassing van de verleggingsregeling in rekening gebracht. (3.8)Uit het controlerapport (bijlage 14 bij het beroepschrift) zelf valt af te leiden waarop de controle betrekking had. Het bedrag van ƒ 350.000,– is in rekening–courant verrekend. Er was geen factuur en *B BV had dus geen recht op vooraftrek. Mogelijk zijn de controlerende ambtenaren er daarom niet verder op ingegaan. Ten aanzien van *B BV was er geen belang. (3.9)Hij denkt dat het voor *B BV en belanghebbende moeilijk zou zijn geweest omzetbelasting ter zake van de in rekening gebrachte ƒ 350.000,– daadwerkelijk te betalen en aan de fiscus te voldoen. Aan het einde van 1990 had *B BV volgens haar administratie een omzetbelastingschuld van ruim ƒ * miljoen; Overwegende omtrent het geschil: (4.1)Het stond de inspecteur vrij de omstreden naheffingsaanslag op te leggen naar aanleiding van informatie verkregen uit onderzoek bij andere vennootschappen, ook als die informatie gebruikt is in de strafprocedure tegen haar directeur en groot-aandeelhouder *C. Van gebruik door de inspecteur van onrechtmatig verkregen bewijs op grond waarvan de naheffingsaanslag zou moeten worden vernietigd, is derhalve geen sprake. (4.2)De omstandigheden dat het onder (1.10) genoemde onderzoek betrekking had op een andere belastingplichtige – *B BV – en er bij *B BV ten aanzien van kwesties als de onderhavige geen materieel belang was voor de heffing van de omzetbelasting, brengen mee dat belanghebbende zich in rechte niet kan beroepen op vertrouwen dat het onderzoek bij haar zou hebben gewekt. (4.3)De belasting wordt op grond van artikel 12, vierde lid, van de Wet geheven van degene aan wie wordt gepresteerd in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen. Die aanwijzing heeft plaatsgevonden in artikel 24b, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit). Indien vorenbedoeld vijfde lid van toepassing is, is de presterende ondernemer op grond van het zesde lid van dat artikel 24b verplicht op de uit te reiken factuur te vermelden: „omzetbelasting verlegd”. (4.4)De verleggingsregeling beoogt gelet op de tekst van artikel 12, vierde lid, van de Wet meer waarborgen te scheppen voor de inning van de belasting. Het doel van de regeling, die in d