Rechtspraak 1998-06-09
ECLI:NL:GHARN:1998:3
9 juni 1998 pachtkamer rolnummer 97/575 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, procureur: mr. J.M. Bosnak, tegen: 1 [geïntimeerde sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2 [geïntimeerde sub 2] , wonende te [woonplaats] , 3 [geïntimeerde sub 3] , wonende te [woonplaats] ( [land] ), tesamen zijnde de erven van [A] en [B] , geïntimeerden, procureur: mr. P.C. Plochg. 1 Het geding in eerste aanleg De pachtkamer van het kantongerecht te Terborg heeft op 10 mei 1994, 11 oktober 1994, 10 december 1996 en 13 mei 1997 tussen (de rechtsvoorgangers van) partijen vonnissen gewezen, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht en naar de inhoud waarvan wordt verwezen. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Appellant hierna ook te noemen: [appellant] is bi; exploot van 10 juni 1997, met gelijktijdige dagvaarding van geintimeerden hierna ook te noemen: [geïntimeerden] c.s. voor dit hof, in hoger beroep gekomen van genoemde vonnissen, waarbij een descente annex comparitie van partijen is bepaald respectievelijk aan [appellant] een bewijsopdracht is gegeven respectievelijk [appellant] in de gelegenheid is gesteld tot het verstrekken van inlichtingen respectievelijk in conventie de vordering van [appellant] tot schriftelijke vastlegging ener pachtovereenkomst is afgewezen en in reconventie is verstaan dat daarin niet behoeft te worden beslist. 2.2 Bij memorie van grieven zijn na te melden grieven aangevoerd, met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tussen [appellant] en [geïntimeerden] c.s. bestaande pachtovereenkomst betreffende de hoeve aan de [adres] te [plaats] met bijbehorende landbouwgrond, kadastraal bekend sectie K, nummers 806, 871, 804, 805, 594, 595, 596, 617, 870, 261, 891, 890, 872, 283 en 803, alsmede sectie L, nummers 1078, 1079, 2334 en 216, totaal groot 6.13.03 ha, schriftelijk zal vastleggen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord is verweer gevoerd met conclusie dat het hof de vonnissen, waarvan beroep, zal bekrachtigen, voor zover nodig met verbetering; van de gronden en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding (lees:) in hoger beroep. 2.4 [appellant] heeft bij akte nog enkele stukken in het geding gebracht. 2.5 Ter zitting van het hof van 27 april 1998 is de zaak vervolgens bepleit, voor appellant door mr. E.H.M. Harbers ,advocaat te Arnhem, en voor geintimeerde door mr. J.G.M. Stassen, advocaat te Almelo, beiden mede aan de hand van pleitnotities. 2.6 Daarna hebben partijen de stukken, waaronder de pleitnotities van de advocaten, aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De grieven De grieven luiden: I. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht de vordering niet onmiddellijk toegewezen, nu bij de feiten als vaststaand is aangenomen dat [appellant] voor het gebruik van de hoeve een geldelijke vergoeding betaalde per jaar (vonnis van 10 mei 1994). II. Ten onrechte heeft de pachtkamer van het kantongerecht [appellant] een bewijsopdracht verstrekt, inhoudende [appellant] te laten bewijzen dat (lees: de) door hem in 1974 aan [A en B] betaalde vergoeding van f 3.600, per jaar ook betrof het gebruik van de in (lees: de) dagvaarding omschreven percelen grond (vonnis van 11 oktober 1994). III. Ten onrechte is de pachtkamer van het kantongerecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] niet in zijn bewijsvoering is geslaagd en ten onrechte heeft de pachtkamer de vordering afgewezen (vonnis van 13 mei 1997). IV. Ten onrechte overweegt de pachtkamer van het kantongerecht: "De pachtkamer beschouwt de tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot de boerderij die door [appellant] tegen betaling van een afgesproken geldsom en de verplichting onderhoud (lees: te) verrichten, mocht worden gebruikt, als een huurovereenkomst" (vonnis van 13 mei 1997). 4 De ontvankelijkheid van het hoger beroep [ Het ging om een boerderij (woning met bedrijfsruimten) die ook voordien altijd voor landbouwkundige doeleinden in gebruik was geweest. Als onvoldoende weersproken moet voorts worden aangenomen dat de dames [A en B] ervan op de hoogte waren dat vanaf het begin sprake is geweest van het bedrijfsmatig houden van een groot aantal mestvarkens; aan hen is bij brief van 3 juli 1980 nog kenbaar gemaakt dat sprake was van het houden van varkens en dat [appellant] van oordeel was dat sprake was van een pachtverhouding, zulks zonder dat deze mededelingen tot protesten hunnerzijds leidden. Hun toenmalige adviseur gaf bij de comparitie van partijen op 24 mei 1994 bovendien onder meer te kennen dat hij zijn medewerking had verleend aan het aanvragen van een pachtcontract. Het hof wijst er voorts nog op dat weliswaar is aangevoerd dat de dames [A en B] , zulks in afwijking van wat ten aanzien van de eerdere gebruikers het geval was geweest, geen pachtovereenkomst meer wensten aan te gaan, maar dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd. Gelet op een en ander, is dan ook geen plaats voor de conclusie dat het litigieuze gebouwencomplex alleen voor bewoning en niet tevens voor landbouwkundig gebruik aan [appellant] ter beschikking is gesteld. 6.7 Met betrekking tot de grond is niet in geschil dat deze door de dames [A en B] aan [appellant] in gebruik is gegeven en dat dit geschiedde voor landbouwkundige doeleinden. [geïntimeerden] c.s. voeren evenwel aan dat de ingebruikgeving van de grond later is geschied dan die van het gebouwencomplex en voorts om niet; [appellant] ontkent een en ander gemotiveerd. 6.8 Het hof overweegt ter zake het navolgende. a. a) Het is niet waarschijnlijk dat sprake is geweest van een (wezenlijk) verschil in tijd van ingebruikgeving van gebouwen en land; het gebruik door [Y] is in 1973 geëindigd, van een (kortstondig) gebruik van het land daarna door (een) derde(n) is niets gesteld of gebleken, terwijl in mei 1974 het weideseizoen al weer was begonnen. b) Van een verschil in tijd tussen ingebruikgeving van gebouwencomplex en land is van de zijde van de dames [A en B] respectievelijk [geïntimeerden] c.s. ten processe niet gerept vóór de pleidooien in hoger beroep; de bewoordingen in de (overigens door haar niet ondertekende) door één der dames [A en B] op 24 januari 1995 afgelegde getuigenverklaring luidend: "Ik denk dat er over de grond niet is gepraat", zijn te vaag om te dezen van betekenis te zijn; dit laatste klemt te meer nu bij de comparitie van partijen op 24 mei 1994 zonder ter zake verschil in tijdstip te maken nog is gezegd: "De grond mocht hij erbij gebruiken". c) Vóór mei 1974 waren gebouwen en land ook steeds gezamenlijk voor landbouwkundige doeleinden in gebruik geweest en niet voldoende onderbouwd is aangegeven waarom dit vanaf mei 1974 anders zou zijn geweest. d) Het is niet geloofwaardig dat een oppervlakte land van ongeveer 6 ha om niet in gebruik wordt gegeven en zo lange tijd gelaten. 6.9 Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, deze tesamen en in onderling verband bezien, moet het er naar het oordeel van het hof voor gehouden worden dat behoudens tegenbewijs de ingebruikgeving van het gebouwencomplex en die van het land gelijktijdig in één overeenkomst zijn geschied en dat de daarbij overeengekomen tegenprestatie voor beide samen gold. Ter zake rust op [geïntimeerden] c.s. de bewijslast van het tegendeel. Grief II is mitsdien gegrond. 6.10 Aan het vorenstaande doet niet af dat [appellant] niet eerder dan bij hoger beroep van het eindvonnis tegen de hem gegeven bewijsopdracht is opgekomen. Trouwens, reeds bij conclusie van repliek heeft hij aangevoerd dat op de dames [A en B] de bewijslast rustte inzake hun stelling dat de grond om niet in gebruik is gegeven. Het stond hem echter vrij om van het andersluidende vonnis van de pachtkamer van het kantongerecht vooralsnog niet in hoger beroep te komen en eerst te trachten het hem opgedragen bewijs te leveren. Zijn processueel recht om die