Rechtspraak 1997-12-17
ECLI:NL:GHARN:1997:AA4897
ak Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 96/1107 Arrest Hoge Raad nrs. 34116 + 34117 U i t s p r a a k op het beroep van *X B.V., gevestigd te *Z, tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Douane district *P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden kwartaalaangifte accijns vierde kwartaal 1995. 1. Aangifte en bezwaar 1.1. Belanghebbende deed op 31 januari 1996 aangifte over het vierde kwartaal 1995 van ¦ 166.685.383,42 aan accijns op sigaretten, van ¦ 165.082.460,27 aan voorschot op die accijns bij aanschaf accijnszegels en van ¦ 1.602.923,15 aan per saldo te betalen accijns. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen haar aangifte bij een brief die is gedagtekend 4 maart 1996 en die op 6 maart 1996 door de inspecteur is ontvangen. Belanghebbende verzoekt gedeeltelijke teruggaaf van het op aangifte voldane bedrag aan tabaksaccijns. 1.3. Bij uitspraak d.d. 27 juni 1996 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 2. Geding voor het hof 2.1. Het beroepschrift is ter griffie ingekomen op 16 juli 1996. Daarbij zijn twee bijlagen overgelegd. Belanghebbende heeft het beroepschrift aangevuld bij een brief d.d. 18 november 1996, per fax ingekomen op 19 november 1996, en nader bij brief d.d. 20 december 1996, ingekomen op 24 december 1996. 2.2. Tot de stukken van het geding behoren voorts het vertoogschrift van de inspecteur en de daarbij overgelegde bijlagen 1 tot en met 9, de conclusies van re- en dupliek ten aanzien waarvan het bepaalde in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden, alsmede de door belanghebbendes gemachtigden overgelegde notities van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien welke als in deze uitspraak ingelast moet worden beschouwd. 2.3. Ter zitting van 1 oktober 1997 te Arnhem zijn met instemming van beide partijen de door belanghebbende ingediende beroepschriften met kenmerken 96/1106, 96/1107, 96/1645, 96/1271 en 96/1833 gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn gehoord: *A en *B, als gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur voornoemd. Belanghebbendes gemachtigde heeft na de zitting een brief met dagtekening 8 oktober 1997 en ingekomen 9 oktober 1997 aan het hof gezonden met een bijlage, welke bijlage hij op gelijke datum ter kennis van de inspecteur heeft gebracht. Het hof slaat voor de beoordeling van het onderwerpelijke geschil geen acht op deze stukken nu deze zijn ingediend nadat de behandeling van de zaak ter zitting is gesloten en een schriftelijke uitspraak aan partijen was aangezegd. Het hof ziet in belanghebbendes brief geen aanleiding de behandeling van de zaak te heropenen. Uit die brief blijkt immers dat de ingezonden bijlage in belanghebbendes administratie voorhanden was. Belanghebbende had deze redelijkerwijs ter zitting kunnen produceren - dan wel om aanhouding van de zaak kunnen vragen met het oog op het alsnog in het geding brengen ervan - omdat zij er redelijkerwijs van uit had kunnen gaan dat de diefstal tijdens de zitting aan de orde zou komen. 3. Conclusies van partijen 3.1. Belanghebbende verzoekt teruggaaf van ¦ 1.538.866,30 aan tabaksaccijns. 3.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak. 4. De vaststaande feiten Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde kan het volgende als voor dit geding vaststaand worden aangemerkt: 4.1. Belanghebbende beschikt sinds 1 januari 1992 over een vergunning accijnsgoederenplaats voor productie en opslag van tabaksproducten in de zin van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) -hierna: AGP-. Belanghebbende kan aldus tabaksfabricaten produceren en/of opslaan zonder verschuldigdheid van accijns en omzetbelasting, welke verschuldigdheid ontstaat onder meer bij belaste uitslag. 4.2. Belanghebbende produceert dagelijks omstreeks 14,5 miljoen sigaretten die worden verpakt in omstreeks 600.000 pakjes. 4.3. Bij de Bijstellingsregeling accijns van sigaretten 1995 d.d. 28 november 1995, nr. WV 95/8 Belanghebbende verdedigt, gezien de artikelen 52 en 55 van de Wet, ten onrechte dat zij haar tabaksproducten mag uitslaan tegen het tarief dat gold op het tijdstip dat zij de op die producten aangebrachte accijnszegels aanvroeg en betaalde. Belanghebbendes verwijzing naar in hoofdstuk VI, afdeling 1, met name artikelen 75, 76, 77 en 79, van de Wet opgenomen Bijzondere bepalingen met betrekking tot Accijnszegels, doen aan het vorenstaande niet af, omdat die bepalingen met betrekking tot de accijnszegels bijzondere regelingen bevatten ten aanzien van onder meer aanvraag, betaling -waaronder het driemaandskrediet-, het op de aangifte in mindering te brengen bedrag, en de handelwijze met betrekking tot onder meer niet of verkeerd aangebrachte, verloren gegane en vernietigde zegels. Met name artikel 77, lid 1, regelt wat in mindering kan worden gebracht op het op de voet van artikel 53, lid 1, op aangifte te voldoene bedrag aan belasting dat ingevolge artikel 52 juncto 55 op het tijdstip van de uitslag verschuldigd is geworden en naar het op dat tijdstip geldende tarief is berekend. Evenmin biedt belanghebbendes verwijzing naar artikel 10 van de EG-Richtlijn 95/59/EG (PB EG 1995, nr. L 291, 6 december 1995) steun voor haar standpunt omdat in die bepaling geenszins te lezen is dat het systeem van zegels inhoudt dat het in deze relevante belastbare feit zich (ook) voordoet op het moment van het aanvragen (en verstrekken) van de zegels of dat de onder meer in artikel 52 van de Wet opgenomen regeling met die Richtlijn op gespannen voet zou staan. 6.2.1. Zoals is overwogen in de uitspraak van dit hof onder nr. 96/1645, onder 6.2.1 tot en met 6.2.7, welke overwegingen als hier ingelast worden beschouwd, heeft het hof voor wat betreft de accijnsverhoging per 1 oktober 1994 belanghebbendes opvatting aanvaard dat zij er redelijkerwijs van uit kon gaan dat een overgangsregeling zou worden getroffen op grond waarvan belanghebbende de vóór de datum van ingang van de accijnsverhoging van oude zegels voorziene tabaksproducten nog gedurende enkele weken na de ingangsdatum 1 oktober 1994 zou kunnen uitslaan. 6.2.2. Belanghebbende kan echter in redelijkheid niet volhouden dat zij aan omstreeks 1 oktober 1994 gedane uitlatingen de indruk heeft kunnen ontlenen dat ook voor de accijnsverhoging per 1 december 1995 een overgangsregeling op de voet van die als weergegeven onder 6.2.3 van genoemde uitspraak nr. 96/1645 zou worden getroffen. Reeds het uitblijven van een regeling voor wat betreft de verhoging per 1 oktober 1994, terwijl eerdere regelingen steeds vóór de verhogingsdatum waren gepubliceerd, zou zo'n eventuele indruk ieder realiteitsgehalte hebben moeten ontnemen. De minister is voorts tot het treffen van een overgangsregeling niet verplicht. 6.3. De belastingplicht ten aanzien van de „ontvreemde" sigaretten 6.3.1. Tussen partijen is nader komen vast te staan (1) dat het in 4.4 bedoelde vriesveem als AGP is aan te merken, en (2) dat belanghebbendes belastingplicht ten aanzien van de uit dat veem „ontvreemde" sigaretten, gezien artikel 51a, aanhef en onderdelen a en f, van de Wet afhankelijk is van de vraag of ter zake van de onderwerpelijke diefstal artikel 2 - juncto artikel 88 - dan wel artikel 2f van de Wet van toepassing is. 6.3.2. De inspecteur verdedigt terecht (a) dat met de betrekking tot de onderwerpelijke sigaretten, ten aanzien waarvan vaststaat dat deze op 27 maart 1994 niet meer in de accijnsgoederenplaats voorhanden waren zonder op reguliere wijze te zijn uitgeslagen, sprake is van accijnsgoederen die worden vermist als bedoeld in artikel 88, lid 1, van de Wet, en (b) dat de oorzaak van dit vermis niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van lid 3 van genoemd artikel dan wel als toevallige omstandigheid of een geval van overmacht in de zin van artikel 14 van de accijnsrichtlijn 92/12/EEG (PB EG, nr. L 76, 23 maart 1992). Belanghebbende maakt met haar verwijzing naar onder meer paragraaf 3.6, lid 2, va