Rechtspraak 1997-11-18
ECLI:NL:GHARN:1997:3
18 november 1997 pachtkamer rolnummer 97/299 P G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: 1 [appellante sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2 [appellant sub 2] , wonende te [woonplaats] , appellanten, procureur: mr J.M. Bosnak, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, procureur: mr P.C. Plochg. 1 Het geding in eerste aanleg Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis dat de pachtkamer van het kantongerecht te Breda op 6 februari 1997 tussen partijen - hierna ook te noemen: [appellante sub 1] resp. [appellant sub 2] respectievelijk [geïntimeerde] - heeft gewezen; van dat vonnis is een fotocopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij exploot van 4 maart 1997 aan [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor de pachtkamer van dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de door hem ingestelde vordering, althans hem deze vordering zal ontzeggen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en een produktie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, voorzoveel nodig met verbetering van gronden, en [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zal veroordelen in de proceskosten, althans [appellante sub 1] zal veroordelen in die kosten, zulks met compensatie van kosten, voorzoverre het betreft de vordering tegen [appellant sub 2] . 2.4 Ter zitting van het hof van 1 september 1997 inzake de tevens voor het hof tussen partijen aanhangige pachtverlengings-procedure onder request-nummer P 267/97 heeft met instemming van partijen ook een mondelinge behandeling van de onderhavige procedure plaatsgevonden. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van appellanten: hun raadsman mr D.M.H.M. van Dijk, advocaat te Arnhem, [appellant sub 2] en diens echtgenote en G. de Dooy, beheerder van het gepachte, in dienst van de Heidemij; aan de zijde van geïntimeerde: [geïntimeerde] , diens procureur en [schoonzoon van geïntimeerde] , schoonzoon van [geïntimeerde] en voorgestelde pachter. Partijen en hun raadslieden hebben de zaak ter zitting toegelicht. Beide raadslieden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. 3 De grieven [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aangevoerd: Grief I Ten onrechte heeft de Pachtkamer van het kantongerecht de vordering tot indeplaatsstelling toegewezen. Grief II Ten onrechte heeft de pachtkamer nagelaten [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover zijn vordering was gericht tegen [appellant sub 2] , heeft de pachtkamer [appellante sub 1] veroordeeld in de kosten van de procedure en de kosten gecompenseerd, voor zover de vordering was gericht tegen [appellant sub 2] . 4De vaststaande feiten In hoger beroep kan van de volgende - erkende of door de wederpartij niet of onvoldoende betwiste - feiten als vaststaand worden uitgegaan: 4.1 Er bestaat tussen [appellante sub 1] als verpachtster en [geïntimeerde] als pachter een schriftelijke pachtovereenkomst, gedateerd 13 resp. 31 mei 1993, met betrekking tot: -een perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie N, nr 184, groot 3.48.50 ha; -een perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie H, nr 6, groot 3.05.00 ha; -een perceel bouw- en weiland, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie H nr 22, groot 3.14.00 ha; tezamen derhalve groot 9.67.50 ha, ingaande [X] heeft mij verteld dat de huidige oppervlakte van zijn bedrijf, ca 37 ha, niet genoeg is om daarmee geheel in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien, maar dat een oppervlakte van ca 47 ha daarvoor wèl genoeg is, omdat hij dan meer vleesstieren zal kunnen houden. Hij ziet, anders dan kennelijk [schoonzoon van geïntimeerde] , wèl een toekomst in vleesvee. Ik kan dat zelf niet beoordelen. Er is vóór 1995 nooit over [schoonzoon van geïntimeerde] als bedrijfsopvolger voor [geïntimeerde] gesproken. Ik dacht dat [geïntimeerde] geen bedrijfsopvolger had. door G. de Dooy: Het verzoek van [geïntimeerde] tot indeplaatsstelling van zijn schoonzoon als pachter kwam in 1995 als een donderslag. In 1993 ben ik betrokken geweest bij de bespreking over eventuele economische overdracht van het gepachte door [appellante sub 1] aan [appellant sub 2] . In 1993 was niets bekend over een bedrijfsopvolger van [geïntimeerde] . Ik ging er van uit dat het gepachte in 1999 vrij van pacht zou komen. 5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep Grief II 5.1 Het hof ziet aanleiding tot het eerst beoordelen van grief II. 5.2 De Pachtkamer van het kantongerecht heeft in rechtsoverweging 3 overwogen: Eiser (= [geïntimeerde] ) is dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover gericht tegen gedaagde sub 2 (= [appellant sub 2] ). Deze overweging is in hoger beroep - terecht - niet bestreden. 5.3 De Pachtkamer van het kantongerecht heeft echter niet tevens in het dictum van haar vonnis [geïntimeerde] in zoverre niet-ontvankelijk verklaard; naar het hof aanneemt bij vergissing. Daartegen richt zich deze grief. De grief is in zoverre gegrond, maar kan niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Het hof zal [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk verklaren voor zover zijn vordering is gericht tegen [appellant sub 2] . 5.4 Grief II maakt verder bezwaar tegen het feit dat de Pachtkamer van het kantongerecht [appellante sub 1] heeft veroordeeld in de proceskosten, voor zover de vordering van [geïntimeerde] tegen haar is gericht. Nu deze kostenveroordeling afhankelijk is van het lot van de vordering tot indeplaatsstelling, die in grief I in appèl aan de orde is gesteld, zal het hof de beoordeling van grief II in zoverre aanhouden tot na de beoordeling van grief I. 5.5 Voor zover grief II tevens bezwaar maakt tegen de door de Pachtkamer van het kantongerecht uitgesproken compensatie van kosten, voor zover de procedure is gericht tegen [appellant sub 2] , is de grief gegrond. In zoverre moet [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, in de zin van art. 56 Rv. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep moeten worden vernietigd, met alsnog veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste instantie, voor zover gericht tegen [appellant sub 2] . Grief I 5.6 Blijkens de paragrafen 4 en 5 van de toelichting op grief I achten [appellante sub 1] en [appellant sub 2] de afstand van ca 45 km tussen de beide locaties van het bedrijf van [schoonzoon van geïntimeerde] geen grond tot verplichte afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot indeplaatsstelling van zijn schoonzoon [schoonzoon van geïntimeerde] , wonende te [plaats] aan de [adres] als pachter in zijn plaats. Het hof onderschrijft dat. 5.7 Partijen gaan er beide dan ook - terecht - van uit dat deze vordering tot indeplaatsstelling moet worden beslist naar billijkheid, zoals bepaald in art. 49 lid 3 Pachtwet. 5.8 [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben gesteld belang te hebben bij afwijzing van de gevorderde indeplaatsstelling, omdat zij na het einde van de lopende pachtduur per 1 mei 1999, de thans aan [geïntimeerde] verpachte percelen wensen te verpachten aan [X] , die reeds in de nabijheid van deze percelen een boerdrij met ca 37 ha grond van [appellante sub 1] pacht. 5.9 Het hof stelt ten deze voorop dat de belangen van [X] te dier zake voor de onderhavige beoordeling naar billijkheid geen rol kunnen spelen. Uitsluitend de be