Rechtspraak 1995-03-08
ECLI:NL:GHARN:1995:AA4683
GERECHTSHOF ARNHEM BELASTINGKAMER Nr. 921268 Het gerechtshof te Arnhem, tweede enkelvoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van *X B.V., gevestigd te *Z, ingekomen op 24 juni 1992 en gericht tegen de uitspraak van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: b en w) van 27 april 1992 op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting complex *a; Gezien de overige stukken, waaronder een afschrift van de Verordening op de heffing en invordering van bouwgrondbelasting complex *a, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 december 1987, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 september 1990, nr. 90.019375, in werking getreden op 1 januari 1988, en laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 24 januari 1991, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 juli 1991, nr. 91.006056 (hierna: de Verordening), de door de gemachtigden van elk van beide partijen overgelegde notities -bij de pleitnota van de gemachtigde van b en w is één bijlage gevoegd- van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien, welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak alsmede de verzoeken van de gemachtigden van belanghebbende en b en w de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke; Gehoord ter zitting van 14 december 1994 te Arnhem *A, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door *B, alsmede *C, als gemachtigde van b en w, bijgestaan door *D, als ambtenaar werkzaam bij de bestuursdienst van de gemeente Ermelo; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep, de voormelde aanslag, berekend naar een klassificatie-oppervlakte van 9840 m², is gehandhaafd; Overwegende, dat belanghebbende, naar het hof verstaat, in beroep verzoekt primair onverbin-dendverklaring van de Verordening, subsidiair vernietiging van de aanslag en meer subsidiair vermindering van de aanslag, terwijl b en w concluderen tot bevestiging van de uitspraak; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: 1.1. Op 1 januari 1988 -het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt- had belanghebbende krachtens zakelijk recht het genot van de onroerende zaak, plaatselijk bekend *d-weg 13 (kadastraal bekend sectie K, nr. *). 1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de bouwgrondbelasting complex *a opgelegd ten bedrage van (9840 m² x f 30,62 =) f 301.300,80. 1.3. B en w hebben het tarief verlaagd tot f 30,44 per m². Zij hebben de onderwerpelijke aanslag bij een ongedateerde ambtshalve beschikking verminderd met f 1.771,20 tot een bedrag van (9840 m² x f 30,44 =) f 299.529,60. 1.4. Belanghebbende sloot met de gemeente Ermelo op 8 mei 1981 een bouwexploitatieovereenkomst. Zij kwamen onder meer het volgende overeen: "1. Teneinde de percelen, kadastraal bekend gemeente Ermelo, sectie K, nrs. 913 en 915 (beiden gedeeltelijk) gelegen aan de *d-weg, in exploitatie te kunnen brengen zal de exploitant gratis in volle en vrije eigendom overdragen aan de gemeente plusminus 1430 m² grond van de voornoemde kadastrale percelen, zoals nader is aangegeven op de bij deze overeenkomst behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening, behoudens goedkeuring van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten van de provincie *f. (...) 3. De gemeente verplicht zich om vóór 1 november 1981 de onderhavige percelen te ontsluiten middels doortrekking van de *d-weg op de grond, welke door exploitant is afgestaan, een en ander conform het bestemmingsplan "*a". 4. Teneinde de percelen, kadastraal bekend gemeente Ermelo, sectie K, nrs. 913 en 915 (beiden gedeeltelijk) in exploitatie te kunnen brengen en tot bebouwing daarvan overeenkomstig het bestemmingsplan "*a" te kunnen overgaan, zal door exploitant aan de gemeente worden betaald een bedrag van f 475.792,76 (incl. omzetbelasting) zijnde de verschuldigde bijdrage in de kosten van het bouwrijp De aan *H opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting is na bezwaar vernietigd, omdat diens perceel uitsluitend kan uitwegen op de *q-weg. 3.3. Er is overleg gevoerd met de voor de omzetbelasting bevoegde inspecteur. Diens standpunt dat sprake is van een door de gemeente per 1 januari 1988 belaste dienst naar het per die datum gelden tarief van 20%, is aan de Verorde-ning ten grondslag gelegd. De gemeente is in dezen ondernemer. Zij voldeed begin 1990 op aangifte circa f 600.000,-- aan omzetbelasting. 3.4. Een wijziging in de liggingsfactoren leidde tot een groter aantal omgerekende m². Deze om-standigheid gaf aanleiding het tarief te verla-gen. 3.5. De prijs voor grond bestemd voor de aanleg van wegen bedroeg destijds f 5,-- per m². Het bestemmingsplan stond toen al vast. Daaruit bleek dat de onderwerpelijke 1430 m² grond bestemd was voor de aanleg van wegen. De gemeente kocht in de jaren 1985 en 1986 grond bij de *b-weg. Er was f 5,-- per m² geboden. Bij de onteigening van grond van *J werd f 15,-- per m² betaald. Laatstgenoemd bedrag werd ook betaald bij de onteigening van gronden aan de *a-weg; Overwegende omtrent het geschil: 4.1. Belanghebbende verdedigt vergeefs dat de Verordening rechtskracht zou ontberen als gevolg van het in artikel 1, lid 1, ontbreken van de woorden "voor bebouwing". 4.2. B en w wijzen terecht op het vermelden van artikel 274 van de gemeentewet in de considerans van de Verordening, op de bij het raadsvoorstel behorende stukken waarin bedoelde woorden wèl voorkomen en waarin geen aanwijzing is te vinden dat zou zijn beoogd een inhoudelijk van artikel 274 van de gemeentewet afwijkende bepaling in de Verordening op te nemen, en de op Koninklijke goedkeuring van de Verordening. 4.3. Het hof aanvaardt, gezien hetgeen in 4.2. is weergegeven, als juist de stelling van b en w dat sprake is van een met een schrijf- of typefout op één lijn te stellen kennelijke omissie die na ontdekking is hersteld bij de vierde wijzigingsverordening van de Verordening. 4.4. Hoewel naar de letter genomen in de Verordening zelf niet is te lezen voor welk doeleinde het onroerend goed geschikt of beter geschikt dient te worden, is niet gesteld, noch aannemelijk dat enige belanghebbende als gevolg daarvan onvoldoende inzicht had in de voor de belasting-heffing relevante aanknopingspunten. Voor onverbindendheid van de Verordening levert dit gebrek daarom onvoldoende grond op, nog daargelaten dat in de Verordening wel op juiste wijze is geformuleerd het andere in artikel 274 van de gemeentewet bedoelde aanknopingspunt "of in een voordeliger positie komt te verkeren", welk aanknopingspunt door het woord "of" zelfstandige betekenis heeft. 5.1. B en w verdedigen ten onrechte dat de door het Bestemmingsplan *a tot stand gebrachte bestemmingswijziging van belanghebbendes onroerende zaak zou zijn aan te merken als een voorziening van openbaar nut in de zin van artikel 274 van de gemeentewet. De eventueel uit die bestemmingswijziging met betrekking tot de onderwerpelijke onroerende zaak voortvloeiende (betere) geschiktheid voor bebouwing of voordeliger positie mist derhalve in dezen betekenis. 5.2. Dit oordeel vindt mede steun in het arrest van de Hoge Raad d.d. 15 december 1993, nr. 29212, BNB 1994/68, waar uit de tweede volzin van rechtsoverweging 3.3 blijkt dat ook ten aanzien van in de Verordening op grond van de planologische bestemming aangewezen onroerend goed kan komen vast te staan dat dit door de voorzieningen van openbaar nut niet in een voordeliger positie is komen te verkeren. 6. B en w tonen aan de hand van het onderwerpelijke bestemmingsplan en de belastingkaart aan dat de aan *H toebehorende, binnen het bestemmingsplan gelegen, onroerende zaak voorheen en thans uitsluitend uitweegt op de *q-weg. Hun stelling dat belanghebbendes geval dus feitelijk van dat van *H verschilt is daarom juist. 7. Belanghebbende betwist ten onrechte dat b en w bij het vaststellen van de aanslag niet het in de Verordening neergelegde tarief van f