Rechtspraak 1995-04-28
ECLI:NL:GHARN:1995:AA4680
G E R E C H T S H O F A R N H E M BELASTINGKAMER Nr. 922262 Het gerechtshof te Arnhem, tweede meervoudige belastingkamer; Gezien het beroepschrift van de naamloze vennootschap N.V. X, gevestigd te *Z, ingekomen op 17 november 1992 en gericht tegen de uitspraak d.d. 30 september 1992 van het hoofd afdeling Belastingen van de gemeente Nijmegen (hierna: de ambtenaar) op het bezwaar van belanghebbende tegen de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen met betrekking tot de onroerende zaak, plaatselijk bekend als *a-weg 1 (elektriciteitscentrale *b); Gezien de overige stukken, waaronder een afschrift van de Verordening onroerend-goedbelastingen 1988 van de gemeente Nijmegen, vastgesteld op 15 december 1987 en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 19 mei 1988, nummer 34 (hierna: de Verordening), de door gemachtigden van partijen overgelegde notities van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien en een ter zitting overgelegde set van 27 kleurenfoto's plus drie brochures welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, alsmede een briefwisseling met partijen naar aanleiding van door het hof bij de ambtenaar ingewonnen schriftelijke inlichtingen ten aanzien waarvan het bepaalde in de artikelen 14, eerste lid, onder 2e, en 16 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken toepassing heeft gevonden; Gehoord ter zitting van 20 januari 1994 te Arnhem *A, alsgemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door diens kantoorgenoot *B en door*C, hoofd bureau financi-ële zaken van belanghebbende, alsmede, als gemachtigde van de ambtenaar voornoemd, *D, tot bijstand vergezeld door diens kantoorgenoot *E en door *F, taxateur, in dienst van de gemeente Nijmegen; Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde aanslagen zijn verminderd tot bedragen, berekend naar een heffingsgrondslag van f b; Overwegende, dat belanghebbende in beroep verdere vermindering van de aanslagen verzoekt tot bedragen, berekend naar een heffingsgrondslag van f d, terwijl de ambtenaar concludeert tot vermindering van de aanslagen tot bedragen berekend naar een heffingsgrondslag van f c; Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt: 1.1. Belanghebbende is als eigenaar en gebruiker van de elektriciteitscentrale *b te *R in de heffing van de onroerende-zaakbelastingen betrokken. Het betreft één complex in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel d, van de Verordening. 1.2. Op 1 januari 1989 bestond het complex onder meer uit (opsomming volgens punt 4 van het beroepschrift): - 1 gebouw met ketelhuis, machinezaal, 2 electrofilterunits, chemische-waterreinigingsunit en schoorsteen; - 1 gebouw met 2 ketelhuizen, machinezaal, bedieningsgebouw, voedingspompenunit, waterreingingsunit, schoorstenen, werkplaats, magazijn en dienstruimten; - 1 vliegastransportgebouw; - 1 olietransportgebouw; - 1 koelwatergebouw; - 2 gasreduceerstations; - 1 bedieningsgebouw kolentransport; - 2 schoorstenen; - 1 garagewerkplaats met rijwielberging; - 1 garage en garageboxen; - 1 brandweergebouw; - 1 gereedschapsberging; - 1 portiersloge; - 3 schakelgebouwen; - 1 oliepompengebouw; - 5 olie-opslagtanks; - 1 gasflessenopslag; - 1 rioolgemaal; - 1 koelwaterpompengebouw; - 1 slakkengebouw; - 1 vliegassilogebouw met bedieningsgebouw; - 1 compressorgebouw; Elk gebouw bevat de voor zijn taak benodigde werktuigbouwkundige installaties en inventaris. 1.3.1. De ambtenaar heeft de heffingsgrondslag gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde, welke, volgens een door de ambtenaar overgelegd taxatierapport d.d. 29 september 1992 f b bedraagt (waardepeildatum 1 januari 1986). 1.3.2. De ambtenaar concludeert in zijn vertoogschrift (bladzijde 14, punt 25, respectievelijk bladzijde 24, punt 29.6) nader tot vermindering van de gecorrigeerde vervangingswaarde met f 27.000.000,-- respectievelijk f 2.000.000,-- tot f c, aangezien naar haar oordee Vóór 1989 waren enkele installaties en gebouwen nog in aanbouw, ná 1989 zijn enkele installaties en gebouwen buiten werking gesteld; Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vragen betreft 1. of de verrijdbare havenkranen roerende zaken zijn, en 2. of de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de door belanghebbende genoemde onderdelen van het complex, en, 3. of de gecorrigeerde vervangingswaarde op het juiste bedrag is vastgesteld; Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd: Door belanghebbendes gemachtigde: 2.1. Hij heeft geen bezwaar tegen de namens de ambtenaar getoonde foto-reportage; daarentegen maakt hij wel bezwaar tegen de namens de ambtenaar gegeven uitleg aan de tekening. Hij ziet deze tekening nu voor het eerst. 2.2. Hij kon pas zeer laat over de benodigde aanvullende informatie bij zijn pleitnota beschikken. Voor wat betreft bijlage 5: De strekking hiervan is slechts een kwantificering van de kosten van de bodemverontreiniging. Hier is nauwelijks sprake van overvallen. Hetzelfde geldt ten aanzien van bijlage 4. Ten aanzien van bijlage 3: Dit betreft een uitwerking van een bijlage bij het beroepschrift. Ten aanzien van bijlage 1: Hiervan was de tekst eind gistermiddag wel beschikbaar bij het kantoor van *D. Bijlage 2 is in belangrijke mate ge-ënt op bijlage 1 en opgemaakt omdat de cijferopstellingen niet goed waren overgekomen. 2.3. Ten aanzien van de havenkranen: Deze zijn geplaatst op rails, teneinde gemakkelijker te kunnen manoeuvreren. Primair is er zijns inziens sprake van roerende zaken. Subsidiair, indien het hof beslist dat sprake is van onroerende zaken, stelt hij dat deze verwijderbaar zijn met behoud van hun waarde. De gemeente *Q merkt havenkranen aan als vrijgestelde werktuigen. Hij is verder van mening dat de kranen niet op zichzelf als gebouwd eigendom kunnen worden aangemerkt. 2.4. Naar aanleiding van de pleitnota van de ambtenaar: 2.4.1. Voor wat betreft de opmerking dat hij slechts een paar zaken afzonderlijk heeft behandeld: zijns inziens zijn de zaken welke zijn genoemd in de bijlagen bij het beroepschrift vrijgestelde werktuigen (N.B. belanghebbendes gemachtigde doelt hier op de hiervoor onder 1.5. opgenomen lijst). 2.4.2. Ten aanzien van bladzijde 3: Hij betwist de daar genoemde bedragen voor ketel, statief, turbine, generator en havenkranen. Gegeven de vooronderstelling dat e.e.a. in de heffing moet worden betrokken maakt de ambtenaar een onjuiste inschatting van de functionele veroudering. 2.4.3. Ten aanzien van het gebouwde eigendom: Er is één groot gebouw: de centrale. Eventueel kan er m.b.t. de R.O.I. gesproken worden van een afzonderlijk gebouwd eigendom. 2.4.4. Bij de andere gemeenten waarmee *X te maken heeft liggen de standpunten veel dichter bij elkaar. 2.4.5. De interpretatie van de oorspronkelijke bedoeling van de werktuigenvrijstelling laat hij aan het hof over. Er is een amendement ingediend dat inperking beoogt van de bestaande vrijstelling. Bij de invoering van de onroerende-zaakbelastingen in de jaren zeventig is de werktuigenvrijstelling ook aan de orde geweest. 2.4.6. Ten aanzien van bladzijde 10: - Het arrest "*s" (BNB 1992/296) verschaft hierover duidelijkheid. - Met betrekking tot de uitsluiting van kabels en buizen verwijst hij naar het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot hoogspanningsmasten (BNB 1980/183). - Voor wat betreft het volumecriterium: dit sluit juist niet aan bij de bestaande praktijk. 2.4.7. De ketel, de turbine en de generator moeten worden aangemerkt als werktuig. Het is niet in geschil dat het hier onroerende zaken betreft. Voor wat betreft de ketel: verwijdering is mogelijk, zonder het gebouw te hoeven slopen. Demontage betekent niet dat er sprake is van branden en snijden. Zie in dit verband de werkbeschrijving van 4.6. Volgens voornoemd arrest BNB 1980/183 zijn stroom- draden van hoogspanningsleidingen te beschouwen als "werktuigen". 4.7. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 1994, rolnummer 29559, BNB 1994/113, zijn bestanddelen van een gebouw die in hoofdzaak dienstbaar zijn aan dat gebouw, in die zin dat zij het gebouw beter geschikt maken voor gebruik, geen werktuigen in voormelde zin. 4.8.1. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, rolnummer 27678, BNB 1992/298, kan in een geval waarin sprake is van een in de commerci-ële sfeer gebezigde onroerende zaak, de gecorrigeerde vervangingswaarde niet hoger worden gesteld dan de bedrijfswaarde, de waarde die de onroerend zaak in economische zin voor de huidige eigenaar vertegenwoordigt. 4.8.2. In dat verband is - zoals volgt uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1991, rolnummer 26632, BNB 1991/236 - onder meer van belang in hoeverre een bepaald bedrijfsmiddel de bijdrage aan de omzet en de produktie van de onderneming, waarvoor het was bestemd, (nog) zal kunnen leveren. 5. De ketel 5.1. Gezien de beschrijving in het vertoogschrift onder punt 28 (tekstfragment op pagina 15), welke beschrijving het hof aannemelijk acht, en gezien de tot de stukken behorende foto's (in het bijzonder de zogenaamde fotoreportage ketel in bijlage 2a bij het beroepschrift en de ter zitting overgelegde kleurenfoto's) en tekeningen (in de ter zitting overgelegde brochure) neemt de ambtenaar terecht het standpunt in dat ketelstatief en ketel samen een gebouwd eigendom zijn in de zin van de onroerendezaakbelastingen. Gelet op hun gigantische omvang, 80 meter hoog volgens de tot de stukken behorende brochure en 25.000 m³ inhoud volgens de ambtenaar, welke ook blijkt uit de foto's en de tekeningen, zijn ketelstatief en ketel bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. 5.2. Aan dit oordeel doet niet af dat ketelstatief en ketel staan opgesteld in een ketelhuis. 5.3. Voor de beantwoording van de vraag of van een gebouwd eigendom kan worden gesproken is niet van belang of de ketel kan worden gedemonteerd en verplaatst. Het antwoord op de vraag in hoeverre verwijdering met behoud van de waarde als zodanig tot de mogelijkheden behoort, kan eveneens in het midden blijven. 6. De turbine en de generator 6.1. De eenheden G-11 en G-12 alsmede de turbogenerator zijn gezien de daarop betrekking hebbende fotoreportage (bijlage 2b bij het beroepschrift en de ter zitting overgelegde kleurenfoto's) en gezien hun zware constructie en grote omvang (samen 700 à 800 m³ naar de ambtenaar in zijn pleitnotities stelt en het hof aannemelijk acht) eveneens elk zelfstandige gebouwde eigendommen in de zin van de onroerende-zaakbelastingen. Ook voor deze installaties geldt dat zij gezien hun omvang en constructie bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. 6.2. Aan dit oordeel doet niet af dat turbine en generator staan opgesteld in grote hallen. 7. De rookgasontzwavelingsinstallatie (ROI). Gezien de tekening in de brochure van de Centrale *b is de ROI een gebouwd eigendom in de zin van de onroerende-zaakbelastingen. Ook voor de ROI, welke bestaat uit twee silo's die door middel van een buizenstelsel zijn verbonden met een schoorsteen, geldt dat zij gezien haar constructie en zeer grote omvang bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. 8. Havenkranen Het betreft kranen welke dienen voor het lossen van kolenschepen en welke zijn geplaatst op vaste rails waarop zij zich over een beperkt traject heen en weer kunnen bewegen. Gezien de toelichting in de pleitnotities van de ambtenaar acht het hof aannemelijk dat het ook hier gaat om installaties welke gezien hun omvang en constructie zijn bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Zij zijn derhalve eveneens als zelfstandige gebouwde eigendommen in de zin van de onroerende-zaakbelastingen aan te merken. 9. Liftinstallatie, verwarmingsinstallatie De ambtenaar maakt met het gestelde op pagina 13 van zijn vertoogschrift aannemelijk dat het gaat om in Voor zover belanghebbende met haar beroep op het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, rolnummer 27678, BNB 1992/298, bedoelt te stellen dat tengevolge van functionele veroudering of andere oorzaken ten tijde van de waardepeildatum moest worden verwacht dat het onderhavige complex of althans de zogenaamde eenheidsgebonden gebouwen en werken de bijdrage aan de omzet en de produktie van de onderneming, waarvoor zij waren bestemd, niet (meer) zouden kunnen leveren, maakt zij haar stellingen niet waar. De door belanghebbende verstrekte gegevens zijn veel te summier om de door haar verdedigde conclusies te kunnen trekken. Bovendien stelt de ambtenaar in zijn brief van 2 maart 1994 terecht dat in het kader van het landelijke energiebeleid destijds bewust ervoor is gekozen om een deel van de in Nederland benodigde elektriciteit door middel van kolengestookte centrales op te wekken. Dat beleid vormt het kader waarin dient te worden beoordeeld of de onderhavige bedrijfsmiddelen de bijdrage aan de omzet en de produktie van de onderneming, waarvoor zij waren bestemd nog kunnen leveren. Niet gesteld of gebleken is dat het hierbedoelde landelijke energiebeleid op de waardepeildatum als achterhaald gold. Het hof acht de door de gemeentelijke taxateur voor het onderhavige complex aangehouden afschrijvingingspercentages, zoals onder meer toegelicht in het taxatierapport en onder de punten 33 en 34 van het vertoogschrift, aannemelijk. 12.5. Voor wat betreft de terreinvoorzieningen en de aanvoerhaven acht het hof de in het taxatierapport gekozen uitgangspunten en de toelichting onder de punten 31 en 32 van het vertoogschrift aannemelijk. Belanghebbende maakt haar andersluidende stellingen niet waar. 12.6. Voor wat betreft de STEG-eenheid, het filterhuis CG2 en de olie-opslagtanks maakt belanghebbende, tegenover de stelling van de ambtenaar dat deze bedrijfsmiddelen functioneren als reserve c.q. stand-byvoorzieningen (vertoogschrift, punt 35, pleitnotities van de ambtenaar, punt 8.3), niet waar dat sprake is van overdimensionering. Het hof acht ook hier de door de gemeentelijke taxateur aangehouden gecorrigeerde vervangingswaarde aannemelijk. 12.7. De ambtenaar stelt dat de schatting van de kosten van de bodemsanering in het taxatierapport (f 2.500.000,--) berust op een opgave van belanghebbende zelf, welke schatting gebaseerd zou zijn geweest op hetgeen op de peildatum met betrekking tot de bodemvervuiling aan belanghebbende bekend was. Belanghebbende maakt, onder meer met het stuk dat zij als bijlage 5 bij haar pleitnotities heeft overgelegd, niet aannemelijk dat een vakkundige taxateur bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde naar de toestand op de peildatum reden zou hebben gehad met een hogere schatting van de saneringskosten rekening te houden. Gezien de redactie van artikel 4, lid 2, van de Verordening dienen feiten welke na de peildatum in dit verband bekend zijn geworden, voor zover zij op de peildatum nog niet waren te voorzien, bij de vaststelling van de heffingsgrondslag buiten beschouwing te blijven. De ambtenaar stelt overigens terecht (brief d.d. 2 maart 1994, bladzijde 11) dat de door belanghebbende bij haar pleitnotities overgelegde begroting zonder achterliggende onderzoeksrapporten niet controleerbaar is. Reeds om deze reden faalt de onderhavige grief. 12.8. Het hof berekent belanghebbendes proceskosten voor vijf samenhangende zaken, met de nummers 92/2261, 2262, 2263, 2264 en 2326 op 2,5 × f 710,-- × 2 × 1½ = f 5.325,--; Recht doende: Vermindert de aanslagen tot bedragen, berekend naar een heffingsgrondslag van f c; Veroordeelt de gemeente Nijmegen aan belanghebbende f 5.325,-- aan proceskosten te vergoeden; Gelast de ambtenaar aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht van f 75,-- te vergoeden. Aldus gedaan op 28 april 1995 te Arnhem door mr. Van Schie, vice-president, als voorzitter,mr. Matthijssen en prof. dr. Zwemmer, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Kets als griffier. (J.H.A. Kets)